Inlogformulier


Zoeken


Website
Internet

De Bijbel

Mijn weg door de kerk Wil je weten over welke gedeeltes uit de Bijbel in deze website informatie staat?

Mijn Facebook

Ga naar: mijn Facebook

Agenda

1 Tessalonicenzen 1 : 4 en 5

1 Tessalonicenzen 1 : 4 en 5


  1. God heeft u lief, broeders en zusters. Wij weten dat hij u heeft uitgekozen:
  2. onze verkondiging aan u overtuigde immers niet alleen door onze woorden, maar ook door de overweldigende kracht van de heilige Geest. U weet hoeveel we voor u hebben betekend toen we in uw midden waren.

Voor 't laatst gehouden op 17 juli 1988 te Krimpen aan de Lek


Gemeente des Heren,

Programmamakers van radio en televisie gaan soms met hun apparatuur een drukke winkelstraat in, brengen toevallige voorbijgangers een microfoon voor de mond en overvallen hen met een vraag. Zo wil men er een beeld van geven hoe de goegemeente over iets denkt. Hoe zou jan publiek reageren, als de vraag gesteld werd: waar denkt u aan bij het woord verkiezing?

Misschien dat iemand zal beginnen over de verkiezing van Miss Nederland. Of over de verkiezing van de sportman en sportvrouw van het jaar. Anderen zullen hun mening over parlementsverkiezingen en de politiek ten beste geven. Maar zou er nog iemand zijn, die dan denkt aan de verkiezing door God? Ik vrees van niet. Waar de massa zich ook druk over maakt, niet over de vraag of men wel of niet door God verkoren is.

We vinden het plezierig om ergens voor gekozen te worden. Wat ben je als kind blij, als je door een kameraadje bent uitverkoren om op zijn verjaardagsfeestje te komen. En als je in je bedrijf in de ondernemingsraad wordt gekozen, geeft je dat ook voldoening. Zelfs in de kerk merk je, dat gemeenteleden zich vereerd voelen, als ze voor een ambt of een taak uitgekozen en gevraagd worden.

Maar hoeveel mensen liggen wakker van de vraag of ze door God uitgekozen zijn? Terwijl dat toch een belangrijke vraag is. De belangrijkste. Het antwoord heeft met ons eeuwig lot na ons sterven te maken. Het is voor altijd verkoren of voor altijd verloren.

En als we er wakker van liggen, dan is het denk ik niet zo snel door overweldigende blijdschap en dankbaarheid, omdat we weten door God verkoren te zijn, maar eerder vanwege onzekerheid en bezorgdheid. De kerkelijke leer van Gods verkiezing geeft ons gewoonlijk geen hart, dat zich in de ruimte voelt gezet, vol is van vrede en rust, maar een, dat is samengeknepen van angst. Wat, beeldend gezegd, bij deze verkiezing zien we dat God een hoed met briefjes voor zich heeft. Op elk ervan staat een naam. Hij schudt die hoed. Pakt er een enkel briefje uit. Die zijn verkoren en de rest is verloren. De uitslag wordt wel opgeschreven, maar strikt geheim gehouden tot het einde van de tijden. Dan pas zal iedereen horen, of zijn lot getrokken is of niet.

Zo leef je steeds onder een geweldige dreiging Wordt God een grillige tiran. Maakt het niet uit, of je wel of niet naar de kerk gaat en naar Gods geboden en beloften luistert.

Maar zo maken we van de Gods verkiezing een koel denksysteem, waarbij de ene redenering met de ijzeren wetten van de logica op de andere volgt. En we maken er veel meer gevolgtrekkingen uit dan de bijbel, die niet zo rekent. Laten we daarom, nu Paulus het over de verkiezing heeft, zijn woorden goed lezen, die in zijn verband lezen en er ook op letten, wat we er niet in mogen lezen.

