Inlogformulier


Zoeken


Website
Internet

De Bijbel

Mijn weg door de kerk Wil je weten over welke gedeeltes uit de Bijbel in deze website informatie staat?

Mijn Facebook

Ga naar: mijn Facebook

Agenda

Jongelingen in de  oven

Geschilderd door T’oros Roslin


Wil je eerst het gedeelte uit de bijbel lezen? ja

Daniël 3 : 1 - 30

De brandende oven

Gemeente des Heren,

Dat heb je als je verbeelding krijgt, als je je heel wat verbeeldt. Dan laat je een beeld maken voor je zelf. Zoals koning Nebukadnezar. En dan doe je het gelijk goed. Het wordt een gouden beeld. En een kolossaal beeld. Ach, wees eens eerlijk! Zijn we er niet allemaal gevoelig voor? Ik bedoel voor wat blinkt en schittert? Wat duur is? En groot? Het hoeft niet eens een beeld te wezen. Het kunnen ook gouden oorbellen, armbanden, halskettingen, horloges wezen. Het kan een auto wezen, een huis. Of een zaak, een positie. Op zich niks tegen die dingen, maar wel als wij ons daarmee iets verbeelden. Proberen op anderen indruk te maken. Kijk eens wat ik me permitteren kan. Gelukkig ziet God het hart aan en niet wat voor ogen is. Dat is een troost. Of zit ons dat juist niet zo lekker?

Want dat hart van Nebukadnezar bleek ook nog niet zo hard veranderd te zijn. Hij had van een wonderlijk beeld gedroomd, van verschillend materiaal, waaronder een gouden hoofd, maar ook lemen voeten, dat door een van de hoogte af rollende steen werd verbrijzeld. Hij had van Daniël als uitleg gehoord dat de koninkrijken van deze wereld het eens moeten afleggen tegen het Koninkrijk van God. Daarop had hij het beleden: Daniël, jouw God is de God der goden en de Heer der koningen. Maar het was niet uit zijn hart gekomen. Hij was het gauw vergeten. Het enige wat hij onthouden had, dat was dat gouden hoofd, symbool van hem zelf en zijn rijk. En daar maakt hij nu maar voor het gemak een heel gouden beeld van. In een vlakte, geen kans dat er een grote steen uit het gebergte komt rollen. Ach, zo'n selectief geheugen hebben wij toch ook wel eens? Onthoudend wat in onze kraam te pas komt en vergetend wat niet zo aangenaam voor ons is?

De omvang van het beeld wordt in maten uitgedrukt. Zestig el, zeg maar dertig meter, hoog en zes el, zo'n drie meter, breed. Getallen kunnen tot onze verbeelding spreken. Getallen van oppervlaktematen, van prijzen, winsten, omzetten. De kwantiteit maakt soms grotere indruk op ons dan de kwaliteit.

Vreemd, die getallen zestig en zes. Onwillekeurig denk je aan het laatste bijbelboek, Openbaring, waarin de antigoddelijke wereldmacht, die ieder met list en geweld aan zich onderwerpt en allen die zijn merkteken niet dragen, buitensluit, met de náám Babylon en met het getàl 666 wordt aangeduid. Het getal van het beest, de boze, de geest uit de afgrond, en het getal van de mens. De mensheid, overgeleverd aan de overste van deze wereld, is tot grote prestaties in staat. Maar het wordt nooit goddelijk, volmaakt. De zes wordt nooit zeven, het getal van de volheid. Welke vorm het beeld heeft wordt niet vermeld. Velen denken aan een soort obelisk, een hoge vierkante zuil met daarbovenop het borstbeeld van de koning. Zo wordt het opgericht in het dal Dura, waar - dat mogen we ons ook wel verbeelden - de ruggen van de boeren zich krommen, de vrouwen ploeteren in ellendige hutjes, de kinderen huilen van honger en dorst, de bevolking dus door de hoge belastingdruk wordt uitgemergeld, want het geld voor de luxe paleizen en fraaie hangende tuinen in Babel en voor zo'n immens gouden beeld moet toch ergens vandaan komen. Ach, er is nog niets veranderd. Hoeveel rijkdom heeft indertijd Mobutu van Zaïre niet verzameld ten koste van zijn volk. Op veel plaatsen worden rijken rijker door bloed, zweet en tranen van de arme massa. Dat is geen ver-van-mijn-bed-show. Het raakt ons allemaal. Ook de huidige economische wetten steken zó in elkaar, dat ónze welvaart mede wordt gebouwd op uitbuiting en verdere verarming van volken elders, ondanks de tegenstroom van ontwikkelingshulp, werelddiakonaat en zending. Laten wij ons maar niets verbeelden, doch verlegen en gewetensvol rentmeester zijn over wat ons geschonken is.

