Inlogformulier


Zoeken


Website
Internet

De Bijbel

Mijn weg door de kerk Wil je weten over welke gedeeltes uit de Bijbel in deze website informatie staat?

Mijn Facebook

Ga naar: mijn Facebook

Agenda

Genesis 19 : 1 - 29

Lot en Sodom

Kaart van Sodom en Gomorra


Wil je eerst het gedeelte uit de bijbel lezen?
Genesis 19 : 1 - 29
Nieuwe Vertaling
  1. En de twee engelen kwamen in de avond te Sodom. Lot zat in de poort van Sodom en toen Lot hen zag, stond hij op, ging hun tegemoet, boog zich neder met het aangezicht ter aarde,
  2. en zeide: Zie toch, mijne heren, neemt toch uw intrek in het huis van uw knecht, overnacht en wast uw voeten, dan kunt gij morgenvroeg uws weegs gaan. Maar zij zeiden: Neen, wij zullen de nacht op het plein doorbrengen.
  3. Toen hij echter sterk bij hen aandrong, namen zij bij hem hun intrek en kwamen in zijn huis; en hij bereidde voor hen een maaltijd en bakte ongezuurde koeken, en zij aten.
  4. Zij hadden zich nog niet ter ruste gelegd, of de mannen der stad, de mannen van Sodom, omsingelden het huis, van jong tot oud, de gehele bevolking, niemand uitgezonderd,
  5. en zij riepen Lot toe en zeiden tot hem: Waar zijn de mannen, die vannacht bij u gekomen zijn? Breng hen bij ons buiten, opdat wij met hen gemeenschap hebben.
  6. Toen ging Lot tot hen naar buiten, maar de deur sloot hij achter zich toe,
  7. en hij zeide: Mijn broeders, doet toch geen kwaad;
  8. zie toch, ik heb twee dochters, die met geen man gemeenschap hebben gehad; laat mij die tot u naar buiten brengen en doet met haar, zoals goed is in uw ogen; alleen doet deze mannen niets, want daartoe zijn zij onder de schaduw van mijn dak gekomen.
  9. Maar zij zeiden: Ga op zij! En zij zeiden: Deze ene is als vreemdeling komen vertoeven om ons geheel en al de wet te stellen! Nu zullen wij u meer kwaad doen dan hun. En zij drongen sterk op tegen de man, tegen Lot, en kwamen naderbij om de deur open te breken.
  10. Maar die mannen staken hun hand uit, trokken Lot tot zich naar binnen en sloten de deur.
  11. En de lieden, die bij de ingang van het huis waren, sloegen zij met blindheid, van klein tot groot, zodat zij zich tevergeefs moeite gaven om de ingang te vinden.
  12. Toen zeiden die mannen tot Lot: Wie hebt gij hier nog meer? Schoonzoons, of uw zonen, uw dochters, of wie gij ook in de stad hebt, voer hen uit deze plaats,
  13. want wij gaan deze plaats verwoesten; want groot is het geroep over haar voor de HERE; daarom heeft de HERE ons gezonden om haar te verwoesten.
