Inlogformulier


Zoeken


Website
Internet

De Bijbel

Mijn weg door de kerk Wil je weten over welke gedeeltes uit de Bijbel in deze website informatie staat?

Mijn Facebook

Ga naar: mijn Facebook

Agenda

Daniël in de leeuwenkuil

Rembrandt Harmensz. van Rijn 1606 – 1669


Wil je eerst het gedeelte uit de bijbel lezen? ja

Daniël 6 : 1 - 29

Voor de leeuwen gegooid

Je wordt voor de leeuwen gegooid.

Gemeente des Heren,

dat kan je wel eens zeggen. Of je gezegd worden. Een leraar begint op een andere school en zijn collega's waarschuwen hem: pas op voor die klas, geen gemakkelijke leerlingen, je wordt voor de leeuwen gegooid. Je gaat een tienerclub leiden of een tienervakantie. Mij niet bezien, is het commentaar van iemand anders. Tieners in de puberteit? Je wordt voor de leeuwen gegooid. Een minister moet een persconferentie houden over een gevoelig onderwerp. De journalisten komen vast en zeker met een spervuur van vragen op hem af. Sterkte, zegt een collega, want je wordt voor de leeuwen gegooid.

Dat is allemaal bij wijze van spreken. Maar Daniël overkwam het letterlijk.

Het teken aan de wand, dat koning Belsazar van Babel zag, komt uit. De Meden en Perzen vallen het sterk verzwakte rijk binnen en krijgen het snel op de knieën. Darius wordt koning en hij voert gelijk een stevige bestuurlijke reorganisatie uit om meer greep op het rijk te krijgen en vooral meer belastinginkomsten. Hij stelt 120 stadhouders aan, die elk een gebied krijgen toebedeeld. De leiding over hen wordt aan drie opperbestuurders toevertrouwd.

Op zich is het een goede zaak, als er duidelijke bestuurlijke lijnen zijn en men weet wie aan wie verantwoording schuldig is voor het beleid. Schort het daar niet aan tegenwoordig? Het hele bestuursapparaat is soms zo onduidelijk, ongrijpbaar, je ziet door de bomen het bos niet.

Maar een duidelijke bestuurlijke structuur is nog niet alles. Die moet ook nog op een goeie manier worden ingevuld door ijverige, eerlijke en bekwame mensen. En Daniël is daarbij. Hij is een van de drie hoofdbestuurders. De koning is zelfs van plan hem een soort minister-president te maken, omdat hij de anderen overtreft, er een uitnemende geest in hem is. Vast ook wel een geest van onkreukbaarheid temidden van veel corruptie. Het staat er natuurlijk niet om Daniël op te hemelen, maar wel om de Gód van Daniël te eren, die hem zoveel bijzondere gaven had geschonken, hem in spannende tijden ook bijzondere openbaringen had gegeven, hem tot eerlijkheid had bewogen, en hem zo tot zijn getuige had gemaakt op zo hoge posten tussen de heidenen, als een licht in het rijk der duisternis, in het hol van de leeuw.

Een paar vragen in dit verband. Zijn wij ons bewust van de talenten, die de Here ons schonk? Zijn we er dankbaar voor? Of ze nu bijzonder zijn of gewoon? Ach, ze zijn eigenlijk altijd bijzonder. We hoeven ook niet allemaal een hoge piet of minister-president te worden.

En gebruiken we die talenten ook? Begraven we ze niet, maar werken we ermee? En goed? In het besef, dat de Here ons geroepen heeft om met die talenten te midden van allerlei kwade machten, die er in deze wereld zijn, toch maar het goede te verspreiden, daarbij recht door zee te gaan, en zo getuige van Hem te zijn? Zijn licht in de duisternis? Zien we zo in ons beroep onze roeping? Dat is mooi, maar ook wel eens moeilijk. Je zit als oprechte christen in deze wereld dan eigenlijk al in het hol van de leeuw.