Zo'n beeld moet natuurlijk worden onthuld en ingewijd. Show hoort er toch bij in het leven? Ook nu nog. De koning maakt er een compleet circus van, tot meerdere glorie van zichzelf. Hij zendt uitnodigingen - maar waag het eens ervoor te bedanken - aan alle overheidsdienaren in zijn hele rijk. Onze schrijver somt twee maal achter elkaar het hele rijtje op. Niet voor niks. Ook nu mogen we onze verbeelding laten werken. Daar komen ze aan, massaal. In de uniformen van de verschillende legereenheden en militaire rangen. De ambtelijke kleding van rechters, burgemeesters, provinciebestuurders, goeverneurs, politiecommissarissen enz. De kleurrijke klederdracht van alle mogelijke streken in dat grote rijk. In gala. Met de onderscheidingen. Wat een uiterlijk vertoon.

Ik heb natuurlijk niks tegen een toga, een uniform, een lintje en medaille, integendeel, maar wat zit er achter? Een hoge borst of een nuchtere, bescheiden, integere imborst. En zijn we dapper en moedig ons zelf of laten we ons achter die façade van stoerheid laf door de machthebbers van deze wereld misbruiken? Wees jezelf, voor God en de medemens.

Zo staan al die hoogwaardigheidsbekleders in het gelid rond het beeld. Allemaal volgens het draaiboek. Volgens de massa-regie. Zoals bij de 1 mei parades in communistische landen en in de bomvolle stadions, waar Hitler zijn schreeuwerige redevoeringen hield, met het defilé van alle afdelingen van leger en partij. Zo is een mens een aangeklede pop, een nummer. Voor zover hij nog een ziel heeft, heeft hij die aan een afgodische macht verkocht. Maar pas op. Het kan nog gebeuren. We kunnen allemaal worden meegesleurd door massapsychose. We zijn allemaal gevoelig voor wat men doet en men denkt. Oud en jong. We willen mee doen met wat "in" is, mode is. En wie laat zich in een voetbalstadion niet ophitsen door de sfeer?

Weet je wat daar goed bij past? Het schreeuwen van bevelen. Aldus wordt u bevolen. En ook het overdrijven. Gij volken, natiën en talen. En zeker muziek. Zodra gij de muziek hoort, zult gij u ter aarde werpen en het gouden beeld aanbidden. Onze schrijver somt ook meerdere malen het hele rijtje muziekinstrumenten op. Grote corpsen met harde, meeslepende, opzwepende muziek horen bij het gevaarlijk spel der machten. Want ze hebben een suggestieve invloed op de massa. Denk niet alleen aan militaire marsmuziek, maar - jongelui - ook aan harde, meeslepende rock- en housemuziek, waarbij soms heel verderfelijke, fascistische en pornografische teksten worden gezongen. Pas op voor die invloed. Echt een heel andere invloed dan die van psalmen, lofzangen en geestelijke liederen tot eer van God.

En zo moet ieder voor het beeld neerknielen, het aanbidden. Het beeld en de koning zijn afgoden geworden. Er wordt religieuze verering geëist. Totalitaire machten gebruiken graag de religie en verheffen zich graag tot religie. Want ze zijn uit op absolute onderwerping en gehoorzaamheld zoals alleen God dat kan vragen. Het atheïstisch communisme was wat dat betreft even religieus als het nationaal-socialisme en de fundamentalistische islam. Allemaal ontaarde godsdiensten, waarmee de mens in zijn hoogmoed en machtswellust als God wil zijn.

We hebben allemaal het gevoel afhankelijk te zijn van en onderworpen te zijn aan een hogere macht. Dat zit er sinds de schepping bij ons ingebakken. De enige, die recht heeft op deze afhankelijkheid en onderworpenheid is onze Schepper, de Vader van onze Here Jezus Christus. Maar allerlei machten proberen Hem te te verdringen, zijn plaats in te nemen en o wee, als we daar intuinen. Dan is die liefdevolle en reddende Vader niet onze Heer en Meester, maar een uitbuitende en moordende tiran, of een tirannieke bovenlaag, of een tiranniek systeem.

