Afdrukken
Amos 9: 11
Wil je eerst het gedeelte uit de bijbel lezen? ja

Amos 9 : 11

Voor 't laatst gehouden op 18 december 2016 in de Gereformeerde Kerk te Sliedrecht

Op die dag zal Ik de vervallen hut van David weer oprichten

Gemeente des Heren,

Je treft ze wel aan op het platteland. Die ouwe boerenschuren. Het rieten dak is verteerd en met mos begroeid. De deuren hangen scheef in hun hengsels. Er zitten grote scheuren in de muren. De ruiten zijn met spinrag bedekt en tochten geweldig. Stadsmensen, die er in hun vakantie even langs rijden, vinden zo'n scheef gezakt geval schilderachtig. Maar de boeren zien dat niet. Het is een ellendig geheel. En één sterke windstoot en het hele geval zakt kreunend in elkaar.

De profeet Amos komt uit het dorpje Tekoa. Is van boerenafkomst. Is er schápenfokker. Hij weet dus, dat je niets meer aan zo'n vervallen hut hebt, alleen maar last. Zo'n bouwvallig geheel is troosteloos, nutteloos, toonbeeld van verwording, niet te keren ondergang. Wat begin je nog mee?

En met zó'n hut vergelijkt Amos het koninklijk huis van David. Stel je voor: de schandaalpers komt iets over onze koninklijke familie te weten en zet als kop boven het onthullend artikel: het huis van oranje is een krot van Oranje. Zo iets doet Amos. Daar velt een boer een scherp oordeel over kóningen. Die eenvoudige kerel van het platteland geeft de hoge heren er van langs. Het is een stukje maatschappijkritiek, die bij ons in de roerige jaren zestig niet had misstaan.

Maar als zelfs een bóer, die niet in de hoge kringen verkeert en niet achter de schermen van de maatschappij kan kijken, het verval ziet, dan is het vást wel erg. Dan ziet Jeruzalem er vast heel gehavend uit. Als na een verschrikkelijke oorlog. Met verwoeste gebouwen. Mensen, die nauwelijks op straat durven. Groeperingen, die elkaar met wapens bestrijden. Een regering, die niet in stáát is te regeren. Met chaos en anarchie, zó sterk, dat het te merken is tot in de uithoeken van het land. Op verre boerenerven. Ja, dan kan je met recht van een vervallen hut spreken.

Maar zo ver is het niet. Het geslacht van David een vervallen hut? Onzin. Er is in de tijd van Amos juist weer ópbloei. Wat een schitterende paleizen en regeringsgebouwen in Jeruzalem! Iedereen, laat staan een eenvoudige boer, kijkt er zijn ogen op uit. En de mensen hebben het goed. Ze zijn rijk. De economie zit in een hoogconjunctuur. En dat is niet alleen in de hoofdstad, maar zelfs op het platteland te merken. Amos, je hebt je ogen dicht.

Maar Amos heeft ze wijd open. Hij heeft juist als een van de weinigen géén oogkleppen op. God gaf hem een goed onderscheidingsvermogen. Die paleizen, waarin het één en al pracht en praal is, men in weelde baadt, de verfijnde cultuur heerst, ze zijn tóch een vervallen hut. Ja, de complete maatschappij, die van daaruit wordt geleid, zit vol scheuren en gaten. Is aan het afbrokkelen en scheef zakken. Lees het hele boekje Amos maar eens, dan wordt het wel duidelijk.

