Inlogformulier


Zoeken


Website
Internet

De Bijbel

Mijn weg door de kerk Wil je weten over welke gedeeltes uit de Bijbel in deze website informatie staat?

Mijn Facebook

Ga naar: mijn Facebook

Agenda

1 Tessalonicenzen 1 : 2 en 3

1 Tessalonicenzen 1 : 2 en 3


  1. Wij danken God altijd voor u allen: wij noemen u onophoudelijk in onze gebeden
  2. en gedenken dan voor onze God en Vader hoeveel uw geloof tot stand brengt, hoe krachtig uw liefde is en hoe standvastig u blijft hopen op de komst van Jezus Christus, onze Heer.

Voor 't laatst gehouden op 3 juli 1988 te Krimpen aan de Lek


Gemeente des Heren,

Dankbaarheid is een bloempje, dat in weinig hoven bloeit, zei Guido Gezelle. Had hij gelijk? Laten we ons gelijk maar eerlijk de vraag stellen: is dat bloempje in onze tuin te vinden? En als het er staat, heeft het een kwijnend bestaan, omdat we het slecht verzorgen? Of staat het in prachtige kleuren te bloeien en te pronken?

Het onkruid, dat ondankbaarheid heet, tiert vaak welig. Ondank is 's werelds loon. Maar dankbaarheid vinden we eigenlijk alleen in hoven, die door de Here God zijn omgeploegd en bemest en door Hem worden onderhouden. Dus bij mensen, die door Hem vernieuwd zijn en geleid worden. Echte dankbaarheid is eigenlijk alleen iets, dat gelovigen bezitten, omdat die geleerd hebben, ja elke dag steeds meer leren, waarvoor ze allemaal dankbaar mogen zijn. Wijst ook de Heidelbergse Catechismus daar niet op, wanneer die het geloof onder drie aspecten beziet: ellende, verlossing en dankbaarheid?

Paulus was zo'n dankbaar mens. Als hij een brief ging schrijven aan een van zijn gemeentes, vloeide er na het opschrift en de groet steevast vóór alles een dankzegging aan God uit zijn pen. Vanwege de tekenen, dat God reddend en vernieuwend in die gemeentes bezig is. Nee, het waren niet allemaal even bloeiende gemeentes, zonder zonden, zonder spanning en problemen, zonder verslapping en verval. Vaak had hij zelfs uit bezorgdheid de pen opgepakt om voor allerlei dwalingen in leer en leven te waarschuwen. Maar daarmee verloor hij het goede, dat er ook altijd nog was en door de Here was gegeven, niet uit het oog. Dat bleef bij hem zelfs de overhand houden. En dat was altijd het eerste, dat hij met dankbaarheid memoreerde.

Slechts één brief is uitzondering op die regel. In die aan de Galaten staat de verdrietige verwondering over het feit, dat men daar zo snel van het ware evangelie was afgeweken, op de voorgrond. Men moet het daar dus wel erg bruin gebakken hebben.

Nu mag het dan vroeger zowel bij joden als heidenen een min of meer vast gebruik, een stijlfiguur, geweest zijn om brieven te beginnen met een dankbetuiging aan God of aan goden, Paulus wekt niet de indruk, dat hij alleen maar clichés schrijft. Hij kiest zijn woorden zorgvuldig, waaruit blijkt, dat hij het meent.

Hoe zit het met onze brieven, áls we die nog schrijven? Komt daar de Naam van God in voor? Misschien, dat we die wel eens met vrome wensen besluiten, maar heffen we ze aan met een dankbetuiging aan God?

Paulus begint zijn eerste brief aan de Thessalonicenzen er net als de andere wel mee: Wij danken God altijd voor u allen.

