Inlogformulier


Zoeken


Website
Internet

De Bijbel

Mijn weg door de kerk Wil je weten over welke gedeeltes uit de Bijbel in deze website informatie staat?

Mijn Facebook

Ga naar: mijn Facebook

Agenda

Feestmaal van Belsazar

Rembrandt Harmensz. van Rijn 1606 – 1669
Het feestmaal van Belsazar
olieverf op doek (168 × 209 cm) — ca. 1635/39
National Gallery, Londen


Wil je eerst het gedeelte uit de bijbel lezen? ja

Daniël 5 : 1 - 30

Teken aan de wand

Gemeente des Heren,

Een teken aan de wand, zeggen we van een gebeurtenis, die onheil voorspelt. Waar komt die zegswijze anders vandaan als uit onze geschiedenis? We horen immers hoe God letterlijk zijn teken aan de wand schrijft in die enorme eetzaal in het koninklijk paleis te Babel.

Daar is een geweldig feestmaal aan de gang, een staatsbanket met wel duizend prominenten. Een idee van koning Belsazar. Volgens de geschiedkundigen niet de eigenlijke koning, maar de tijdelijk vervanger van zijn vader Nabonidus, die elders het leger aanvoert in een bijna verloren strijd tegen de Meden en Perzen. Dat maakt het feest nog wranger. Terwijl overal soldaten sneuvelen en het volk onder het oorlogsgeweld lijdt, de situatie voor Babel ook steeds hachelijker wordt, zitten hier honderden pronkerig uitgedoste dames en heren aan een galadiner. Ze zijn verblind door hun rijkdom en macht. Leven in een schijnwereld, die op instorten staat, zonder dat ze het willen inzien. Er wordt flink gedronken. En als de wijn is in de man, is de wijsheid in de kan. Men wordt overmoedig en uitgelaten. De remmen raken los. De stemming stijgt, het peil daalt. Herkenbaar? De koning heeft zin om een goeie grap uit te halen. Hij laat de gouden en zilveren vaten brengen, die Nebukadnezar uit de tempel van Jeruzalem had geroofd. Het kostbare, heilige, voor de dienst aan de Here bestemde servies. En terwijl het alleen door de priesters mocht worden gebruikt, drinkt nu iedereen eruit, ook de vrouwen en bijvrouwen van de koning, die met het etaleren van hun vrouwelijk schoon ongetwijfeld aan de zinnelijkheid van het feest bijdragen. En alsof het al niet genoeg is, worden de bekers van God uitdagend en godslasterlijk geheven ter ere van allerlei afgoden, stomme beelden van goud, zilver, koper, ijzer, hout of steen.

Zo zien we een overrijpe, rotte cultuur voor ons, die de Here tot het uiterste tergt.

Maar hoe is het met het Babel van onze westeuropese beschaving? Toont die geen tekenen van verval? Neigt die niet naar de ondergang? Daarin vinden toch ook uitspattingen plaats van luxe en overdaad? In badhotels en casino's, maar daar niet alleen. Daarin wordt toch ook vaak te veel gegeten en gedronken, op feesten, maar daar niet alleen. Daarin krijgt toch ook de ongeremde zinnelijkheid veel ruimte, in rosse buurten, maar daar niet alleen. Ook voor de t.v. De remmen zijn los. We hebben Gods geboden als knellende banden van ons afgeschud en we schamen er ons niet eens voor, vinden het prachtig, lopen er mee te koop. Dieven, moordenaars, hoeren, gokbazen, ze zijn interessant nieuws. Ze worden geïnterviewd, er worden t.v.programma's over hen gemaakt. Niet alleen wordt God zo indirect getart en uitgedaagd, maar het gebeurt ook direct, doordat er gevloekt wordt, Hij gehoond en bespot wordt in satirische programma's en toneelstukken.