Want wat constateert de profeet? Met de weelde neemt ook de onbarmhartigheid in de samenleving toe. De armen en zwakken worden niet beschermd, maar uitgebuit. Men krijgt via steekpenningen en vriendjespolitiek alles gedaan. De wetteloosheid groeit. O ja, men brengt trouw de offers en viert de godsdienstige feestdagen uitbundig, maar het is een gruwel in Gods ogen, want het is vrome schijn. Zie je het niet, zegt Amos, het is een vervallen hut. En nog wel van David! Van het geslacht, dat door God was uitverkoren om over zijn volk te heersen. De zonen van David kregen het voorrecht om onderkoning en regent van God te zijn. Zij mochten koninklijk en priesterlijk de doorgevers zijn van Gods goede wetten. Gods vrede, barmhartigheid, liefde, heil. De Here wilde via hen zijn Koninkrijk, zijn heerlijke, geluk brengende heerschappij op aarde laten komen en het kwaad terugdringen. Zit aan mijn rechterhand, zei Hij. Wees bij de gratie van Mij koning, maak zo Israël tot een heilig volk, een volk dat mijn eigendom is, door wie ik de hele wereld ga zegenen.

Maar wat zo mooi was begonnen bij David en ook onder Salomo nog even in stand bleef, werd tot een vervallen hut. Hun zonen misbruikten de verleende macht. Ze bevorderden niet de komst van Gods Rijk maar belemmerden die. En wat er van dat Rijk intussen tot stand was gekomen raakte in verval, scheurde uiteen, zakte in elkaar. Davids vervallen huis. Geen wonder, dat God daar boos om is. Zijn goede naam is er immers mee gemoeid. Amos moet als profeet Gods toorn uitspreken. Het is niet mals, zoals die schapenfokker te keer gaat. Al dat zondige knoeiwerk, dat verprutsen van Gods heerschappij zal door het smeltvuur van Gods oordeel gaan.

En nu citeer ik woorden van Petrus, waardoor dit stukje geschiedenis griezelig actueel wordt. We staan er ineens midden in met een schok van herkenning. Zoals toch de bedoeling is van de verkondiging. Petrus schrijft aan de christelijke gemeente, en zo ook aan ons: Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninkrijk van priesters, een heilige natie, een volk dat God zich verworven heeft om de grote daden te verkondigen van hem die u uit de duisternis heeft geroepen naar zijn wonderbaarlijke licht. Ook wij zijn dus door God uitgekozen tot een bijzondere taak. Hij wil, dat ook wíj als priesters bemiddelen tussen Hem en de wereld. Hij wil, dat ook wij als koningskinderen, regenten van Hem, leven. Hij wil, dat ook wij doorgevers zijn van zijn recht, vrede, heil. Hij wil, dat we een heilig volk zijn, een lichtend voorbeeld voor ieder om ons heen, en dat er een heilzame invloed van ons uitgaat. Hij wil ons gebruiken als zijn bruggenhoofd op aarde om zó zijn ríjk te vestigen. Hij wil ons gebruiken als een hut waar ieder in kan schuilen. Hij gaf ons als zijn gemeente in wezen hetzelfde in handen als het huis van David. Een heerlijke opdracht, een eer. Er aan mee te werken, dat God als Koning heerst, zijn wil geschiedt. Verspreid liefde. Wees barmhartig, rechtvaardig. Sticht vrede. Bestrijdt de zonde. Lenigt de nood. U bezit niet voor niets het voorrecht kérk te zijn. U bent een uitverkoren geslacht, Koninklijke priesters, een heilig volk, Gods eigendom, om díe dingen te doen.

En wat bouwden we met elkaar op? Kwam er wat terecht van Gods Koninkrijk? Weet u, wat we zien, gemeente, als we eerlijk nagaan? Een vervallen hut! Ondanks alle voorspoed, die er ook nu nog is. We bouwden een samenleving op, met elkaar en voor elkaar. Een hut om in te wonen.

En die hut heeft zeker beschermende muren van liefde. Maar door die muren lopen ook diepe scheuren. De scheur tussen allochtonen en autochtonen, tussen moslims en andersdenkenden. De scheur tussen links en rechts in de politiek. De scheur tussen schaamteloze rijkdom en beschamende armoede. De scheur tussen de ene en de andere kerk.

Zeker is in die hut warmte en genegenheid te vinden. Maar er waait ook de kille tocht van het individualisme. Met egoïsme, onverschilligheid. Er komen scheuren in de zorg voor zieken, voor psychiatrische patiënten, voor vastgelopen jongeren, voor mensen met een beperking, voor ouderen.