  14. Toen ging Lot heen en sprak tot zijn schoonzoons, die met zijn dochters zouden trouwen, en zeide: Staat op, verlaat deze plaats, want de HERE gaat de stad verwoesten. Maar hij was in de ogen van zijn schoonzoons als iemand die schertste.
  15. Toen de dageraad gekomen was, drongen de engelen bij Lot op spoed aan en zeiden: Sta op, neem uw vrouw en uw beide dochters, die zich hier bevinden, opdat gij niet vanwege de ongerechtigheid der stad verdelgd wordt.
  16. En toen hij talmde, grepen de mannen hem en zijn vrouw en zijn beide dochters bij de hand, omdat de HERE hem wilde sparen, en leidden hem uit en brachten hem buiten de stad.
  17. En zodra zij hen naar buiten geleid hadden, zeide een van hen: Vlucht om uws levens wil; zie niet om, en sta nergens in de Streek stil; vlucht naar het gebergte, opdat gij niet verdelgd wordt.
  18. En Lot zeide tot hen: Neen toch, mijn heer.
  19. Zie toch, uw knecht heeft genade gevonden in uw ogen, en gij hebt mij een grote weldaad bewezen door mij in het leven te behouden, maar ik zal niet naar het gebergte kunnen ontkomen, zonder dat het onheil mij achterhaalt en ik sterf.
  20. Zie toch, gindse stad is dicht genoeg bij om daarheen de wijk te nemen; zij is maar klein; laat mij toch daarheen vluchten; zij is immers klein? Dan zal ik in het leven blijven.
  21. Toen zeide hij tot hem: Zie, ik zal u ook in dit opzicht ter wille zijn, dat ik de stad, waarvan gij gesproken hebt, niet zal omkeren.
  22. Haast u, vlucht daarheen, want ik zal niets kunnen doen, voordat gij daar aangekomen zijt.
  23. Daarom noemt men die stad Soar. (SV 19-23) De zon was over de aarde opgegaan, toen Lot te Soar aankwam.
  24. Toen liet de HERE zwavel en vuur op Sodom en Gomorra regenen, van de HERE, uit de hemel;
  25. en Hij keerde die steden om, benevens de gehele Streek, met al de inwoners der steden en het gewas van de aardbodem.
  26. Maar zijn vrouw, die achter hem liep, zag om, en werd een zoutpilaar.
  27. Toen Abraham zich vroeg in de morgen begaf naar de plaats, waar hij voor de HERE gestaan had,
  28. en uitzag in de richting van Sodom en Gomorra en het gehele land van de Streek, zag hij, en zie, de rook van de aarde steeg op als de rook van een smeltoven.
  29. Toen God de steden der Streek verwoestte, gedacht God Abraham, en Hij leidde Lot uit het midden der omkering, toen Hij de steden waarin Lot gewoond had, omkeerde.