En hoe worden de attributen van de dienst aan de Here nu gebruikt? Het is al weer een enkel jaar geleden, maar ik herinner me het nog goed, omdat het zoveel pijn deed. Plechtig werd herdacht dat Multatuli een eeuw geleden stierf. Dus hield Jan Wolkers op de preekstoel van de Nieuwe Kerk te Amsterdam een lezing, waarin hij uitgebreid vertelde, waarom hij het geloof in de God van die schijnheilige calvinisten had afgezworen. Wat korter geleden bezocht ik een computerbeurs in de Pieterskerk te Leiden. Vlak onder de preekstoel stond een kraampje, waar je erotische c.d.-rom's kon kopen. Ook zijn in die kerk New Age-beurzen, waarin boeken te koop zijn die Jezus als de enige weg tot behoud loochenen en ook stenen, die genezing zouden geven. Geen geloofsbelijdenis, maar een belijdenis van ongeloof en bijgeloof in een kerkgebouw. En in Amerika deelt een dominee na een preek over aids onder applaus en gelach van zijn kerkgangers voorbehoedmiddelen uit. Was het ontheiligen van het heilig vaatwerk door Belsazar nu zoveel erger? Soms denk ik: weten we nog wel, waar we mee bezig zijn? Of zijn we zó verblind, dat we God tot het uiterste tergen zonder het te beseffen? We van het leven één werelds feest maken en niet zien, dat dat alleen maar slecht kan aflopen?

Vergeet overigens niet, dat het er in deze van God afgevallen wereld nooit veel beter is toegegaan. Ja, het is nog erger geweest, want tussen toen en nu heeft een kruis gestaan, waaraan we Gods eigen Zoon, de levende tempel van God, Gods liefde in levenden lijve, gedood hebben. Alle vijandschap tegen God, alle tarten en uitdagen van God kwam daar tot een vreselijk hoogtepunt, dieptepunt. Wat drijft de volken, wat bezielt ze toch? Wat is de waanzin toch, die zij beramen? Het is tegen het gezag van God de Here en tegen zijn gezalfde vorst gericht: Komt, zeggen zij, laat ons hun banden scheuren, tot alle macht in onze handen ligt. Zien we het nog? Wat hemeltergend is? Kijken we met door Gods Woord en Geest geopende ogen naar het nieuws? Of zijn we het gewoon gaan vinden? Alles went, doch het gerijpte en ongeremd uitbrekende kwaad mag niet wennen.

Maar dan, na deze gruwelijke heiligschennis met het vaatwerk van Gods tempel, gebeurt er iets in de eetzaal, dat niet op het feestprogramma staat. God geeft zijn teken aan de wand. Er verschijnen vingers, die iets op de muur schrijven tegenover de kandelaar, zodat het licht er scherp op valt. Het is onheilspellend, huiveringwekkend. De koning, de grootste spotter, wordt krijtwit van schrik, voelt zich verlamd, en krijgt hevig knikkende knieën.

En toch is dit teken aan de wand, hoe vreselijk ook, een teken van Gods genadig geduld. De Here is zó liefdevol, dat Hij ter elfder ure, ja om vijf vóór twaalf nog waarschuwt en de gelegenheid geeft tot bekering. De hand van de Here schrijft nog vóór die slaat. Want Hij heeft geen lust in de dood van de zondaar, maar daarin, dat die zich bekeert en leeft. Ach, krijgen we niet allemaal op zijn tijd zulke tekenen aan de wand? Dingen, die ineens het spel van ons gemakkelijk en welvarend leventje bederven. Die het levensfeest verstoren. Dingen, waar we geen raad mee weten en die ons vrees aanjagen. Nare gebeurtenissen in onze directe omgeving. Afgrijselijk wereldnieuws, zoals dat van prinses Diana. Het Zijn tekenen der tijden, die ingegrift worden in de wanden van ons hart. Het zijn voortekenen van Gods definitieve oordeel over deze wereld, in opstand tegen Hem. Ze roepen ons op om langs de weg van bekering en geloof het heil bij God en Jezus te zoeken voor het te laat is.