Dat is ook Daniëls ervaring. Zijn collega's naast hem en onder hem worden jaloers. Ze zoeken dingen, die in het nadeel van Daniël gezegd kunnen worden om hem ten val te brengen en een einde aan zijn carrière te maken. Al is een politieke en bestuurlijke structuur nog zo goed, het zijn altijd weer mensen, die met hun zonden de samenleving verzieken. Mensen die geen eerlijke en goede bedoelingen hebben met hun naaste. Mensen, die er op uit zijn om elkaars loopbaan en leven kapot te maken. Mensen, in wie het rijk der duisternis haat en boosheid laat groeien. Opgepast voor de minne mentaliteit van Daniëls rivalen. Eén, die ook ons hart kan binnensluipen. Waardoor ook wij aan de verzieking van goeie menselijke verhoudingen, ja van de hele samenleving bijdragen.

Wat zijn ook wij bijvoorbeeld soms gauw jaloers op wie wat meer gaven kregen dan wij, het wat verder hebben gebracht dan wij. Wat zijn ook wij geneigd om elkaars negatieve kanten, zwakheden, misstappen op te sporen en aan de grote klok te hangen. De roddelpers weet dat, speelt er handig op in. Verslaggevers zijn er als de kippen bij, wanneer ze een schandaal wereldkundig kunnen maken, waaraan de massa zich via t.v. en privé kan verlekkeren. Er is dan geen verdriet over het kwaad en over de val van toplui, maar lol en leedvermaak.

Aan de andere kant is er helaas soms snel iets gevonden. Er zijn maar weinig beroemde personen, tegen wie als bij Daniël geen grond voor een aanklacht is te vinden, omdat ze trouw zijn in hun taak en zich nergens aan te buiten gaan. En toch zou dat vooral bij ons christenen zo moeten zijn. We moeten zó leven en werken, zó trouw, eerlijk, zuiver, dat wie kritiek op ons zoekt, die eigenlijk niet goed kan vinden. Nee, als Jezus zullen we nooit worden. In wie geen schuld gevonden werd. Maar het is wel onze roeping om, zoals Paulus het schreef, zoveel mogelijk onberispelijk en onbesmet te zijn, onbesproken kinderen Gods te midden van een ontaard en verkeerd geslacht, waaronder gij schijnt als lichtende sterren in de wereld. We spelen de boze in de kaart, als zijn handlangers vat op ons krijgen met terechte verwijten. Mogen er zo bezien veel Daniëls onder ons zijn. Ze konden geen enkele grond voor een aanklacht vinden, omdat hij trouw was, niets verkeerd deed of verzuimde.

Mogen er ook in het volgende opzicht veel Daniëls onder ons zijn. De tegenstanders zweren verder samen en zeggen: We zullen niets tegen hem kunnen vinden tenzij het om iets gaat, wat met de gehoorzaamheid aan zijn God en diens wetten te maken heeft. Ze hebben dus intussen goed gemerkt, dat Daniël gelooft. En dat dat niet alleen naam is maar ook daad. Dat hij niet alleen principes heeft, maar er ook naar leeft. Dat hij, als het om God en zijn Woord gaat, geen duimbreed wijkt, ook niet in deze puur heidense omgeving, waarin genoeg redenen zijn te vinden om met je geloof te marchanderen.

Is het van ons ook bekend, dat wij principieel zijn in de goede zin van het woord? Dat we op genoeg terreinen inschikkelijk en toegevend zijn, maar niet op ethisch en godsdienstig terrein? Dat we, als het om de gehoorzaamheid aan Gods Woord gaat, van geen wijken weten? Hoe kunnen de burgers van Gods koninkrijk hun koning afvallig zijn en het met de vijand op een accoordje gooien? Het kan niet, maar het gebeurt wel. Reden om onze handel en wandel op dit punt steeds te onderzoeken. Gaan we gauw overstag of niet?

En zo bedenken ze een slim plannetje, waardoor Daniëls sterke kant tegelijk zijn val wordt. Ze gaan met vleiende woorden naar de koning en zeggen dat al zijn ambtenaren hem voorstellen om een koninklijk besluit uit te vaardigen, dat niemand dertig dagen lang aan enig god of mens iets mag vragen behalve aan de koning. En dat ieder, die zich niet aan dit verbod houdt, in de leeuwenkuil geworpen wordt. Het moet gelijk maar schriftelijk worden vastgelegd. En dat als een wet van Meden en Perzen, dus onherroepelijk.