Wat staat er? Wij danken God. Daar begon Paulus zijn brief aan de Thessalonicenzen mee en daar is hij nog mee bezig. Wij danken God, want wij weten dat hij u heeft uitgekozen. Die verkiezing kan dus niet iets zijn om voor de Here te huiveren en Hem van willekeur te betichten. Dan zien wij haar verkeerd, speelt zij een verkeerde rol in ons geloven. Wat we in de verkiezing zien mag alleen maar reden geven om de Here te danken en als dat niet zo is, zijn we met een valse verkiezingsleer bezig. De verkiezing geeft ons als het goed is zekerheid, rust, steun, kracht, en daar kunnen we de Here alleen maar ontzettend dankbaar voor wezen. Het is geen daad, die onheil sticht, maar juist de allereerste heilsdaad van God, waarmee Hij onze zaligheid vast verankert in zijn vrije, soevereine, genadige wil, van eeuwigheid af over ons besloten. De verkiezing zet onze zaligheid niet op losse schroeven, maar schroeft die juist zó vast aan de eeuwigheid, dat alle stormen en aanvechtingen van deze tijd daar niets aan kunnen afdoen. De Here zegt zo: wat er ook gebeurt in je aardse bestaan, en wat voor uitglijders je daarin nog zal maken, Ik zal van je houden en Ik zal je gelukkig maken. Dat heb Ik met mijzelf vast besloten.

Wij zijn het meisje, dat tegen haar jongen zegt: Ik kom uit een ander milieu dan jij. Ik heb eigenschappen, die niet zo prettig zijn. Ik gedraag me soms irritant. Ik zeg het maar, want in een huwelijk kan je je niet voortdurend van je mooie kanten laten zien. En God is de jongen, die dan antwoordt: Ook dan zal ik van je blijven houden. Ik heb voor je gekozen en daar blijf ik bij. Dan zal zo'n meisje haar jongen toch blij en dankbaar om de hals vliegen? Zo mogen we de Here dankbaar zijn. Wij danken God. Niet om alles behalve zijn verkiezing, maar uitgerekend om zijn verkiezing. En als een jongen zo'n antwoord aan zijn meisje geeft, zal dat meisje dan denken: dat zegt hij nu wel, maar ik ben er nog niet zo zeker van? Ik moet eerst nog maar eens afwachten, wat hij op de trouwdag antwoordt? Want de praktijk wijst uit dat dan veel meer jongens nee zeggen dan ja? Of zal dat meisje dan denken: hij heeft mij nu wel uitgekozen, maar hoe moet het met al die andere meisjes, naar wie hij niet gekeken heeft? Zijn die door Hem afgewezen, verworpen? Dat zijn toch redeneringen, die helemaal niet in dit verband passen. Daarom passen ze ook niet in het verband van Gods verkiezing. Er past daarbij maar één ding: dat je je dankbaar en gelukkig in Gods eeuwige Vaderarmen werpt. Wij weten, broeders en zusters, dat Hij u heeft uitgekozen.

Broeders en zusters. Meervoud. Paulus heeft het over de verkiezing van de gemeente te Tessalonica. Niet die van een enkeling. Wij zien de verkiezing meestal puur individualistisch, maar in de bijbel is dat zelden het geval. Het volk Israël is het verkoren volk en de gemeente van Christus is het verkoren volk.

Dat betekent natuurlijk niet, dat iedereen, die min of meer kerkelijk meeleeft, automatisch verkoren is. Het is niet allemaal Israël, wat Israël heet. En niet iedereen, die zich christen laat noemen, is het ook echt. Daar is oprecht geloof voor nodig. Daarvoor moet je door het evangelie zijn geraakt, aangeraakt, heel persoonlijk. Daar zullen we het nog over hebben.

Maar dit wil ons wel verlossen van een strikt individualistisch denken over de verkiezing. Noach mocht dan verkoren zijn om in de zondvloed gespaard te worden, maar het wordt hem niet alleen gegeven, ook zijn familie. Met zijn acht zielen, zegt het doopformulier. Abraham mocht dan verkoren zijn om de eerste aartsvader van Gods volk te worden, hij trok niet alleen uit Ur, maar met Sara en Lot en met knechten en dienstmeisjes. En als een jongen een meisje kiest, gaat het hem wel om haar persoonlijk, maar hij krijgt haar niet alleen. Hij krijgt haar ouders, broers, zussen, familie erbij. We leven nooit los, maar in verbanden, ook in het verband van een christelijke gemeente, en daar gaat de Here niet omheen in zijn verkiezend handelen. De Here vergadert zich voor het eeuwige leven geen afzonderlijke exemplaren van de menselijke soort, maar een volk. Een gemeente van uitverkorenen, zegt weer het doopformulier.