Hoe zit het met onze gebeden, áls we nog echt bidden, niet alleen maar uit sleur en gewoonte, als we überhaupt nog bidden? Neemt het danken daarbij een grote plaats in? Of is het klagen en vragen en nog eens vragen? Laten we wat meer danken. De Here is het waard, dat we Hem dank brengen voor zo ontzaglijk veel, te veel om op te noemen, te veel om te beseffen. De Here verdient het dat we Hem erom loven en prijzen en groot maken. De Here heeft er recht op, dat we tegenover Hem en de naaste erkennen, dat al het goede voor lichaam en ziel van Hem afkomstig is. Want de dankzegging verdient een plaats in onze persoonlijke gebeden, maar net zo goed in onze gezamenlijke, thuis in de gezinskring, of hier in de kring van de gemeente. We maken de Here dubbel groot, wanneer we ook anderen laten horen, wat we aan Hem te danken hebben, wanneer we die met ons mee laten danken, wanneer dankende stemmen zich bij elkaar voegen tot een koor. Paulus schrijft ook: wíj danken u. Hij doet het hier niet alleen maar samen met anderen, met Silvanus en Timotheüs, die deze brief medeondertekenen, en die ook in de gemeente van Tessalonica het Woord van God hebben mogen verkondigen. Wat is het altijd hartverwarmend, verblijdend, bemoedigend, ondersteunend, wat kan de Geest je nauw met God en met elkaar verbinden, als je samen met anderen met hart en ziel aan het danken en loven bent, nog meer dan wanneer je het alleen doet. Als dankbare harten samensmelten, kunnen er heerlijke ogenblikken in de ziel beleefd worden.

Al moet ik er wel aan toevoegen, dat danken meer is dan in een bepaalde stemming raken of er in een bepaalde stemming voor zijn. Paulus schrijft: wij danken God altijd. Op de hoge toppen van het leven de Here dankzeggen voor zijn bijzondere zegeningen is nodig en fijn. Je trouwt of viert je huwelijksjubileum. Je krijgt een kind of een kleinkind. Je slaagt voor een examen. Je verwerft een promotie in je werk. Je herkrijgt gezondheid na ziekte. Je viert je verjaardag, misschien terwijl je dacht die niet te zullen beleven. De Here schenkt ons regelmatig zulke bijzondere blijken van zijn liefde en gunst. Dan lopen we over van dankbaarheid. Dat spreekt vanzelf.

Maar Paulus zegt: altijd. Ook als ons leven zich in de laagvlakte van het alledaagse bestaan voltrekt. Elke gewone dag, die als twee druppels water op de andere gewone dag lijkt. Want ook dan zijn er nog ontzettend veel dingen om dankbaar voor te wezen. En het is de door de Heilige Geest geschonken kunst van het geloof om die ook dan nog te ontdekken, en in ons dankgebed te noemen. Huis, kleding, voedsel. Vrede, vrijheid, welvaart in ons land. Gaven van hoofd, hart en handen. Mensen om ons heen, van wie wij houden en die van ons houden. Ik denk dat ons alledaagse leven juist veel minder alledaags zou zijn, met minder sleur, verveling en ontevredenheid, met minder gebrek aan interesse en enthousiasme, als we meer dankbaar genoten van wat als een constante stroom gaven uit de hand van God naar ons toestroomt, altijd.

Maar zelfs in de diepe dalen van ons leven, wanneer we het moeilijk hebben, we tegenslag kennen, wanneer er teleurstelling is en verdriet, hoort de dank niet verstomd te wezen. We zijn dan geneigd om alles zwart te zien. Het negatieve overheerst zo, dat we niets positiefs meer ontdekken, terwijl dat er nog wel is. Wij danken God altijd, want zijn trouw, vergeving en zijn liefde is er altijd, in voor- en tegenspoed, op de toppen en in de diepe dalen. Wij danken God altijd. Dat mag niet van onze stemming afhangen. Dat moet van Gods werk aan ons afhangen en zijn werk is altijd een goed werk.

Wij danken God altijd voor u. Als we danken, zijn we vaak sterk op ons zelf gericht. Dan denken we aan de zegeningen, die wij zelf hebben ontvangen. Ook in ons danken is het hemd nader dan de rok. Maar Paulus dankt met het oog op anderen. Hij is allereerst met blijdschap en dankbaarheid vervuld over wat de Here aan anderen heeft geschonken. Dat is het kenmerk van een bekeerd hart. Een hart dat zichzelf vergeten kan, dat op het welzijn van de naaste gericht is, vooral het geestelijk welzijn, en daarvoor kan danken. Een hart, dat gelukkig is bij het zien van het geluk van een ander. Een hart, dat die ander dat geluk ook zo gunt. Een hart, dat blij is met de blijden.