Daar heb je een van de intriges, die er alle eeuwen door waren en nog zijn. De vleierijen met een dubbele bodem. De bijbedoelingen, die verzwegen worden. Elkaar bedriegen en op iets vastpinnen. Meedogenloos uit zijn op eigen belang en andermans val. Elke keer word je verdrietig en boos, als je merkt hoe onrecht en gemeenheid welig tieren, terwijl je er eigenlijk niet eens van op hoeft te kijken, omdat Gods Woord zegt, dat het altijd al zo geweest is. We hebben nog steeds niet voldoende ontdekt, hoe diep de zonde is doorgedrongen in onze mensheid. En wat voor slechte spelregels de boze in het menselijk verkeer heeft ingevoerd.

Maar één van de kenmerken, waaraan we hem kunnen herkennen, is dat hij absolute macht opeist. Macht ook over de gewetens en zielen van ons mensen. Niemand mocht aan enig god of mens iets bidden of vragen dan alleen aan de koning. En het was een onherroepelijke wet. Zo worden gewetens gebonden. Gelovigen vervolgd. En al leven we in een vrij land zonder de politieke tirannie zoals in het Babel van toen, houd er maar rekening mee, dat de boze niet rust vóór hij ons helemaal in zijn greep heeft, ook ónze harten en gewetens aan zich gebonden heeft. Pas voor hem op!

En de dienst aan God kan hij het slechtst verdragen. Daarop heeft hij het het eerst gemunt. En dan komt het er op aan, dat ook wij van geen wijken weten. Net als Daniël. Hij hoort wel van het koninklijk besluit, maar peinst er niet over zijn godsdienstige plichten, die hij niet als plichten ziet, maar hem juist zoveel steun geven in deze heidense omgeving, te verzaken. Drie keer per dag blijft hij Gods aangezicht zoeken in het gebed, zoals hij hiervoor gewoon was, en dat met open vensters naar Jeruzalem, het bruggehoofd van God op aarde, het brandpunt van Gods beloften aan zijn volk, nu in puin liggend en ver weg, maar voor de gelovende en hopende Daniël toch niet uit het gezichtsveld verdwenen.

De boze probeert de kerk in haar hartader te treffen. En dat is: het persoonlijk contact, van hart tot hart, met de Here. Het gelovend en hopend uitzien naar de vervulling van Gods beloften van heil en vrede. Maar het lukt hem niet. Daniël beseft ook, dat het om een hartader gaat en dat, als hij nu gaat schipperen, de zaak verloren is.

Hoe is het met ons gebedsleven? Bidden wij ook drie maal per dag of is ons dat wat te veel? Gaan wij ook op de knieën of zijn wij daar te stijf en te hoogmoedig voor? Hebben wij ook open vensters naar Jeruzalem, dat wil zeggen, houden we in een wereld, waarin de boze het voor het zeggen heeft, toch de blik vol vertrouwen en verwachting gericht op Gods beloften van heil en vrede? Kan niets en niemand ons ertoe brengen, om die vensters, die uitzicht geven op God en zijn zaligheid te sluiten? Of zou dit verbod van Darius geen probleem voor ons zijn? Zouden we dertig dagen biddeloosheid met het grootste gemak uit kunnen houden? Hebben we nu al, zonder dat het ons van hogerhand wordt afgedwongen, een mager gebedsleven? Sluiten we al gauw ons gebeds- en geloofsvenster. Zelfs al door de tijdnood? Laat staan als we om ons geloof vervolgd zouden worden?