Daarom schrijft Paulus ook: God heeft u lief, broeders en zusters. De hemelse Vader heeft hen lief om wille van hun oudste broeder, Jezus Christus, en daarom zijn ze elkaars broeders en zusters, houden ze dus ook van elkaar. Als één ding mensen bindt, is het de heerlijke wetenschap samen als een onverdiend genadig wonder door de Here verkoren te zijn. Dat is ook de diepste reden, waarom Paulus de gemeente zo'n warm hart toedraagt. In deze toch niet zo lange brief gebruikt hij liefst 14 maal de aanspreekvorm: broeders en zusters. En hier, waar het om Gods verkiezende liefde en liefdevolle verkiezing gaat, het eerst.

Wij weten, dat Hij u heeft uitgekozen. Wij weten. We stuiten weer op iets, dat wij van de verkiezing nooit zouden zeggen. Op de vraag of we zélf verkoren zijn, menen we het antwoord niet eens te weten. Die vraag geeft ons knagende twijfel en angstige onzekerheid. Laat staan dat we weten, dat een ánder verkoren is. Wij weten dat u verkoren bent? Het boek des levens is toch nog verzegeld? We kunnen er toch juist niet stiekem in kijken, hoe graag we het ook willen? Weet Paulus het wel? Heeft hij wel een blik in dat boek mogen werpen?

Nee, Gods verborgen raad, zoals we dat noemen, is voor Paulus even verborgen als voor ons. En toch weet hij dat de gemeenteleden in Tessalonica verkoren zijn. Hoe dan? Het is of hij die vraag verwacht, want hij geeft er in het volgende vers een concreet antwoord op. Wij weten dat God u heeft uitgekozen. Onze verkondiging aan u overtuigde immers niet alleen door onze woorden, ook door de overweldigende kracht van de Heilige Geest. Als God iets heeft besloten, denkt u dan dat hij dat besluit geheim houdt en ook niet uitvoert? Nee. Wij kunnen iets voor ons zelf besluiten en dat toch niet waar maken. Maar God niet. Zijn besluit blijft niet in de lucht hangen, maar voert Hij concreet uit in de aardse geschiedenis. Als we door de Here uitgekozen zijn, wordt het vroeg of laat zichtbaar door het feit, dat God ons in aanraking brengt met het evangelie van de Here Jezus en wel zó indringend, met zóveel kracht, dat er bekering en geloof op volgt, er een nieuw, verlost leven op volgt, een leven van geloof, hoop en liefde. Net zoals een jongen, die vol liefde voor een meisje gekozen heeft, dat niet voor zich houdt en niet passief blijft, maar met sterke overtuigingskracht haar zijn liefde vertelt en niet tevreden is voor ze in hem en zijn warme gevoelens gelooft. Dus, als Gods Woord ons aanspreekt, het steeds meer inwerking in ons hart en uitwerking in ons leven gaat krijgen, dan mogen we dat gerust als een blijk zien, dat God ons heeft uitgekozen. En als we merken hoe dat evangelie het leven van een ander verandert, mogen we daaruit gerust de conclusie trekken, dat die ander ook uitgekozen is.

Nee, we kunnen geen definitief oordeel over elkaar vellen. We kennen elkaars hart en verborgen gedachten niet. Er is ook schijngeloof en schijnbekering. Maar we hebben, net zoals Paulus over de gemeenteleden van Tessalonica, ook over elkaar het oordeel van de liefde te vellen en zolang het tegendeel niet blijkt uit te gaan van elkaars oprechte bedoelingen. Wij weten dat u uitgekozen bent, want ik zie dat het evangelie u wat deed en doet.