Zeker is er door vrede veel opgebouwd, maar er is door ruzie en oorlog ook veel een puinhoop geworden. Ik denk aan Syrië, vooral Aleppo. Aan Jemen.

Zeker is er recht, maar bepaald niet alles is waterpas. Er zijn veel verhoudingen scheef gegroeid. Er is veel onrecht. Ik denk aan de georganiseerde misdaad, waarin men veel verdient aan verdovende middelen, men elkaar liquideert. Aan te hoge salarissen aan de top van zorginstellingen, woningbouwverenigingen. Ik denk nog aan de kredietcrisis als gevolg van de handelwijze van veel banken. Heel de financiële wereld is uit zijn voegen geraakt.

Het is een hut, waarin we leven in ons vaderlandje. Het is niet niks. Maar het is toch in veel opzichten een vervallen hut. Zwaar vervallen. Lees de krant er maar op na.

Lezen we ook het boek van ons eigen leven er op na? Het boek van ons gezin, onze familie? We zijn slechte bouwers. We laten veel inzakken. We zijn soms zelfs slopers. We doen het niet beter dan de zonen van David en Israël. Hebben we daar verdriet van? Beseffen we, dat ook wij zo onder Gods felle kritiek, Gods oordeel staan?

Zo zitten ook wij wat troosteloos naar een vervallen hut te kijken. Beeld van de brokken die wij maken. Van het vele, waarin we tegen Gods plannen inwerken. Maar gelukkig, God laat het er niet bij zitten. Hij zal ondanks alles, wat wij verkeerd doen, zijn zin hébben en zijn zin ís, dat Hij over de aarde zegenrijk zal heersen, zijn Koninkrijk gaat komen. En wel via het geslacht van David, zoals Hij het beloofde. Dan, op die dag, zal Ik de vervallen hut van David herbouwen weer oprichten.

Dan. Op die dag. Eigenlijk staat het er plechtig in de oorspronkelijk taal. Te dien dage. Vreemd om zo te beginnen. Want onze tekst staat los van de vorige verzen. Het slaat er niet op terug. We vinden deze uitdrukking wel vaker bij de profeten.

Op die dag. Welke dag bedoelden zij? Welke dag was in Israël zó bekend, dat er geen nadere uitleg nodig was, maar iedereen gelijk wist waar het om ging? Wel, het is de dag, waar Israël verlangend naar uitzag. De dag van de grote ommekeer. De dag van Gods krachtig ingrijpen. Van de doorbraak van Gods heil. De dag van de komst van de Messias. Hoeveel mensen in Israël hebben die dag vurig verwacht? Voor hoeveel mensen was elke dag een dag van advent, een stapje dichter bij die grote dag? Op díe dag zal het gebeuren, zegt God bij monde van Amos. Op die dag zal Ik de vervallen hut van David weer oprichten.

Daar gaan twee koningskinderen, maar de hut raakte door de eeuwen heen zó zwaar in verval, dat het niet aan ze is te zien. Ze wonen niet in een prachtig paleis in Jeruzalem, maar in een klein huisje in Nazareth. Ze dragen geen statiegewaden, maar verweerde kleren. Ze hebben geen groot gevolg, maar zijn slechts samen. Ze worden niet vervoerd op een manier, die bij hoge standen past, maar gaan lopend of op een ezel. Híj is geen vorst, voor wie men diep buigt, maar een eenvoudige timmerman. Zíj geen vorstin, maar een gewoon meisje. Daar gaan ze, naar Bethlehem, de stad van David, omdat hij uit het huis en geslacht van David was. En het geschiedde toen zij daar waren, dat de dagen vervuld werden, dat zij baren zou. En zij baarde haar eerstgeboren zoon en wond hem in doeken en legde Hem neer in een kribbe, een voerbak, omdat voor hen geen plaats was in de herberg.