Voor 't laatst gehouden op 28 september 2003 te Hattem

Verwoesting van Sodom

Gemeente des Heren,

Oei, dát was op het nippertje! Dat zeggen we nogal eens, gemeente. We halen op het nippertje de trein of het vliegtuig. We slagen op het nippertje voor een examen. We winnen op het nippertje de voetbalwedstrijd. Maar tóch. Nèt gelukt!

Het is voor Lot óók op het nippertje. Op het nippertje wordt hij gered, komt hij niet om met de inwoners van Sodom. Het is allemaal maar nèt. Met de hakken over de sloot. En niet zonder kleerscheuren. Maar tóch! Hij háált het.

Halen wíj het op het nippertje? Dat is de spannende vraag, die dit oude vrij realistische verhaal ons stelt.

Laten we ons niks verbeelden. Geen mens wordt vanzèlf zalig. Zonder moeite. Zonder dat het op het rándje is. Vanzélf lijken we op de burgers van Sodom. Zoals ook Lot vanzélf, geleidelijk aan, een íngezetene van Sodom is geworden.. Vanzélf kunnen we zelfs afglijden naar echt wanstaltig gedrag, als de inwoners van Sodom. Vanzélf vallen we onder Gods oordeel. Zalig worden we op het níppertje.

En dát het voor Lot op het nippertje is, blijkt inderdaad alleréérst uit het feit, dat hij één van de inwoners van Sodom is geworden. Hij woont niet meer in tenten als Abraham, maar heeft er een huis. Ja, hij zit er zélfs in de poort. Waar men vergadert, rechtspraak houdt, politieke beslissingen neemt, handel drijft. Lot is één van hèn geworden. Dat herkennen we misschien óók wel bij ons zélf, al willen we christen zijn. Dat je zo snel het leven leidt als ieder ander. Dat je je zo vanzélf áánpast. Op maandag al aan niets te merken is, dat je op zondag in de kerk zat. Je midden in de huidige maatschappij je stekje hebt, je niks minder en meer doet dan ieder ander. En dat ís het hem juist. Jezus zegt: Men at en dronk, kocht en verkocht, plantte en bouwde. Tot plotseling de dag van Gods oordeel kwam. We leven zó volop in deze van God vervreemde wereld, dat het helemaal niet gek is, als we ook het lót van deze wereld ondergaan. En dat is uiteindelijk géén bèst lot, voorspelt de bijbel. Al iets om over na te denken toch? Zijn we anders, héél anders, omdat we Christus hebben leren kennen, of zijn we helemáál niet anders?

En de twee engelen kwamen in de avond te Sodom. Engelen in de gedaante van knappe jonge mannen, om God te inspecteren of het met Sodom inderdáád zo beroerd is gesteld. Het is dus belangrijk wat ze erváren. En wát ervaren ze? Tweeërlei reactie op hun komst.

De eerste, pósitieve, is van Lot. Hij staat op, gaat hen tegemoet, buigt zich voor hen neer en nodigt hen uit bij hem te overnachten. Als ze de boot wat af houden, houdt hij bij ze aan, ze gaan met hem mee en krijgen bij hem een maaltijd. De verschijning van deze twee vreemdelingen maakt bij Lot iets positiefs wakker. De plicht om gastvrij te zijn. Vooral in die tijd een héilige plicht. En je herkent er tóch nog aan, dat Lot eens de weg van Abraham had gevolgd. Verleende die niet kort tevoren drie vreemdelingen gastvrijheid?

Wat doen de gebeurtenissen in het leven óns? Wat doen de ontmoetingen met andere mensen ons? Zijn het prikkels om het goede te doen, al is het misschien niet meer dan normale plicht? En dóen we he>t dan ook? En is dat misschien tóch iets, dat we van onze christelijke opvoeding, ons horen bij de kerk, hebben meegekregen? Dat bij al ons gelijkvormig geworden zijn aan deze wereld tóch is blijven hangen? Waarom niet? Gods verbondstrouw reikt ver. Tot aan Lot, al had hij eens de verkeerde keus gemaakt door in de vlakte van Sodom te gaan wonen. Zo ook tot aan ons, al hebben we het ook vaak verkeerd gedaan in het leven. En vergeet niet, we doen het allemaal voor Góds aangezicht. Ja, we doen het ten diepste Gód aan, ook wat we ménsen aandoen aan goed of kwaad. Deze vreemdelingen blijken achteraf engelen van God. In de hebreeënbrief staat: vergeet de herbergzaamheid niet, want daardoor hebben sommigen zonder het te weten engelen geherbergd. En in het grote oordeel zal Jezus zeggen als het gaat om het te eten geven van hongerigen, te drinken geven van dorstigen, het kleden van naakten en óók het huisvesten van vreemdelingen: in zoverre gij het aan een van deze mijn minste broeders gedaan hebt, hebt gij het Mij gedaan. Goed doen aan mensen is goed doen aan God. Ons bezondigen aan mensen is kwaad doen aan God. Zoals David begreep, die zijn overspel met Bathseba onder meer beleed met de woorden: Tegen U, U alleen heb ik gezondigd. Lots redding op het nippertje begint met een eenvoudige goede daad die je ook gewoon burgerlijk fatsoen kunt noemen. Het is niet álles, er komt nog méér bij te pas. Maar toch. Zó kwamen de redders van Godswege bij hem terecht. Vergeet dat niet.