En zo horen we ook hóe de verkiezende Vader ons verlost. Bij voorkeur niet door op het vreemdste moment een straal van licht in ons hart te geven. Of daarin een onverwachtse stem met wonderlijke woorden te laten klinken. Of door ons bijzondere gevoelens te laten beleven. Maar door ons door middel van de prediking van het evangelie te overtuigen van onze zonden en zijn vergeving. Zeker gaat dat ook met ervaringen en gevoelens gepaard, maar die hebben dan concreet te maken met hoe het evangelie op ons hart inwerkt. Die gaan niet buiten dat evangelie om. Bekeringsgeschiedenissen gaan als het goed is niet allereerst over bijzondere belevenissen en belevingen van mensen, maar over Gods Woord en hoe sterk dat Woord blijkt, in het gewone leven van gewone mensen. Soms wel, maar niet altijd op een spectaculaire manier. Soms als een mokerslag, die de hardste steen in één keer stuk slaat, maar vaak als de gestage druppel die de hardste steen uitholt. Maar het evangelie doet het.

Je hoort wel eens wonderlijke betogen. Als ik verkoren ben, dan weet God me nog in de slechtste kroeg te vinden. En als ik niet verkoren ben dan helpt het nog niet als ik mijn leven lang de kerkdeur plat loop. Paulus zou met de ogen hebben geknipperd, als hij zo iets had gehoord. Want Gods eeuwige verkiezing zet het evangelie niet buiten spel, maar realiseert zich juist hier en nu door middel van de verkondiging van het evangelie en het geloof daarin.

Wij weten dat u uitgekozen ben, want onze verkondiging overtuigde u. Ons evangelie, staat er letterlijk. En daarmee bedoelt Paulus natuurlijk niet, dat het door hem en zijn medewerkers is bedacht. Of dat het door hen op een bepaalde maat gesneden is. Door hen vernieuwd en verbeterd is.

Maar het is het evangelie, zoals dat, vóór ze en terwijl ze het verkondigden, ook door hen zelf heenging. Het evangelie is geen krantenbericht, door een zo neutraal mogelijke verslaggever opgesteld. Het bestaat niet in puur objectieve vorm. Maar wie het onder woorden brengt, heeft het als het goed is zelf ook verwerkt. Het is hem eigen geworden. Het is zíjn evangelie geworden. Ik denk aan Ezechiël en Johannes, profeten, die in een visioen de opdracht kregen om de hen door God aangereikte boekrol op te eten, Gods Woord dus helemaal tot zich te nemen voor ze het openbaar maakten.

We zijn niet alleen als predikant brenger van dat Woord, maar ook als ouderling en diaken, en ook als getuigend en belijdend gemeentelid. Is het evangelie, dat we horen te brengen, ook ons eigen evangelie geworden? Ons persoonlijk bezit? Heeft het vlees en bloed gekregen in ons leven?

Onze verkondiging aan u overtuigde. Er staat eigenlijk: ons evangelie naar u toe. De verkondiging is als het goed is op mensen gericht in hun concrete doen en denken. Het is meer dan iets over Jezus vertellen. Meer dan een tekst uitleggen. Meer dan eigen ervaringen van je geloof beschrijven. Meer dan de politiek en het nieuws van commentaar voorzien. Het is een appèl, op harten gericht. Er worden pijlen bij afgeschoten met de bedoeling, dat ze ons treffen. We worden daarbij achtervolgd met de bedoeling, dat we als wetsovertreders gearresteerd worden. We worden daarbij nagesprongen met de bedoeling, dat we als drenkelingen gered worden. Wordt er zo gepreekt? Of schieten de brengers van Gods boodschap tekort?