Hoe moordend, blijkt ook uit onze geschiedenis. En ieder die zich niet ter aarde werpt en aanbidt, zal ogenblikkelijk in de brandende vuuroven geworpen worden. Tsjonge. Toch wel om bang van te worden.

Kortom, waarmee regeert Nebukadnezar? En waarmee laten zijn onderdanen, tot de belangrijkste ministers toe, zich regeren? Door de angst. Uit angst gaan ze door de knieën. Angst is aan de ene kant een machtig wapen. We laten ons al gauw bewust en onbewust door angst leiden. We zijn vaak al bang voor kritiek van anderen, wat anderen ervan denken zullen, er bij anderen uit te liggen. Dan toch zeker voor gevangenneming, verhoor, marteling. En helemaal voor de dood. Want zie je die oven branden, dan zie je toch de dood in de ogen. Ach, zit er niet diep in ons aller hart een flink brok angst? het Vereist heel wat moed om die te overwinnen.

Maar angst is aan de andere kant een zwak wapen. Want je maakt je er gehaat mee. En niet geliefd. Je kan er de harten van ons mensen niet mee winnen en veroveren. En kijk, dat lukt de Here wel. Want Hij regeert niet met angst, maar met liefde. En Hij wil ook niet uit angst maar uit liefde gediend worden. Laten we zo ook met elkaar omgaan. Elkaar niet onder druk zettend, manipulerend, chanterend, maar met vrijheid en liefde.

Zo'n totalitair regiem dat met angst regeert vergiftigt ook het klimaat tussen mensen. Er ontstaat een broeierige sfeer van spionage en verraad. De drie vrienden van Daniël knielen niet. En dan zijn er natuurlijk mensen te vinden, die hen aangeven. Chaldeeuwse mannen, die joden aangeven. Daar zit rassenhaat achter. En vreemdelingenhaat. En jaloezie. Die joden, die buitenlanders, hebben een beter baantje dan zij. Ze beschrijven de drie als ondankbare honden. U hebt ze wel aangesteld, o koning, maar respect voor u hebben ze niet. Hoeveel levens zijn al niet vernietigd door laf verraad en minne beschuldigingen. Wat kleeft er bloed aan veel handen.

Hun gemene pijl treft doel. De koning wordt woedend. Hij beveelt Sadrach, Mesach en Abednego te halen. Jullie deden het toch zeker niet met opzet? Hij geeft ze nog een kans om er met een smoesje en gevlei onder uit te komen. Middelen die hem ongetwijfeld bekend waren aan het hof. Nee, o koning, zo hebben we het natuurlijk niet bedoeld. Het is verleidelijk zo op het laatste moment terug te krabbelen om uit de brand te zijn. Een klein leugentje, loocheningetje van je God, een klein knievalletje, voor de machten van deze wereld. Je moet tenslotte ook aan je maatschappelijke positie denken en aan je vrouw en kinderen. Herkenbaar, niet? Ja, we doen het zelfs wel eens zonder dat ons het vuur na aan de schenen wordt gelegd. Zoals bij hen. Maar indien gij niet aanbidt, worden jullie ogenblikkelijk in de vuuroven geworpen. En wie is die god die u uit mijn hand zou kunnen bevrijden? De grootspraak van absolute wereldheersers. Was het Mussolini niet, die in een rede overmoedig zei: als God bestaat, laat hij dan nu mijn hart doen stilstaan? Het gebeurde niet direct, maar de straffende hand van God is voor hem en zijn rijk niet uitgebleven. Overschat de knechtende hand van mensen nooit. En onderschat de bevrijdende hand van God nooit.

Maar hoe reageren de drie vrienden? Ze hebben geen behoefte om zich uitgebreid te verdedigen en de geboden ontsnappingskans te gebruiken. Ze willen nergens omheen draaien, compromissen en uitvluchten zoeken. Ze kunnen eenvoudig de God, die zij eren niet verloochenen door voor afgoden of beelden te knielen. Dat is de grens en daarover valt niet met ze te praten.

Ze geloven ook, dat hun God hen kan bevrijden. Maar als Hij het niet doet, Hij is daar vrij in.

Ze waren in Babel opgegroeid. Hadden babelse namen gekregen. Maar ze waren niet van Babel geworden. Ze hebben het geloof behouden en spreken de taal van het geloof. Het wordt bij hen waar, wat Jezus eens zei: Gij zult voor stadhouders en koningen geleid worden om Mijnentwil. Maar óók: wanneer zij u overleveren, maakt u dan niet bezorgd, hoe of wat gij spreken zult; want het zal u in die ure gegeven worden, wat gij spreken moet. Want gij zijt het niet die spreekt, maar het is de Geest van uw Vader die in u spreekt.