Waar was het? Een oude stal? Een verweerde boerenschuur? Een vervallen hut? Zo begon het: de lang verwachte dag van de Messias. Davids huis kon niet verder vervallen, Gods volk kon niet in ellendiger toestand verkeren, maar juist op dat diepste punt zendt God iemand om de vervallen hut van David weer te herbouwen. Jezus Christus. Koning van de Joden. Zoon van David. Zoon van God zélf.

Want nu neemt God het heft in éigen hand. Nu zal Hij zijn heilsplannen niet meer laten mislukken door zondige mensen. Nu zal Hij het zélf doen door zijn eígen Zoon. Dan zal Ik de vervallen hut van David herbouwen. Ík. De dwarsbomende mens wordt even uitgeschakeld. Hij moet nu aan de kant om het opbouwwerk aan God zélf over te laten. De werkelijke doorbraak van Gods heerschappij brengt Jézus alleen tot stand. Plaatsvervangend. Er zijn zaken waarin Hij alléén de weg gaat en wij Hem níet kunnen volgen. Ik zal het doen, zegt God. Om ons te schamen. Wat door ons in verval raakte, kunnen wij niet verhelpen. Het is ons boven het hoofd gegroeid. Maar gelukkig grijpt God zélf in door zijn Zoon. Ik zal zelf de vervallen hut herbouwen, zegt God. Vertrouw maar op mij.

En zo begon God met de renovatie. Door Jezus Christus. Hij kwam de scheuren van de vervallen hut dichten. Hij kwam, wat ingestort was, weer overeind zetten. Hij bracht vrede op aarde, waar oorlog was, liefde waar haat was, recht waar onrecht was. Hij troostte de verdrietige. Nam het voor de arme op. Hij bestreed het kwaad.

Vertwijfeld laat Johannes de Doper zijn discipelen aan Jezus vragen: bent u degene, die komen zou of hebben wij een ander te verwachten? Maar Hij zei: Gaat heen en boodschapt Johannes, wat u ziet. Blinden worden ziende, kreupelen wandelen, melaatsen worden gereinigd, doven horen, doden worden opgewekt. Aan armen wordt het evangelie verkondigd. Voeg er maar aan toe: zonden worden vergeven, het eeuwig leven wordt geschonken door zijn dood aan het kruis en zijn opstanding. Zo is de grote restaurateur bezig. Zo maakt Hij alle scheuren dicht. Zo bouwt Hij weer iets moois op onze puinhopen. Gods Koninkrijk. En het zet zich onherroepelijk verder door. Geen mens kan er meer afbreuk aan doen. We kunnen ons er wel buíten plaatsen, maar we kunnen de komst van dat Rijk níet verhinderen.

Mag ik u iets aanbevelen? Speel maar open kaart. Vertel God eerlijk, wat voor een vervallen hut we er van gemaakt hebben. En dat we zelf niet de scheuren weer dicht kunnen maken en de puinhopen opbouwen. Laten we heel ons bestaan Hem in handen geven. Laat Hem Koning over ons zijn, deze koning van de Joden, geboren in de stal van Bethlehem. Luister naar zijn woorden. Laat je inspireren door zijn Geest. Sluit je als onderdaan bij Hem aan. Van Hem is de herbouw te verwachten. Hij verlost ons uit onze vervallen toestand. Hij lijmt de brokken, die wij maakten. Hij vergeeft de zonde, lenigt de nood. Hij beurt op wie gebroken is van hart en verslagen van geest. Hij blaast ons nieuwe, frisse moed in. Hij verandert, bekeert ons zó, dat er ook weer vernieuwing van óns uitgaat. Zodat we een heilig volk worden, Gods eigendom, een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, en er een heilzame invloed van ons uitgaat, de samenleving in. O, hoe heerlijk is het om déze Koning, déze zoon van David, te volgen. Wat gaat er dan opbouwende kracht van Hem uit naar ons en van ons uit naar de wereld.