En wordt er zo geluisterd? Met het besef: het is niet alleen maar voor mijn buurman of buurvrouw in de bank, maar ook voor mij, die waarschuwing, die bemoediging? Ons evangelie tot u. En dat is niet alleen door woorden geweest, maar ook door overweldigende kracht. Woorden zijn op zichzelf maar klanken. Zo vervlogen zuchtjes wind. Dat verbergen we vaak door ze op te poetsen. We willen het zo mooi mogelijk zeggen. We willen het zo mooi mogelijk horen. Ook in de kerk. Met fraaie dichterlijke woorden. Met pakkende en boeiende woorden, vol beelden en voorbeelden. Met bevindelijke woorden, de tale kanaäns. Wat bedoelen we als we zeggen: dat was een mooie preek? Alleen maar dat het aantrekkelijk proza was? We kunnen best van een preek genieten, maar als die ons niet in een bepaald opzicht bekeert, geen geloof wekt, geen veranderingen in ons denken en doen te weeg brengt, is die nog alleen maar in woorden tot ons gekomen en niet in kracht.

Soms kan het je benauwen, als spreker en luisteraar. Wat stort je een woorden over de mensen uit, zondags en door de week. Maar wat doen ze eigenlijk? Voert de wind ze mee? Wat laat je een woorden over je heen komen. De ene preek na de andere, misschien al tachtig jaar. Wat doen ze eigenlijk? Zijn het niet meer dan spattende luchtbellen? Een preek van een half uur bestaat uit gemiddeld 3300 woorden. Een respectabel aantal. Maar is het zo respectabel, wat ze teweeg brengen? Wat zijn wij mensen zwak en zijn onze woorden zwak. We kunnen zelf geen fractie aan onze zaligheid toedoen. Als het bij woorden blijft, al is het een stortvloed van woorden, is alles vergeefs.

Maar nu is het grote wonder, dat de Here aan dat zwakke mensenwoord zijn overweldigende kracht wil geven waardoor verloren zondaren, die Hij in zijn aan alles vooraf gaande liefde uitgekozen heeft, via geloof in dat woord zalig wil maken. Dat heeft Paulus in Tessalonica zien gebeuren. Wij weten dat God u heeft uitgekozen. Onze verkondiging aan u overtuigde immers, niet alleen door woorden maar ook door overweldigende kracht. Paulus heeft als spreker geen geweldige indruk gemaakt. We weten niet waarom. Had hij een spraakgebrek, een zachte stem, kon hij moeilijk uit zijn woorden komen? Zijn tegenstanders wisten het in ieder geval te vertellen. Het staat in de tweede brief aan de gemeente van Korinthe: In zijn brieven slaat hij weliswaar een gewichtige en imponerende toon aan, maar zijn persoonlijk optreden is zwak en wat hij zegt heeft weinig te betekenen. En hij geeft zelf ook grif toe, dat hij niet op een manier spreekt die hem door menselijke wijsheid is geleerd. Hij kan zich daarom niet met de Griekse wijsgeren in Korinthe meten. Maar dat zwakke woord van hem had toch een onweerstaanbare werking op mensen. Want God had het met kracht geladen om er zijn reddend werk mee te doen.

Met dunamis, zo staat er in het Grieks. Een woord, dat ook in onze taal terecht is gekomen. We gebruiken er twee voorbeelden van om duidelijk te maken, wat dat Woord doet.

Het werkt ten eerste als dynamiet. Als een bom, die ons zondige en verloren leven de lucht in laat vliegen. Waardoor al onze eigen dunk en eer, eigen vroomheid en rechtvaardigheid, eigen idealen en lusten er aan gaan. We worden stil gezet. We worden met de neus op het feit van onze verlorenheid gedrukt. Zo, dat er helemaal niets van ons overblijft.

Het werkt ten tweede als een dynamo. Dus een voortdurende bron van energie. Waardoor we getroost en bemoedigd, gesterkt en gesteund worden. Waardoor we de kracht krijgen om te geloven, te hopen, lief te hebben. Om het kwade los te laten en het goede te volbrengen. Waardoor licht en beweging worden opgewekt en we een nieuw leven krijgen. Ja, als de Here werkt, werkt Hij op dynamische wijze en geeft Hij een ongekende dynamiek aan ons bestaan. Herkent u deze sterke overweldigende uitwerking van het evangelie op u? Voelt u uit ervaring aan, wat met deze afbrekende en opbouwende dynamische kracht bedoeld wordt? Zegt u: ja, zo werkt de verkondiging van Gods Woord ook op mijn leven in? Niet altijd even sterk, maar soms wel heel sterk? Gefeliciteerd. Want dat is een blijk van uw verkiezing.