En als we horen van een eigenhandig door God zelf geschreven boodschap, ligt het dan niet in de lijn om heel Gods geschreven Woord als zo'n teken aan de wand te zien? Als een roepstem, die ons uit deze verloren wereld wil lokken? Als een waarschuwing: bekeert u en wordt behouden uit dit verkeerde geslacht? Doen de Bijbel en zijn uitleg ons zo wel eens wat? Worden we er door stil gezet? Geven ze ons een heilzame schrik, die ons wakker schudt uit de feestroes?

Ik zeg: heilzame schrik, want elke schrik is nog niet heilzaam, leidend tot bekering en behoud. Wat schrikt Belsazar, maar het brengt hem niet verder. Ik heb een enkele begrafenis geleid, waar families bij waren betrokken, die bekend stonden als fuifnummers en drinkebroers. De stoerste binken konden zich in het verdriet moeilijk beheersen, huilden luid, maakten scenes, dreigden in het graf van hun vader of moeder te springen maar nauwelijks een dag later was alles vergeten en bulderden ze van de lach na menig pilsje. Ze leken zo gevoelig voor het harde teken aan de wand, dat hen trof, maar hun losbollig leven ging voort. Wat erg. Mensen, die door een harde slag bij God terechtkwamen, belijden vaak met schaamte: dat die klap ervoor nodig was en we vóór die kwam, God niet zochten. Maar het is veel erger als je zulke duidelijke tekenen aan de wand niet verstaat, ze je niets wijzer maken. En toch zijn we geestelijk zó blind en doof, dat dat het geval is als de Here ons niet geopende ogen en oren geeft.

In paniek schreeuwend gebiedt Belsazar, dat alle wijzen van Babel moeten komen. Wie het schrift kan lezen en uitleggen, wordt gul beloond met rijkdom, eer en macht. Maar de wijzen falen. God heeft de wijsheid van deze wereld dwaas gemaakt. De mensheid is door wijsheid en wetenschap tot enorm veel in staat. Toen al. Het is verbazend, hoe hoog bijvoorbeeld sterrenkunde en meetkunde in Babel ontwikkeld waren. Maar het is nu helemaal het geval. Wat is de techniek enorm ontwikkeld. Toch blijft de wijsheid van deze wereld op één punt heel dom. Ze heeft geen zicht op God. Ze kan Gods tekenen niet duiden en uitleggen. De oudste en moeilijkste geschreven tekens worden ontcijferd, maar de tekenen, die Gods hand in ons leven schrijft niet. Boodschappen, aan de andere kant van de aarde verstuurd, worden via satelieten opgevangen, maar Gods hemelse boodschap niet. Men heeft voor bijna alle verschijnselen een verklaring gevonden, maar God heeft men er niet in gevonden. Dat God er in werkt. Dat God er achter zit. Dat God zo met ons correspondeert, juist daar heeft deze hoog ontwikkelde wereldsamenleving geen antenne meer voor. Wat aan kinderen geopenbaard is, is de wijzen verborgen. Dat is het faillissement van de wetenschap, dat ze in het moderne denken geen plaats meer voor God heeft gereserveerd. Alles heeft een verklaring, zeggen we, maar we vergeten dat alles ook een betekenis en bedoeling heeft, van Godswege. En die kent de wijze van deze wereld niet. Voor zaligmakende kennis en wijsheid, voor kennis van de Here, moet je bij hem niet wezen.

Bij wie dan wel? Het kon die vergeten kerk wel eens zijn. Die roepende in de woestijn van deze wereld. Die kerk, in de ballingschap en vreemdelingschap van dit aardse bestaan. De schrik slaat Belsazar weer om het hart als de wijzen hem niet kunnen helpen. En ook de andere prominenten in de zaal zijn erdoor van hun stuk gebracht. Als de geleerden ergens geen oplossing voor hebben gevonden, dan zitten ook de politici met de handen in het haar. Zoals de machthebbers toen in Babel geen beslissing namen zonder de geleerden gevraagd te hebben of de stand van de sterren er wel gunstig voor was, zo leunen nu ook de politieke machthebbers sterk op de geleerden op financieel, economisch, militair terrein. De Here om raad vragen is er meestal niet bij. Maar wat als die geleerden ons in de steek laten? Dan zijn we, als we God, de grote Raadgever, niet kennen, inderdaad ten einde raad. Dat zijn ze daar in de feestzaal ook.