Dan weten we er natuurlijk best een draai aan te geven. Een poosje zonder gebed maakt toch nog geen afvallige van je? En je kan toch ook stiekem bidden, zonder dat een ander het merkt? Maar Daniël is rechtlijnig. Hij daagt niet uit, maar hij wijkt ook niet uit. Hij doet precies wat hij altijd deed. Hij is God meer gehoorzaam dan de mensen. De vreze des Heren betekent meer voor hem dan de vrees voor mensen. Hij weet, dat wie zich zijn gebed laat afnemen, zijn eigen geestelijk doodvonnis tekent en dat is uiteindelijk zelfs erger dan door mensen ter dood gebracht te worden. Hij beseft, dat de duivel zo rondgaat als een brullende leeuw en in wezen gevaarlijker is dan die leeuwen in de kuil.

Daniëls tegenstanders laten hun kans natuurlijk niet voorbij gaan. Ze gaan naar de koning, herinneren hem aan zijn besluit en de onherroepelijkheid ervan en komen dan met de aap uit de mouw: Daniël, één van de ballingen uit Juda, heeft op u en uw verbod geen acht geslagen. En in de naam Juda, die uitgerekend nu gebruikt wordt, horen we ook het antisemitisme van alle eeuwen meeklinken. De haat tegen Gods volk. De pogingen om dat volk uit te roeien. Omdat het in Gods strijd tegen het rijk der duisternis zo'n speciale rol vervult. Omdat Gods heil en ook Gods Heiland uit de Joden is. En dat maakt de boze woedend. Pas op. Nog is er veel antisemitisme. En niet alleen voetbalhooligans schreeuwen "jood" of "kankerjood", maar ook de onze jeugd die 's avonds laat uit de soos komt.

De koning is ontdaan als hij merkt wat voor vals spel er is gespeeld om zijn gunsteling uit de weg te ruimen. Hij zint de hele dag op mogelijkheden om Daniël te redden, waarschijnlijk juridische wegen om zijn besluit ongeldig te kunnen verklaren. Maar het lukt hem niet en de tegenstanders blijven er op wijzen, dat geen wet van Meden en Perzen veranderd mag worden.

Zo zit de koning in zijn eigen netten verstrikt. De machtigste man is machteloos, is zijn vrijheid van handelen kwijt. Omdat hij in zijn hoogmoed naar het gevlei van zijn onderdanen had geluisterd. Ook daar zorgt de boze voor. Dat mensen onder zijn invloed krachten oproepen, die ze zelf niet meer de baas zijn, waar ze zelf het slachtoffer van worden. Het kwaad gaat zijn eigen leven leiden. Het komt als een boemerang terug. En het keert zich tegen wie kwaad deden. Dat mag ons wel waakzaam maken. Pas op voor wat voor zonden ook. Want ze geven je misschien wel plezier en voordeel op korte termijn, maar op lange termijn maken ze je ongelukkig, voel je je door hen genomen. Je krijgt er spijt van. Net als Darius.

En zo komt Daniël in de leeuwenkuil terecht. Door het harde bevel van de koning, maar ook met diens wens: je God, die je zo volhardend dient, bevrijde je! Is het een vrome dooddoener of heeft de koning op grond van wat hij Daniëls God gehoord heeft, toch een flauwe hoop?

De steen, die de kuil afsluit wordt verzegeld. Met de zegelring van de koning en die van zijn ministers, waardoor ze elkaar gijzelen, de een niet zonder de ander nog kan proberen Daniël te redden.

En die, gemeente, gaat hier al de weg van het kruis. Ja, frappant hoeveel overeenkomsten er zijn met de weg, die de Here Jezus later ging. Ook Hij werd het slachtoffer van jaloezie en haat. Ook tegen Hem vonden ze niets. Ook Hij werd vals aangeklaagd. Daarbij werd ook gezegd: we hebben een wet en naar onze wet moet Hij sterven. Ook bij Hem was er een machthebber, die het met lede ogen aanzag, maar te sterk in de wetten van deze wereld was verstrikt: Pilatus. Ook bij Hem klonk de vrome wens: Hij heeft op God vertrouwd, dat Hij Hem nu verlosse! Ook bij Hem werd de grafkuil afgesloten met een verzegelde steen.