En de inwoners van Sodom? Bij hen roept dezelfde gebeurtenis duistere krachten wakker. Ze willen homoseksuele ontucht met deze vreemdelingen plegen. Niet alleen discrimineren ze vreemden, zijn die voor hen vogelvrij met wie je van alles kan uithalen, en zondigen ze zo tegen het gastrecht, maar ze willen heel líederlijke begeertes botvieren. Want hóe je ook tegen het moeilijke ethische vraagstuk van de homoseksualiteit aankijkt, híer zijn de homoseksuele praktijken waar men op uit is, een bewijs hoe inténs slecht ze wel zijn. De liefde, Gods mooiste gave aan ons mensen, wordt verdorven tot puur sex en alsof het niet genoeg is, ook nog tot biologisch gezien afwijkende sex. Zó diep kan het kwaad ons mensen doen zinken. En de hele stad doet er aan mee. Ze omsingelen allemaal het huis van Lot, van jong tot oud, de hele bevolking, niemand uitgezonderd. Zó breed breidt het kwaad zich onder ons mensen uit. Het infecteert iedereen. Met andere woorden: zó diep kunnen we vallen, allemaal. Er is mogelijk een algeheel zedelijk verval voor nodig, waardoor er steeds meer mee door kan. Er is mogelijk een bepaalde aanleiding voor nodig. Bijvoorbeeld de roes van een feest. Of de roes van oorlogsgeweld en overwinningsvreugde zoals bij de misdaden in voormalig Joegoslavië, bij Afrikaanse burgeroorlogen. Maar onder bepaalde gunstige, óngunstige omstandigheden breekt het beest in ons los. Ach, het valt zo voor het oog wel mee. We eten en drinken gewoon, kopen en verkopen, planten en bouwen gewoon. Tot we de draad van het gewone even kwijt zijn. Zijn we er zo zéker van welke kant het dan bij ons opgaat? De goede kant van Lot of de slechte van de inwoners van Sodom? Ach, als het goed gaat, dan is het op het nippertje. Van óns uit bekeken, had het net zo goed anders kunnen wezen.

En dát het op het nippertje is, blijkt ook uit het hárder worden van de confrontatie. Lot ontvangt dan een moed die we uit ons zelf niet hebben. Hij gaat naar buiten, sluit zijn deur achter zich en probeert tegen de dwaze meute in te praten: mijn broeders, doet toch geen kwaad. Zien we ons zélf al zo moedig handelen in een levensbedreigende situatie? Het kan. Maar wèl op het nippertje. Door Gód gegeven. Met de rug tegen de muur, maar met een grote geestelijke kracht, die we niet uit ons zelf hebben.

Lot biedt zelfs zijn beide dochters aan. Daar hebben wij moeite mee. We vinden het een aanbod van vertwijfeling. De ene zonde kan je toch niet met de andere verhinderen? Welke vader laat zijn dochters desnoods verkrachten? Veel commentaren beginnen hier dan ook aardig te fantaseren. Bijvoorbeeld: Lot wist vast van tevoren dat men geen trek in zijn dochters had. Ik denk, dat we het vooral vanuit de cultuur van toen moeten zien. Kinderen waren bezit van de vader, over wie hij volledig kon beschikken, ook als ze de huwbare leeftijd hadden. Maar wel een rijk bezit. Vanwege de emotionele band met ze. Én omdat hij bij uithuwelijken een bruidsschat van de schoonfamilie kan verwachten. Lot krijgt dus ook de moed om offers te brengen, zelfs grote offers. Laten we ons niks verbeelden. Gered worden door God is altijd op het nippertje. Daar komt moed bij te pas. Bovenmenselijke, door God gegeven moed. Moed om tegen de overmacht van het kwaad dapper weerstand te bieden. Moed óók om flinke offers te brengen, die echt pijn doen, diep in je ziel snijden. Bijvoorbeeld de moed om in je eentje het gevecht aan te gaan tegen onrecht, geweld, bedrog, leugen en roddel, liederlijkheid. De moed om je kinderen, je man of vrouw, af te vallen als je voor een bepaalde geloofskeuze gesteld wordt, waar zij niet in mee gaan. Wat doet dat pijn! Onze zaligheid kost wat! Denk eens aan God zelf die er zijn eigen zoon voor moest opofferen! Denk eens aan wat die Zoon overhad. Maar het moet. We worden nu eenmaal op het nippertje gered.