Inmiddels is de koningin, waarschijnlijk wordt de koninginmoeder bedoeld, van de hele situatie op de hoogte. Ze treedt de zaal binnen, in die tijd ongebruikelijk om zonder bevel van de koning te doen. Ze brengt hem de verschuldigde eer: o koning, leef in eeuwigheid. En voegt er dan aan toe: u hoeft niet zo in de war te zijn, want er is een man in uw rijk met uitzonderlijke gaven van wijsheid en verstand om raadsels op te lossen en knopen te ontwarren. De geest van de heilige goden woont in hem. In de dagen van koning Nebukadnezar is dat gebleken en die heeft hem tot hoofd over alle wijzen aangesteld. Het is Daniël. Hij had enorme diensten bewezen door de dromen van de koning uit te leggen. Maar dankbaarheid en eer bleken kortstondig. Toen men hem niet meer nodig had, werd hij op een zijspoor gezet en raakte hij in het vergeetboek. Alleen de oude koningin herinnert zich hem nog. En nu de nood weer aan de man is, nu wordt het oude paard weer van stal gehaald, moet hij weer op komen draven.

En zo gaat het nog vaak. Men wordt in zorgen en angsten door God ondersteund en getroost. Hij verschaft raad en uitkomst. Hij doet dat door middel van de kerk, dienaren van de kerk, mensen van de kerk. Maar is het leed geleden, dan is de kerk gauw vergeten en God ook. Ondank is 's werelds loon. Men weet eigenlijk niet meer dat er een kerk staat en er een God bestaat. Tot er opnieuw problemen rijzen. Meestal problemen, die men zelf heeft geschapen. Dan wordt de pastorie gebeld en moet de dominee een door drank en door leugen en bedrog kapot gemaakt huwelijk met fraaie woorden over vergeving en met een Godswonder in een achtermiddag lijmen. Dan word je gevraagd om begrafenissen te leiden bij families, die de kerk van binnen in geen jaren gezien hebben. Of, want niet alleen dominees ervaren dat, ook u misschien wel eens, dan vragen buren je hulp bij ziekte, omdat ze de zieke zelf niet goed kunnen verzorgen en ze de kinderen niet goed kunnen opvangen. Ze hebben je nu wel nodig, terwijl ze je eerst links lieten liggen omdat je naar de kerk gaat. Lenen we ons voor zulke zaken? Natuurlijk. Daar zijn we gemeente des Heren voor, volgelingen van Jezus Christus. De stem niet op de straat verheffend, maar ook het geknakte riet niet verbrekend. Bescheiden op de achtergrond te midden van het geschreeuw en feestgedruis van deze wereld. Zich niet opdringend en etalerend. Maar altijd oproepbaar en inzetbaar. Elke kans aangrijpend om de waarschuwende en troostende boodschap van God met woorden en daden uit te dragen. Altijd bereid om koning Jezus te vertegenwoordigen en te dienen. Geen voorwaarden en eisen stellend. Geen beloning of tegenprestatie vragend. Want het gaat niet om eigen eer, maar om de eer van God. Het gaat niet om eigen winst, maar om de winst voor Gods Koninkrijk. Het gaat niet om eigen woorden, maar om Gods Woord, niet om eigen daden maar om Gods daden van liefde en trouw. Staan we zo, als gemeente in haar geheel en als christenen afzonderlijk, in deze wereld?

Daniël geeft ons het goede voorbeeld. Hij weigert niet te komen en te helpen. Hij zegt niet rancuneus: ja, nu kunnen jullie me wel weer vinden. Hij eist niet zijn oude positie terug en wijst ook de toegezegde beloningen beslist van de hand. Hij bewijst de dienst aan God en de naaste niet voor eigen eer, macht en rijkdom. Zo houdt hij zich als getuige van de Here zuiver. Hij blijft onafhankelijk van mensen en eigen begeertes, om werkelijk afhankelijk te zijn van God. Zo zegt hij alleen wat de Here hem te spreken geeft en vervormt hij die boodschap niet uit vrees voor mensen of uit verlangen naar beloning.