Wij danken God voor u. Danken wij God wel eens voor een ander, mild en van harte, zonder jaloezie? Laten we ook op dit punt ons gebedsleven eens onderzoeken.

Nu is het de gemeente van Tessalonica, waarvoor Paulus dankt. Die wordt met dat 'u' bedoeld: Als wij naar de situatie kijken, waarin onze vaderlandse kerk verkeert en naar de stand van zaken in onze eigen gemeente, zijn we soms geneigd om ach en wee te roepen over allerlei misstanden. Wat is er landelijk niet allemaal mis. De kerk geeft geen helder geluid naar buiten toe, maar de geluiden van de verschillende modaliteiten klinken door elkaar heen. Het is één spraakverwarring. De kerk heeft zich in politieke vaarwateren laten brengen. De kerk houdt een uitverkoop van haar leer en belijdenis. De kerk heeft de greep op de massa verloren. De kerk heeft geen boodschap meer, die aankomt in de ervaringswereld van de moderne mens. Wat is er ook plaatselijk veel te noemen. De één zal de vinger op dit gebrek leggen, de ander op dat. Er is te weinig kerkgang. Er gaan nog maar enkelen twee keer per zondag. Het is altijd zo moeilijk om ambtsdragers of andere medewerkers te vinden. Wat een lauwheid bij diverse activiteiten. Neem alleen maar het slechte bezoek van gemeenteavonden. En de bijdragen aan de kerk kunnen ook nog wel wat hoger wezen. Er wordt te oppervlakkig, te gemakkelijk, te licht gepreekt. Er wordt te ouderwets, te behoudend, te moeilijk, te lang, te zwaar gepreekt.

Paulus was als apostel de dienaar van het Woord, die de gemeente had gesticht en geleid. Juist dienaren van het Woord, die hun werk gewoonlijk met grote emotionele betrokkenheid doen, die van de ideale gemeente dromen, die graag concrete vruchten op hun werk zien, kan het makkelijk overkomen, dat hun enthousiasme omslaat in negatief geklaag. Waarom krijg ik niemand voor die taak? Waarom krijg ik dat werk niet van de grond? Waarom zie je die en die niet meer onder je gehoor? Waarom geven kerkmensen soms nog zo'n belabberd beeld van het christen-zijn tegenover andersdenkenden? En intussen zijn we vreselijk ondankbaar tegenover God, die dan toch maar zijn gemeente in stand houdt, die dan toch maar nog velen met zijn Woord bemoedigt, ondersteunt, raad geeft, bekeert. Die dan toch maar velen in zijn dienst neemt, de lust en de gaven geeft om iets te doen voor zijn koninkrijk. Die in elke gemeente, hoe die er ook voorstaat, altijd nog genoeg zegeningen schenkt om voor te danken.

Om Gód voor te danken. Wij bedanken Gód. Geen mensen. En helemaal niet ons zelf. We zijn er niet te goed voor om de eer naar ons zelf toe te halen als iets in de gemeente goed gaat. Dat kunnen leden van die gemeente doen, en zelfs dominees. Terwijl we allemaal maar nuttelozen dienstknechten zijn, die uit pure genade in de dienst van God zijn geroepen en het voor ons een dagelijks wonder hoort te wezen, dat we nog geen ontslag hebben gekregen. Laten we toch nooit ons zelf, of elkaar, en ook nooit naar de mens geslaagde predikanten ophemelen. Wat er aan geestelijke bloei is, danken we niet aan mensen, maar aan God.