Ik kan het me uit mijn jeugd nog goed herinneren. Er kwam wel eens een godsdienstonderwijzer uit een naburige gemeente preken. Hij is saai en droog, zei het gros van de gemeente. Dat kon je ook aan de lege plaatsen merken. Maar er zat in die saaie preken voor mij toch een kracht verborgen, die ik niet bij academisch gevormde en welsprekende predikanten hoorde. Ze hebben op mij een onuitwisbare indruk gemaakt.

En wat is dat dan voor geheimzinnige kracht, die via zwakke mensenwoorden op ons inwerkt? De kracht van de Heilige Geest.

De verkondiging van Paulus werd gezegend vanwege de overweldigende kracht van de Heilige Geest. Dus van God zelf, de derde persoon van God, zoals we dat in de kerk zeggen. De Heilige Geest laadt de zwakke woorden van mensen met dynamiet en dynamiek, en maakt ze zo tot woorden van God. Hij dringt zo met onweerstaanbare kracht in ons hart binnen. Hij overtuigt met geestelijke overmacht, dat we zondigen en Gods oordeel verdienen, maar overtuigt ook van Gods vrijspraak en vergeving. Hij zorgt ervoor, dat mensen door Gods Woord geraakt worden en erin gaan geloven.

En als de Geest aan het werk is, dan gebeuren er geen geringe dingen. Dan is namelijk de volheid van de Geest aan het werk. Dat woord vinden we ook in het Grieks. Waar de Heilige Geest in de verkondiging werkt, daar zit Gods volle vermogen achter.

Dat heeft op meerdere zaken betrekking.

Ten eerste op de prediking zelf. De Heilige Geest zorgt er voor, dat in de prediking de volle rijkdom van Christus wordt uitgestald en de volle raad van God wordt verkondigd.

Ten tweede op wie de prediking brengen. De Heilige Geest zorgt ervoor, dat dat met volle gloed en overtuigingskracht gebeurt, in volle zekerheid.

Ten derde op wie de prediking horen. De Heilige Geest zorgt ervoor, dat ze er voluit in gaan geloven, ook in volle zekerheid.

Paulus herinnert de gemeente van Tessalonica daar ook aan. Zo mochten wij toch bij jullie werken? En zo mocht ons werk toch bij jullie gezegend worden? U weet hoeveel we voor u hebben betekend toen we in uw midden waren. Dit geldt voor ambtsdragers. Dit geldt ook voor gemeenteleden in het algemene ambt van de gelovigen. Hoeveel betekenen we voor elkaar? Is dat zoveel, dat we goed weten hoeveel? Blijkt daaruit, hoezeer we zo op elkaars geestelijk welzijn zijn gericht?

We waren in uw midden om uwentwil, staat er letterlijk. Wat de Heilige Geest ons schenkt is, of we nu wel of geen ambtsdrager zijn, niet alleen maar voor ons zelf, maar ook om er anderen mee te dienen en er anderen mee aan het geloven te krijgen. Ach, als we zo eens met elkaar omgingen. Onder elkaar en om wille van elkaar. Zoals Paulus, die aan de Thessalonicenzen kon schrijven: u weet, hoeveel we voor u hebben betekend toen we in uw midden er voor u waren. God geve, dat zijn evangelie in ons midden niet alleen door woorden is, maar ook door de overweldigende kracht van de Heilige Geest in al zijn volheid.

Amen.

Plaats reactie


Beveiligingscode
Vernieuwen

Doorgrond mij, God, en ken mijn hart,
peil mij, weet wat mij kwelt,
zie of ik geen verkeerde weg ga,
en leid mij over de weg die eeuwig is.
Psalm 139 : 23 en 24