En zo moeten we als kerk ook vandaag de dag de bazuin van het profetische Woord van God zuiver laten klinken. Bij monde van God praten en niet mensen naar de mond praten. Want dat doet Daniël ook niet, zelfs niet tegenover die machtige Belsazar. Ernstig vertelt hij van Nebukadnezar, hoe de allerhoogste God hem geweldige macht en heerlijkheid had gegeven, hoe hij daardoor helaas hoogmoedig was geworden, hoe hij als straf krankzinnig werd, de beesten gelijk, totdat hij beleed, dat de Allerhoogste heerser is over alle koninkrijken. Gij echter, zijn zoon Belsazar, hebt uw hart niet verootmoedigd, hoewel gij dit alles wist. Ach, wat zijn er veel lessen te vinden in de geschiedenis, met name, dat wie God verlaat smart op smart te vrezen heeft. Maar we gaan er achteloos aan voorbij. Wat weten wij het ook vaak zo goed, zonder het ter harte te nemen en er naar te leven. Bedenk toch, riep Groen van Prinsterer in de vorige eeuw: er staat geschreven en er is geschied. De Here schrijft in zijn Woord, maar ook in de geschiedenis zijn tekenen aan de wand, zijn waarschuwingen. We zullen ons eens voor Gods rechterstoel niet kunnen verontschuldigen met: ik heb het niet geweten. Laten we toch leren van de lessen, die we krijgen. Laten we ons, anders dan Belsazar wel verootmoedigen voor onze God en ons niet tegen Hem verheffen. Wat we wèl doen als we aan allerlei andere afgodische machten voorrang geven boven Hem. We in normloosheid en bandeloosheid de grenzen van zijn geboden verre overschrijden. We de God, in wiens hand onze adem is, die ons ieder moment het leven schenkt, en die al onze paden beschikt, die onze levensroute uitstippelt, niet verheerlijken. Want misschien vinden we, dat het met die bandeloosheid en normloosheid bij ons wel meevalt, we er ver van zijn met God en zijn dienst te spotten, en we er daarom beter afkomen dan Belsazar, maar zelfs met een oppassend, vroom leven kun je nog dezelfde grondfout maken als de koning, namelijk, dat je niet beantwoordt aan het grote levensdoel van alle schepselen en helemaal van ons mensen: de verheerlijking van God. Dat we Hem in ons doen en laten, het doen van het goede en het laten van het kwade, groot maken. Dat het echt om zijn eer gaat en niet om eigen eer.

Hoe merken we aan de Here Jezus, dat bij Hem alles gericht was op de verheerlijking van zijn Vader. Daar had Hij alles voor over, zelfs de dood. En hoe weinig is dat de drijfveer van ons leven, iedere dag. Het is maar goed, dat Hij het als zoon des mensen in onze plaats deed en we daarom tot Hem de toevlucht kunnen nemen, anders zag het er somber voor ons uit.

Even somber als voor Belsazar, aan wie nu het teken aan de wand wordt uitgelegd door Daniël. Er staat: mene, mene, tekel, upharsin, geteld, geteld, gewogen, verdeeld. Geteld, want God heeft uw koninkrijk geteld en er een einde aan gemaakt. Geteld. Ook van ons bestaan maakt de Here steeds weer de rekening op, de balans. Hij oordeelt niet lichtvaardig over ons, maar het is het resultaat van een nauwkeurige optelsom. Alles komt in zijn boeken terecht, op de credit- en op de debetzijde. Hoe zal ons saldo bij Hem zijn? Batig of nadelig? Ach, hoeveel moet er niet in ons nadeel gezegd worden? Ook wij staan diep in de schuld bij de Here. Ieder persoonlijk maar ook met elkaar als Koninkrijk der Nederlanden. Wat de Here aan het tellen is, zijn tot zijn verdriet eigenlijk alleen maar zonden. En aan dit tellen komt een keer een eind. De Here is eens uitgeteld, bij Belsazar, en bij ons! Dan is de maat vol. Dan zijn we aan ons faillissement toe. Onze dagen zijn zo, in deze volstrekte zin, geteld, gemeente. En we gaan verloren, tenzij we Jezus Christus hebben leren kennen die de rekening van ons verbeurde en schuldenrijke leven betaalde aan het kruis, die ons bankroet op zich nam, die daar de geest gaf, uitgeteld om wille van ons, en om wiens heerlijke verdiensten God onder de afrekening van ons leven uit genade kan zetten: voldaan!