En de dank van Paulus strekt zich ook uit over de hele gemeente. Wij danken voor u allen. Ook voor die jonge gelovige, dat kind. Ook voor die zwakke en twijfelachtige gelovige. Voor die eenvoudige, stille gelovige. Voor die gelovige, die nog wel eens uit de band springt. Voor die gelovige, die het de apostel wel eens knap moeilijk heeft gemaakt. Hij dankt God, dat ook zij er bij mogen horen. Allemaal. Paulus wil er aan de ene kant geen vriendjes op na houden en aan de andere kant geen buiten sluiten. Ze zijn hem als apostel allemaal even lief, zoals de Here genadige liefde kent voor brave en goddeloze zondaren.

En de apostel denkt aan ze, ze gaan aan zijn geest voorbij als hij bidt. We noemen en gedenken u in onze gebeden, schrijft hij.

Het woord, dat hier voor 'gebeden' in het Grieks staat, betekent letterlijk aanbidding, maar kan vaak ook met gebedsplaats of gebedssamenkomst vertaald worden. Het gaat om de dagelijkse vaste gebeden op de voorgeschreven gebedstijden van een gelovige, van wie het leven boven alles een God aanbiddend en verheerlijkend leven hoort te wezen. Is ons leven er een vol aanbidding? En dit aanbidden is danken, maar ook vragen en bidden voor anderen. Het is ook een vorm van aanbidding als we elkaar voor de troon van God brengen, want daarmee belijden we, dat dat de beste plaats is. Als Paulus bidt, denkt hij niet alleen aan zichzelf en zijn eigen leven, maar laat hij vooral de leden van de gemeente, allen, aan zijn geest voorbijtrekken. Hij heeft ze lief. Hij dankt voor wat de Here hen geschonken heeft. En hij gunt ze ook verder het beste: nieuwe gaven van de Here. Bidden wij zo ook in onze vaste gebeden voor elkaar? Paulus zegt hetzelfde nog eens met andere woorden: dat hij hen onophoudelijk gedenkt voor onze God en Vader, dat wil zeggen: voor diens aangezicht. Als je van iemand houdt, denk je onophoudelijk aan die ander. En dat des te meer als die ander niet bij je is, je die mist. Dan schrijf je ook een brief, waarin staat: ik denk steeds aan jou. Zo'n liefdevolle band heeft Paulus met de gemeente van Tessalonica. Is er bij ons zo'n band tussen ambtsdragers en gemeente en tussen gemeenteleden onderling? Denken we aan elkaar voor het aangezicht van God, ook als we een paar weekjes op vakantie zijn? Of nemen ook dan zoveel andere zaken en gedachten ons in beslag? Denken we ook dan, ja eigenlijk altijd onophoudelijk aan ons zelf? En brengen we onze gedachten ook dan zelden voor het aangezicht van onze God en Vader?

Paulus heeft de gemeente niet alleen lief, maar betuigt ook die liefde. Immers, als je iemand liefhebt, wil je deze je liefde ook verklaren. In dit opzicht is onze brief eigenlijk ook een van de vele liefdesbrieven, die geschreven zijn en worden. ‘Ik denk onophoudelijk aan jullie. Als we een goede band met elkaar voelen, als leden van dezelfde gemeente, als broeders en zusters in het geloof, en als we daarom elkaar voor Gods aangezicht brengen in de gebeden, mogen we dat ook best wel eens aan elkaar laten merken. Niet om te vleien en stroop te smeren, wel om de gemeenschap van de heiligen zichtbaar en hoorbaar te maken.

En wat gedenkt Paulus dan? Wat hun geloof tot stand brengt, hoe krachtig hun liefde is. En hoe standvastig hun hoop. Dus hij denkt aan het geloof, de liefde en de hoop, die in de gemeente gevonden mogen worden en die de Here aan zijn volk geschonken heeft.