Maar ik zíe er nog zo weinig van, zegt u misschien. Ik zie nog zo veel vervallen. Ik zie de afbrekende krachten nog zo actief, in mij zelf, de kerk, de maatschappij. Dat is waar. Maar verlies daarom de hoop niet. Edom, de aartsvijand, wist steeds stukjes van Israëls land in te palmen. Ook vlak vóór Amos optrad lukte dat nog. Maar op die dag zal het andersom zijn, profeteert Amos vol verwachting. Dan neemt Israël in bezit wat er nog rest van Edom. Spreekt de Heer, die dit alles doen zal. Dat wordt de vroegere luister hersteld. De glorieuze tijd van David, waaraan het latere Israël met weemoed terugdacht en die men als voorproefje van de komende tijd van heil verheerlijkte. Amos liet zich níet door de werkelijkheid van de wijs brengen, maar voorzag, dat Gods Koninkrijk sterk en groot zal zijn. En daarom moeten wij ons óók niet blind staren op het heden. Het geloof richt zich niet op wat zíchtbaar is, maar op de heerlijke toekomst van God. Het zal toch goed komen.

Laat dat waar zijn, maar is het wel voor míj bestemd? En moet ik niet eerst aan allerlei vóórwaarden voldoen? Nee, want dat Rijk zal zich uitstrekken over alle volken. In Handelingen 15 lazen we hoe de apostelen bijeen kwamen om een belangrijk twistpunt uit de weg te ruimen. Sommige christelijke joden kunnen het maar moeilijk verdragen, dat het christendom door de grenzen van het joodse volk heen breekt. Ze willen toch allerlei eisen aan niet-joden stellen. Die moeten zich ook aan alle wetten van Mozes houden. Maar ze verliezen het. En de woorden van Jacobus geven de doorslag: God zelf heeft het plan opgevat om uit de heidenen een volk te vormen dat zijn naam vereert. Dat stemt overeen met de woorden van de profeten. Ik zal het vervallen huis van David herbouwen, uit het puin. Ik zal dit huis doen herrijzen, zodat de mensen die overgebleven zijn de Heer zullen zoeken, evenals alle heidenen over wie mijn naam is uitgeroepen. Spreekt de Heer.

Het Koninkrijk van God dijt zich in Jezus Christus zó uit, dat ook wij erbij horen. Wat een liefde. Wat een troost. Bij alles, wat we verkeerd doen, bij alle scheuren en brokken, die wij maken, mogen ook wij terugvallen op Jezus Christus. Al onze hoop mag op Hem gevestigd zijn. Want Hij zal het Koninkrijk van God definitief op aarde, de hele aarde, vestigen.

En in sprekende beelden vertelt Amos dan van de overvloed, die dat Rijk ons zal geven.

De ploeger ontmoet dan de maaier. Het land hoeft niet lang braak te liggen in de droge tijd, waarin er niets groeit. Zodra er is gemaaid en de oogst is binnengehaald, kan de ploeger het al klaar maken voor een volgende groeiperiode. En de druiventreder ontmoet de zaaier. Zó vroeg zullen de anders zo late druiven al rijp zijn, direct nadat het koren is gezaaid. De bergen druipen van de wijn en alle heuvels golven van het koren. Wat een overvloedige tijd zal dat zijn. Wat een geluk, zaligheid, weelde zal Gods Rijk brengen. En wat een rust en vrede. Zij zullen hun verwoeste steden herbouwen en erin wonen. Ze zullen wijngaarden planten en zelf de wijn ervan drinken, ze zullen tuinen aanleggen en zelf de vruchten ervan eten. Ze zullen niet meer worden weggerukt uit het land dat ik hun heb gegeven, zegt de Heer.

Daar gaat het naar toe, gemeente. Naar het heil, met deze rijke beelden beschreven. Het heil, dat Jezus Christus voor ons verwierf. Zie met grote verwachtingen uit naar die dag. De dag waarop Ik het vervallen huis van David weer herbouw. Spreekt de Heer, die dit alles doen zal. Amen.