Gewogen. Gij zijt in weegschalen gewogen en te licht bevonden. Gewogen. Ook ons bestaan legt God in de weegschaal. Hij weegt het af tegen het menselijk leven, zoals Hij het zich voorstelde, toen Hij ons schiep en zoals Hij het ook in zijn geboden heeft beschreven. En dan worden we te licht bevonden. Dan blijken we te weinig geestelijk gewicht aan ons dagelijks bestaan gegeven te hebben en steeds te geven. Dan blijken we in Gods oog veel heerlijke, kostbare levenstijd leeg, ijdel, inhoudloos door te brengen. En we gaan verloren, tenzij we tot Jezus Christus de toevlucht hebben genomen, die voor ons in de plaats voor het aangezicht van zijn Vader een leven heeft geleid, dat niet te licht werd bevonden, maar voor eeuwig werd goedgekeurd, een leven, dat wel helemaal was, zoals God het bedoelde, een leven met het volle rijke gewicht van volmaakte liefde tot God en de naaste. En pas als de Vader ons in de Zoon aanziet, als dat volle rijke leven van Christus in onze weegschaal wordt gelegd, zal de weegschaal van ons leven naar de goede kant doorslaan.

Peres. Gebroken. Uw koninkrijk is gebroken en aan de Meden en Perzen gegeven. En we horen de woordspeling nog: perzen en peres. Gebroken. Ook ons leven en samenleven zal in stukken uiteenvallen onder Gods oordeel, tenzij we ons vertrouwen op de Here Jezus stellen, die zijn lichaam liet verbreken tot onze zaligheid.

Want het komt er inderdaad op aan wat onze reactie is op zo'n teken aan de wand. Berouw en bekering of niet. Belsazar vindt het zijn eer te na om zijn beloften niet na te komen. Tegen diens uitdrukkelijke wens in doet hij Daniël een purperen mantel om de schouder en een gouden keten om de hals en kondigt hij af, dat deze de derde heerser in het koninkrijk zal zijn. Dat is de dekmantel van zijn weigering om voor God door de knieën te gaan.

En zo kan het nog gebeuren. De profeet wordt met van alles en nog wat beloond om slechte gewetens af te kopen, maar het ware profetenloon: bekering, blijft uit. De prediker wordt hoog geprezen, wat kan die man boeiend en vlot spreken, maar zijn prediking laat men links liggen. Er wordt geapplaudisseerd, maar er wordt geen "amen" gezegd. Men zegt: een mooie preek, en gaat over tot de orde van de dag.

Tot er een nacht komt die de laatste is. En dat kan de volgende al zijn. In dezelfde nacht werd Belsazar, de koning der Chaldeeën, gedood. Het staat zo sober vermeld aan het slot van ons hoofdstuk. Zonder de historische bijzonderheden er bij. Dat hoeft ook niet. Het feit op zich is al ernstig genoeg. De Here wil ook onze dood niet, maar zegt nog steeds tot ons: zoekt mij en leeft. Zalig, wie Gods tekenen hebben verstaan en om redding naar Jezus zijn toegegaan. Amen.

Plaats reactie


Beveiligingscode
Vernieuwen

De Heer is genadig en rechtvaardig,
onze God is een God van ontferming,
de Heer beschermt de eenvoudigen,
machteloos was ik en hij heeft mij bevrijd.
Psalm 116 : 5 en 6