Dat blijkt ook uit het vervólg. Want hoe reageren de inwoners van Sodom? Ga op zij! Het wordt al woester. En het richt zich steeds duidelijker tegen Lot zelf. Is hij ook niet een vreemdeling? Wat een kapsones voor iemand, die zijn eigen stam heeft verlaten, en bij ons als vreemdeling terecht kwam. Wil díe ons nu de wet lezen? Ja, reken erop, dat de wereld en de boze onze redding tegenhouden. En ze hebben er nog genoeg argumenten voor ook. Wat een kapsones voor iemand, die vaak genoeg zijn geloof heeft verloochend, zich vaak genoeg aan de wereld heeft aangepast en één van ons geworden is, die er zelfs de kerk een tijdje voor losliet. Alsof hij beter is dan wij! Denk dus niet dat de wereld en de boze je met rust laten. Je moet echt uit hun greep gered worden. Anders kom je om.

En het gebeurt op het nippertje. Want Lots gasten moeten hem te hulp schieten. Ze trekken Lot naar binnen en sluiten de deur. Bovendien slaan ze de mensen met een bepaalde blindheid, zodat die de toegang tot het huis van Lot niet kunnen vinden. In hun woede zouden die immers elke deur en elk raam forceren. Er is gewóne ménselijke hulp maar ook nog buítengewone góddelijke hulp voor nodig, om van het kwaad en de ondergang gered te worden. Kordaat ingrijpen van ménsen én van de Hére. Met minder gáát het niet. Maar het gebéurt gelukkig wel. Laat dát ons tot troost zijn. Als sommige mensen je vertellen hoe ze tot gelóóf gekomen zijn na een los leven, hoor je ook wel van het goeie kordate optreden van lieve gelovige mensen om hen heen, en van het wonderlijke ingrijpen van God in hun leven, van rampen en gevaren, waar Hij wonderlijk voor bewaarde. Het is op het nippertje, maar als het erop aan komt, doet de Here met gewone én buitengewone middelen de deur veilig achter zijn kinderen dicht en komt niemand er doorheen. Heus, dáár mogen we op vertrouwen. En soms merk je ook, dat de wereld blind is, niet alleen voor het oordelende werk van God aan haar zelf, maar ook voor het reddende werk van God aan zijn kinderen. Ze zien dat heerlijke geheim volstrekt niet. En laten vreemd genoeg die kinderen, als het er op aan komt, toch weer ongemoeid.

Nu kan je denken: als je slechts op het nippertje gered wordt, is het voldoende als het om je eígen vege lijf gaat. Maar zo is het bij de Hére niet. Als 's mensen verlossing dan zóveel moeite kost - en de Here kostte het zijn eigen Zoon - dan kunnen er het beste maar zovéél mogelijk mensen van profiteren. Wat blijft God rùim in zijn aanbod van verlossing. Wat is zijn verbondstrouw groot. Om wille van Abraham, met wie Hij zijn verbond sloot, mag Lot er bij horen, al had die het verbruid, en om wille van Lot mogen al zijn verwánten erbij horen, zelfs zijn aanstaande schoonzoons. Zoals niet alleen Noach in de ark terecht kwam, maar ook zijn vrouw, zonen en schoondochters. Zoals niet alleen Lydia gedoopt werd, maar ook haar huis, niet alleen de gevangenbewaarder van Filippi gedoopt werd, maar ook zijn huis. De Here heeft niet alleen een stérke, maar ook een lánge arm als het om onze verlossing gaat.