Zo worden Gods knechten met geweld en list bestreden en het ergste Gods Zoon zelf. Zo gaat de boze te keer, tegen Gods kinderen en het ergste tegen Gods echte kind. Zo vallen in deze strijd martelaren en slachtoffers. Zo moeten mensen lijden en soms zelfs sterven om wille van het koninkrijk der hemelen. Zo gaan zij voordat en nadat het kruis op Golgotha stond, de weg van het kruis achter de Here Jezus aan. Zo hebben zij gemeenschap aan het lijden van Jezus Christus. Zo dragen zij, om het met Paulus te zeggen, altijd het sterven van Jezus in het lichaam om. En vullen ze in hun vlees, hun concrete lijfelijke bestaan, de verdrukkingen van Christus aan. Dat offer van Christus was natuurlijk voldoende, maar ze onderstrepen het wel door ook te volharden tot het einde, dwars door alle tegenstand heen.

Nog steeds worden in onze wereld christenen om hun geloof vervolgd. In China, in Iran, in Noord-Korea. Ook in sommige Afrikaanse landen. Zoals in de Soedan. Daar las ik pas een indrukwekkend artikel over. Maar ook in Indonesië krijgen ze het steeds moeilijker. Laten we God toch op de knietjes danken voor de vrijheid en vrede, waarin we nu al zoveel jaar leven. We vinden het misschien normaal, maar dat is het niet. Normaal is in de wereldgeschiedenis die constante strijd tussen het rijk van God en het rijk der duisternis. De strijd, die mensen, die op het punt van de gehoorzaamheid aan God van geen wijken weten, zoals Daniël, en zoals Jezus later helemaal, doet lijden, op de kruisweg zet.

En het is of ook in ons land die strijd zichtbaar wordt. Je komt als bijbelgetrouw christen steeds meer in een isolement terecht. De christelijke moraal wordt in onze moderne samenleving steeds heftiger bestreden. Het zijn nog wel geen keiharde wetten van Meden en Perzen, maar er komen toch steeds meer wetten en regels, die op gespannen voet staan met ons christelijk geloof. Ik denk aan de wetten rond abortus, euthanasie, niet strokend met wat de bijbel over het leven zegt. De echtscheidingswet, niet strokend met wat de bijbel over het huwelijk zegt. De wet gelijke behandeling, niet strokend met wat de bijbel zegt over man en vrouw. Ik denk aan de druk om het homohuwelijk in te voeren, niet strokend met wat de bijbel zegt over huwelijk en homoseksualiteit. Ik besef, dat ik kort door de bocht ga. En dat ik mensen in hun persoonlijke levensomstandigheden pijn kan doen met deze opmerkingen. Maar het gaat me even louter om de geest van de tijd. Ik denk aan de druk van allerlei subsidieregels, die christelijke instellingen, als ziekenhuizen, verzorgings- en verpleeghuizen, stichtingen voor maatschappelijk werk, scholen, toch eigenlijk dwingt om met neutrale instellingen te fuseren of in ieder geval in grotere organen op te gaan, waardoor de afstand tussen bestuur met directie en de basis groter wordt. Ik denk aan verplegend personeel, dat onder druk wordt gezet om aan volgens hen stuitende vormen van abortus en euthanasie mee te werken. Ik denk aan werknemers, die door hun werkgevers onder druk worden gezet om op zondag te werken, louter en alleen om economische redenen. Soms worden we voor enorme gewetensconflicten geplaatst, inderdaad voor de keus wie we meer moeten gehoorzamen: God of de mensen. Net als Daniël. En lijken we dan op Daniël of niet? Zeggen we dan: ik blijf mijn geloof trouw. En mijn principes, die daaruit voortvloeien. Al word ik voor de leeuwen geworpen? Gelukkig zorgt de Here zelf door zijn Woord en Geest voor strijders in zijn koninkrijk, die in navolging van de Here Jezus en Daniël van geen wijken weten en daarvoor desnoods de weg van het kruis gaan. Zalig zulke strijders, want hun overwinning is zeker. Dat wil ook onze geschiedenis ons op het hart binden.