Geloof, hoop en liefde. Ze horen bij elkaar. Ze zijn niet van elkaar los te maken. Ze zijn met z'n drieën bewijzen van Gods verlossend en vernieuwend werk aan zondige mensen. We vinden ze nog een keer in deze brief terug als het over de geestelijke wapenrusting gaat. Het borstwapen van geloof en liefde. De helm van de hoop op redding. Ook in de gemeente van Kolosse mocht Paulus ze ontdekken. Aan haar schrijft hij: Wij danken God voor u, want we hebben gehoord, dat u in Jezus Christus gelooft, dat u alle heiligen liefhebt, dat u hoopt op wat in de hemel voor u gered ligt. Maar vooral kennen we deze drie uit Paulus' bekende lied over de liefde, 1 Korinthe 13: ons resten geloof, hoop en liefde, deze drie. Calvijn zegt hierover: hieruit kan men een korte beschrijving van het ware christendom bijeen lezen. Waar geloof, liefde en hoop ontbreken, daar is geen christendom. Waar ze gevonden worden, daar heeft Christus zich een volk vergaderd. Daarom heeft Paulus in zijn geest en voor Gods aangezicht aan alle tekenen van geloof, hoop en liefde, die hij in de gemeente van Tessalonica zelf gezien heeft of van haar gehoord heeft, onophoudelijk gedacht. Omdat ze het kenmerk vormen van de ware gemeente van de Heer.

Als wij voor Gods aangezicht onze gemeente aan onze geest voorbij laten trekken, zijn we dan bewust op zoek naar de uitingen van geloof, hoop en liefde, zoals een radar de ruimte aftast op zoek naar schepen of vliegtuigen? En vinden we ze dan, of komen we niet het kleinste stipje op de radar tegen? Misschien komen we beschamend weinig tegen. Maar als we goed zoeken, zullen we toch genoeg tegen komen om de Here voor te danken. Misschien wat verborgen, bescheiden, zonder dat men ermee te koop loopt, zodat er inderdaad de radar van de verlichtende Heilige Geest voor nodig is om het te kunnen zien. Maar ze zijn er wel. Geloof, hoop en liefde. Of in de meer logische volgorde, die meestal wordt gebruikt, ook in onze tekst: geloof, liefde en hoop.

En wat blijkt Paulus dan weer een woordkunstenaar te wezen, die formidabel, kort en krachtig, telkens maar één, doch wel een veelzeggend woord aan deze drie toevoegt. Allereerst heeft hij het over het werk van het geloof, zoals er letterlijk staat. Wat een geniale combinatie! In andere brieven, waarin hij zich moet verzetten tegen joodse werkheiligheid en eigen rechtvaardigheid, maakt hij een tegenstelling tussen geloven en werken. Nee, we worden niet zalig door onze vrome daden. Die mogen we ons zelf niet als een verdienste aanrekenen. We worden alleen zalig door het verzoenend werk van onze Here Jezus Christus. We vertrouwen ons als arme zondaren aan zijn genade toe. We komen er niet door krampachtig aan God en de naaste te demonstreren hoe goed we wel zijn en daarop te bouwen, maar door als de tollenaar vol schuldbesef te bidden: o God, wees mij, zondaar, genadig. We worden door het geloof gerechtvaardigd, zonder de werken der wet.

Maar zo'n geloof is, als het oprecht is, nooit een goedkoop geloof. Zo'n geloof komt op een andere manier naar buiten dan alleen maar in vrome woorden en fraaie dooddoeners. De rank van het geloof, verbonden aan de ware wijnstok, Jezus Christus, en verzorgd door de ware Landman, onze hemelse Vader, brengt betere vruchten voort dan dat. Het is niet alleen praat, maar ook daad. Dat geloof is actief. Breng wat tot stand. Geloof zonder werken is dood. Maar een levend geloof verraadt zich daarin dat het goede werken doet. Want geloven is vertrouwend gehoorzamen en gehoorzaam vertrouwen.

Dat geloof begint wel in de binnenkamer, in het hart, maar het eindigt daar niet. Het eindigt bij onze handen en voeten. Want het is onmogelijk, dat, zo wie door een waarachtig geloof in Christus ingeplant is, niet zou voortbrengen vruchten van dankbaarheid. Werkt het geloof in ons midden? Zet het ons aan het werk? Automatisch? Dan wordt aan de ene kant ons gewone werken door het geloof gestempeld en gekleurd. Ons werken in de maatschappij, voor ons gezin. Dan nemen we aan de andere door het geloof extra werk op ons: een activiteit voor de kerk, een helpende hand, die we naar de naaste uitsteken, een vrijwillige taak die de gerechtigheid en het welzijn in de samenleving ten goede komt. Dat zijn dingen, die in de ware gemeente van de Heer gevonden worden.