Toen zeiden die mannen tot Lot: wie heb je hier nog méér? Ze wijzen op de ruimte van Gods liefde en ook op de verantwoordelijkheid die dat voor Lot tot gevolg heeft. En Lot verstaat dat. Met gevaar voor eigen leven gaat hij zijn aanstaande schoonzoons waarschuwen. Ik denk aan de titel van een boekje, dat over het Leger des Heils gaat. Gered om te redden. Herkent u dat? Ook nu? Als mijn zaligheid door de Here Jezus Christus zó bijzonder is, zo spannend en op het nippertje, dan laat de Here mij niet alleen aan mijzelf denken, maar legt Hij mij ook het heil van anderen op het hart: mijn partner, kinderen, aangetrouwde kinderen, ieder met wie ik een of andere relatie heb. En daar maken we dan wérk van. We nodigen ze uit om op te staan, de verloren wereld te verlaten en het heil bij Jezus te zoeken. Wie heb je nog méér? Helaas ervaren wij dan óók, dat niet ieder daar voor ópen staat. Maar hij was in de ogen van zijn schoonzoons als iemand die schertste. Meneer Lot, maak grapjes met iemand ánders, haal zo'n streek uit met iemand ánders. Wíj trappen daar niet in. Het is vaak nóg de reactie op de boodschap van Gods oordeel en genade. Bespottelijk. Niet om serieus te nemen. Ook dááraan zien we hoe wij mensen op het nippertje gered worden. Dat God ons van héél ver weg moet halen. Omdat we er vanuit ons zélf, op ons gemak midden in deze wereld levend en er van uitgaande dat het altijd zo zal blijven, mijlenver van af staan. De gedachte alléén al aan een God, die alles radicaal kan omkeren, die ons wonderlijk kan zalig maken, en die ons opwekt om als een haas deze oude wereld te verlaten, ons radicaal te bekeren. Een scherts. Niet eens zo vreemd. We zitten zó vast aan deze wereld, zoals die hier en nu reilt en zeilt en naar Gods oordeel snelt.

Want als het gaat spannen heeft ook Lot zélf er nog moeite mee. De engelen moeten aan het begin van de nieuwe dag, die voor Sodom de dies irae wordt, de dag van Gods toorn, bij hem aandringen op spoed. Sta op, neem uw vrouw en beide dochters, opdat gij niet vanwege de ongerechtigheid van de stad verdelgd wordt. Maar Lot gaat tijd rekken. Kan maar niet écht tot de daad overgaan. Ach, het is zo herkenbaar. Het valt voor ons ook niet mee om radicaal met ons oude leven te breken, om zóveel dingen, waar we met ons hart aan vastzitten, los te laten omdat ze niet bij het leven met Gód horen. Ons bekéren, zoals dat in de taal van het geloof heet? Voor het eerst of opnieuw? We zíen onze verkeerde dingen wel, maar je er lós van maken, is toch nog wat anders. Daar zijn we enorme treuzelaars in. Dat stellen we het liefste nog een poosje uit. Nog even wachten. Het kan later nog wel, morgen. Maar later kan tè laat wezen. Vandaar de korte krachtige bevelen: sta op. Vlucht om uws levens wil. Kijk niet om. Sta nergens stil. Doe het nu. Nu kan het nog. Op het nippertje. Straks niet meer. Grijp toch de kansen, door God u gegeven. Luister naar die opwekking uit het evangelie. Ook heden. Nee, het hoeft niet altijd, die indringende opwekkingsprediking. Hak je voortdurend met dat bijltje, dan wordt het bot. Maar het hoort er wel bij. Vlucht weg uit je verloren bestaan. Sta niet stil, kijk niet om. Maar haast u om uws levens wil. Als het nog lukt is het op het nippertje.