We zijn niet zulke dappere helden. Er klinken veel stoere woorden, ook christelijke, maar in de vuurproef? Wie houdt stand, als het er echt op aan komt? Hij, zij, die oprecht gelooft. Die krijgt de Geest van moed en vertrouwen op het moment dat het er op aan komt. Die zegt met Esther: kom ik om, dan kom ik om. Zegt met Luther: hier sta ik, ik kan niet anders. Die houdt ook onder de grootste druk zijn geestelijke vrijheid. Op hem heeft de meest woedende koning en smerige beul geen vat. Want al wat uit God geboren is overwint de wereld en dit is de overwinning, die de wereld overwint: ons geloof. Wie zich bindt aan God en zijn Woord is vrij van alle machten. Wie knielt aan de voet van het kruis, gaat voor niets anders door de knieën. Wie leeft vanuit de vreze des Heren, laat zich geen vrees meer aanjagen door mensen. Wie met geloof op God en Jezus ziet, die vreest zelfs voor dood en helle niet. Wat een kracht, de kracht van het geloof. Aan te bevelen in alle omstandigheden.

En met dat ware, door de Geest geschonken, geloof durven we ook grote dingen van de Here te verwachten. Durven we geloven, dat Hij de machtigste heersers op de aarde de baas is, en Hij nog uitkomst kan geven waar mensen die niet meer zien. Ja, in het heetste vuur.

Maar met datzelfde geloof laten we de Here ook vrij, binden we Hem niet, kunnen we de martelaarsdood ingaan als Hem dat behaagt. Met dat geloof kunnen we achter Jezus aan het kruis van vervolging en druk op ons nemen. Zelfs de dood moedig en zonder angst tegemoet treden. Het geheim van het ware geloof is die innerlijke vrijheid, vastbeslotenheid, onbevreesdheid, zelfverloochening, onaantastbaarheid, onoverwinnelijkheid, die deze drie vrienden van Daniël hebben. Het is het geloof, waarin de overste leidsman en voleinder van het geloof ons voorging, toen Hij vrij, onaantastbaar en onbevreesd voor Herodes, de Hoge Raad stond, de goede belijdenis voor Pontius Pilatus betuigd heeft. En ook toen Hij zei: Vader, niet mijn, maar uw wil geschiede en Hij zich gehoorzaam naar het kruis liet leiden. Zelfs indien niet.

Uit zijn mond klonk het dan ook: in de wereld zult gij verdrukking hebben, maar heb goede moed, ik heb de wereld overwonnen. Wij worden niet vervolgd, maar wel verleid. En soms weet de wereld ook ons onder flinke druk te zetten, al is het niet met een vuuroven. Het christen zijn kost ons nog niet het leven maar soms wel vrienden, die ons laten vallen, geld dat zwart verdiend had kunnen worden, de spot van medescholieren. Afgoden genoeg, ook in deze tijd, die ons op de knieën proberen te krijgen. Sluiten we compromissen? Bezwijken we voor de geboden tweede of volgende kans? Voor de chantage: je kan toch niet overal nee tegen zeggen? Straks lig je er bij ieder uit. Zwijgen we voor het gemak even over de God, die we willen eren? het Leven is nu eenmaal geven en nemen. Of weten we als de drie vrienden als het er op aan komt niet van wijken?

Dat wordt niet in dank afgenomen. Koning Nebukadnezar raakt buiten zichzelf van woede. Machteloze woede, nu blijkt, dat hij niet over de gewetens en harten kan heersen van hen, die de Here vrezen. Later zal met dezelfde machteloze woede worden geschreeuwd: Kruist Hem, kruist Hem. Zij hebben mij gehaat, zij zullen ook u haten, zegt Jezus tot zijn volgelingen. Want als je niet van de wereld bent, gunt men je er geen plaats. Meelopers in kwaad en zedeloosheid kan men wel gebruiken maar dwarsliggers niet. Dan wordt er ondanks alle zogenaamde tolerantie een kruis opgericht.