En daar komt dan vanzelfsprekend de liefde ook bij te pas. Want het geloof heeft in de liefde zijn effectieve kracht en uitwerking. Paulus schrijft letterlijk: de arbeid van de liefde. Het Grieks maakt zelfs duidelijk, dat hij moeitevolle arbeid bedoelt, die met zorg, met ontbering en afzien gepaard gaat. Deze liefde is meer dan een warm gevoel, dat zo weer kan verdwijnen, als er een kille wind tegenaan waait. Het is meer dan je behaaglijk koesteren in de liefde van een ander. Het heeft de proef doorstaan en is duurzaam en sterk gebleken. Want ze schuwt de inspanning niet. Ze schuwt ook de weerbarstigheid van de samenleving en de haken en ogen tussen menselijke relaties niet. Niets is haar teveel. Ze zoekt zichzelf niet. Ze cijfert zichzelf weg. Ze heeft alles voor de ander over. De grootste moeiten. De felste pijn. Want het is dezelfde soort liefde, die Christus had en die Hem aan het kruis gebracht heeft. Kunnen we elkaar zo liefhebben? Kunnen we elkaar zo vasthouden tegen alle onbegrip en misverstanden in? Kunnen we elkaar zo troosten en helpen bij rouw, bij ziekte, ja bij alle klappen, die het leven geven kan? Zelfs als we er weinig liefde en waardering voor terug krijgen? Of branden we er onze handen liever niet aan? Gaan we zulke moeitevolle arbeid van liefde uit de weg? Spannen me ons alleen voor ons zelf in, omdat we alleen ons zelf liefhebben? In de ware gemeente van de Heer wordt deze arbeid van de liefde gevonden.

En ten derde ook de verdraagzaamheid van de hoop, zoals er in het Grieks staat. Dat is een hoop, die niet als een strovuurtje even hoog oplaait om daarna snel uitgeblust te raken, maar die een niet af te koelen koolgloed is, al is ze misschien onder as verborgen. Dat is niet een hoop, die bij de geringste tegenslag in wanhoop omslaat. Maar dat is een hoop, die veel verdragen kan. Taaie hoop. Hoop, die het volhoudt. Die geduldig is.

In deze wereld vol onvrede, onrecht en liefdeloosheid lijkt men hard bezig om de hoop op volmaakte vrede, op ware gerechtigheid, op zuivere liefde, de grond in te boren. De dood lijkt hard bezig om de hoop op het eeuwige leven te vernietigen. Zorgen en moeiten lijken hard bezig om ons de hoop op blijdschap en geluk te ontnemen. Maar bij de ware gemeente van de Heer krijg je die hoop er niet uit. Die groeit tegen de verdrukking in. Want het is een hoop, die God zelf in de harten van zijn kinderen gewekt heeft. Het is ook geen vage hoop, maar het is gegronde verwachting, want het richt zich op niemand minder dan op onze Here Jezus Christus. Het is standvastig hopen op onze Here Jezus Christus. Door Hem gaan al Gods beloften in vervulling. Hij zal het koninkrijk van de hemel laten komen. Hij wordt door de volgelingen terugverwacht op de wolken van de hemel. Nog even volhouden in ‘t strijdperk van dit leven en dan zullen we de eerkroon dragen, door Hem, door Hem alleen, om 't eeuwig welbehagen. Wij danken u, o God, voor het actieve geloof, de onvermoeibare liefde en de onwrikbare hoop.

Amen

.

Plaats reactie


Beveiligingscode
Vernieuwen

Liefdevol en genadig is de Heer,
hij blijft geduldig en groot is zijn trouw.
Niet eindeloos blijft hij twisten,
niet eeuwig duurt zijn toorn.
Psalm 103 : 8 en 9