De koning is helemaal van streek. Hij eet niet. Weigert die avond de ontspanning en afleiding van muzikanten en danseressen. Kan die nacht de slaap niet vatten. Het zijn nog niet de slechtste mensen, die van streek raken door de gemenigheden van anderen en het leed van hun slachtoffers. Tobt u daar wel eens over, als u daar in uw eigen leven of via het nieuws staaltjes van merkt? Of laat het u koud? Heeft het geen invloed op uw eetlust, pleziertjes, of slaap?

Maar het kan niet anders of de koning moet gevoeld hebben, dat hij er zelf ook schuld aan heeft. Hij is er ingetuind vanwege zijn ijdelheid en hoogmoed. Het zijn nog niet de slechtste mensen die een slecht geweten hebben, daardoor onrustig zijn en niet kunnen slapen. Dat opent in ieder geval de weg naar de bekering. En dus ook de weg naar de vergeving. De vergeving van God!

Al heel vroeg in de morgen gaat de koning haastig naar de leeuwenkuil. En dan blijkt Daniël nog te leven. Gods engel heeft de muil van de leeuwen toegesloten. Rondom Gods knechten staat des Heren engel als een wacht. Hij weert des vijands overmacht en redt hen van het kwaad. De Here overwint in de strijd. En zijn kinderen met Hem. Zelfs de dood krijgt geen vat op ze. Daar is dit wonder het teken van.

En daar is de opstanding van Jezus Christus uit de dood het grootste teken van. Niet ieder, die deze weg van strijden en lijden gaat, wordt voor de dood bewaard. Veel martelaren zijn gestorven, zonder dat er een engel op kwam dagen. Veel brandstapels, geweren, schavotten, leeuwen hebben hun werk gedaan. Maar Gods kinderen worden wel door de dood heen bewaard. Zoals Jezus zelf. Wie in het strijdperk van het leven aan Gods kant staan, zullen eens de eerkroon dragen. De Here zal zegevieren over het kwaad en zal aan zijn volk de vruchten van de overwinning uitdelen: eeuwige vreugde, vrede, geluk.

En de boze met zijn handlangers? Ze vallen in de kuil, die zij voor een ander hebben gegraven. Zoals de tegenstanders van Daniël met hun vrouwen en kinderen in de kuil der leeuwen worden geworpen en de leeuwen dan wel hun natuur volgen. Het klinkt hard, maar het was een harde tijd en het blijft de harde werkelijkheid, dat wie God verlaat en in het kamp van de boze terecht komt, uiteindelijk smart op smart heeft te vrezen en daar ook nog anderen in meesleurt. Het zij ons tot waarschuwing.

En zo komt door deze afloop van onze geschiedenis de Here aan zijn eer. De koning vaardigt de proclamatie uit, dat al zijn onderdanen respect voor de God van Daniël moeten hebben, omdat Hij de levende God is, zijn koninkrijk onverderfelijk is en zijn heerschappij tot het einde duurt. En omdat Hij bevrijdt en redt.

Vroeg op een andere morgen, ook bij het licht worden, gaan er ook mensen, die van verdriet niet zo best geslapen hadden, naar een grafkuil. Daar vinden ze ook een steen weggenomen en een zegel verbroken. Het is Pasen. De genadeslag is toegebracht aan de dood, de zonde, de duivel. En al duurt de strijd nog voort, we hebben dat paasfeest in de rug.

Dus, het koninkrijk der hemelen is nabij. Daar mogen we aan vasthouden. Nog even en de muil van de brullende leeuw is voorgoed toegesloten en Gods volk mag het al horen tot zijn grote troost: ween niet, zie, de leeuw uit de stam van Juda heeft overwonnen. Strijdt u, jij, al in het goede kamp? De goede strijd? Met Daniël? Ja toch? Amen.

Plaats reactie


Beveiligingscode
Vernieuwen

Liefdevol en genadig is de Heer,
hij blijft geduldig en groot is zijn trouw.
Niet eindeloos blijft hij twisten,
niet eeuwig duurt zijn toorn.
Psalm 103 : 8 en 9