Of een oven opgestookt. Zeven maal zo heet. De sterkste mannen van het leger krijgen bevel om Sadrach, Mesach en Abednego te binden en in het vuur te werpen. Typische overdrijving, tirannen eigen. Een tot de tanden gewapende lijfwacht. Een buiten zijn proporties gegroeide geheime dienst. Een groot leger met speciale commando's. En dat vaak tegen weerloze enkelingen. Zo sprak Jezus tot de scharen: als tegen een rover zijt gij uitgetrokken met zwaarden en stokken om mij gevangen te nemen? Waarom? Omdat men zelf geestelijk niet vrij is. Men is innerlijk onzeker. Men is bang toch eens de greep op het geheel te verliezen en wat dan? Het vuur is zó heet, dat het de soldaten doodt.

Maar als de drie vrienden in het vuur gevallen zijn, krijgt de koning de schrik van zijn leven. Met een haast, die een koning niet past, staat hij op, en vraagt hij zijn raadsheren: hebben we niet drie mannen gebonden in het vuur geworpen? Zeker, koning. Kijk, het zijn er nu vier. Ze wandelen vrij. Het vuur heeft wel hun boeien verteerd maar hen zelf niet. En het uiterlijk van de vierde lijkt op dat van een zoon der goden. Straks blijkt dat geen haar en geen kleding is geschroeid, ja er zelfs geen brandlucht bij hen is te ruiken. Deze keer wil God het laten zien, dat Hij machtig is om te verlossen. Hij heeft ze als een brandhout uit het vuur gerukt. Ze mochten het beleven:

Rondom Gods knechten staat
des Heren engel als een wacht.
Hij weert des vijands overmacht
en redt hen van het kwaad.

En ook:
Hij heeft ons door het vuur gedreven.
Toen hebt Ge het leven ons hergeven.

Nee, de Here laat wie zijn Naam belijden en voor hete vuren niet verloochenen, nooit en te nimmer los, ook niet in de heetste vuren. De grote Belijder gaat dan mee, tot in alle nood en dood.

Wie? Niet een zoon der goden, maar de Zoon van God. Die het beloofd heeft: waar twee of drie in mijn naam vergaderd zijn, daar ben ik in hun midden. Zelfs in het heetste vuur, om ze te redden. Ik ben voor hen in het hellevuur nedergedaald. Zal ik ze dan hier niet uit kunnen halen? Ik ben voor hen uit de dood opgestaan. Zou ik ze dan niet uit de vuurdood kunnen doen herleven?

Maar tot Gods kindren komt de boodschap van de Heer,
Werpt satan ooit uw klein getal in het vuur.
Tel dan maar goed, er is er steeds Een meer.

Zo weten we op wie we vertrouwen kunnen, gemeente, ook als het vuur ons na aan de schenen wordt gelegd. Zo weten we wie ons houvast is in de verleidingen en bedreigingen van deze wereld. Zo weten we wie ons nooit alleen laat, als we het moeilijk hebben op de weg achter Hem aan.

Houdt Christus zijne kerk in stand,
zo mag de hel vrij woeden.
Hij is in alle leed,
tot hare hulp gereed.
Laat dat onze grote troost zijn.

En dan moet ook Nebukadnezar de God van de drie vrienden loven. Hij erkent het: er is geen andere God, die zó verlossen kan. Na het "ere zij de mens, ere zij mij" moet de koning het "ere zij God" uitspreken. Hij geeft zelfs bevel, dat niemand, tot welk volk, welke natie en taal ook behorend, de God van Israël mag lasteren. Wie het toch doet, wordt streng gestraft. En de drie vrienden bewijst hij bijzondere gunsten.

Toch blijkt uit het vervolg, dat Nebukadnezar niet echt veranderd is. Een gemoedsbeweging is nog geen bekering en een geloofsbelijdenis kan vlot worden uitgesproken. Hij zegt wel: geloofd zij God, maar hij zegt het niet met diepst ontzag. Als dat zo was, had hij direct het beeld laten vernietigen in plaats van dreigen met mensen in stukken te hakken enn hun huizen tot puinhopen te maken. De wereld gaat verder op eigen wegen, hetzij vloekend en scheldend op God en de zijnen, hetzij vrome woorden sprekend, omdat men iets van de Here gezien heeft, waar men niet omheen kan. Maar vergeet het nooit: Gods gemeente gaat voort op haar weg en al wordt ze in het heetste vuur gedreven, voor haar is hulp en uitkomst, eeuwig leven. Amen.

Plaats reactie


Beveiligingscode
Vernieuwen

De Heer is genadig en rechtvaardig,
onze God is een God van ontferming,
de Heer beschermt de eenvoudigen,
machteloos was ik en hij heeft mij bevrijd.
Psalm 116 : 5 en 6