En dan nóg gaan we niet zó maar. Moet de Here er zijn sterke hand bij gebruiken. En toen hij talmde grepen de mannen hem en zijn vrouw en beide dochters bij de hand. Zij leidden hen uit en brachten hen buiten de stad. Er is goddelijk ingrijpen voor nodig. Ook bij ons. We moeten er door de Here zelf toe geleid en gebracht worden. Uit ons zelf komen we er niet toe. Achteraf is onze verlossing áltijd weer een genadig en sterk werk van de Hére en geen braafheid en gehoorzaamheid van ons zelf. En soms kunnen mensen ook wel concreet vertéllen, wáár God zijn hand in had, hóe Hij hen reddend en leidend vast pakte. Bijvoorbeeld in een ziekte, een sterfgeval in de naaste omgeving, een bijna-ongeluk. Of ook een bijzonder rijke zegen: een kind, genezing van kanker. In ieder geval zit er ook altijd de krachtige hand van de Heilige Geest achter die ons leidt en buiten het gevaar brengt. Want zonder de hand van de Geest blijven we ook bij de indringendste opwekkingsprediking zitten waar we zitten. Ja, het echte geheim van onze redding is de Here zélf. Dat zegt ook onze tekst: toen grepen de mannen Lot en zijn vrouw en dochters bij de hand, omdat de Here hem wilde sparen. Het is pure genade en liefde van Gods kant. Het is Góds werk, Góds wil, het komt uit zíjn hart. Wat rijk. En wij hebben daar zelfs nog een diepere indruk van gekregen door de openbaring van Gods genade en liefde in de Here Jezus Christus.

We besteden maar niet meer veel aandacht aan het wonderlijke gesprek over de plaats waar Lot heen moet vluchten, al kan daar nog genoeg over gezegd worden. Bijvoorbeeld, dat de Here nooit te véél van ons vraagt. Óver het nippertje heen. Als Lot bang is, dat hij het gebergte niet zal halen, is de vlucht naar het kleine stadje Zoar óók net voldoende. Zoar betekent klein en het ligt helemaal aan de rand van de Dode Zee. En bijvoorbeeld dat de Here onze redding soms in etappes laat plaats vinden. We er niet altijd met één bekering zijn. Want blijkens het vervolg gaat Lot later tóch nog vanuit Zoar het gebergte in. En horen we tussendoor ook niet het heerlijke bericht dat God om zo te zeggen gebonden is aan zijn eigen trouw en beloftes? Haast u, vlucht daarheen, want Ik zal níets kunnen doen vóórdat gij daar aangekomen zijt. Je kunt je op God verlaten. Wanneer Hij zijn verlossing aanbiedt en we daarop ingaan, zal Hij ons niet teleurstellen. In zijn rechtvaardig oordeel over het kwaad en vernietiging van het kwaad neemt Hij het niet op de koop toe, dat er ook maar één van zijn kinderen bij verloren gaat.

Maar dan moeten we wèl doen wat Hij van ons vraagt. Echt álles loslaten. Er niet met ons hart aan vast blijven zitten. In dat opzicht is de vrouw van Lot het waarschuwend voorbeeld. Ze keek achterom en veranderde in een zoutpilaar. Wat erg om op weg te zijn naar je behoud, mee te lopen met hen, die behouden worden, de weg van het kerkelijk meelevend zijn te bewandelen, maar als het er op áán komt tóch nog met je hart aan deze wereld vast blijven zitten en de eindstreep niet halen. Oók een ernstige waarschuwing, dat het echt alleen maar op het níppertje gaat en we niet van twee walletjes kunnen blijven eten, van God en deze wereld. Denk aan de vrouw van Lot, zei Jezus!

En dan worden Sodom en Gomorra vernietigd door zwavel en vuur. Brandende zwavel. Een beeld dat door de hele bijbel heengaat, wijzend op Gods rechtvaardige vernietiging van alle kwaad. Tot het laatste bijbelboek toe, waarin het over de definitieve vernietiging van alle kwaad gaat in de poel van vuur en zwavel. Met Gods heiligheid en rechtvaardigheid valt niet te spotten. Niemand die er maar op los leeft en de Here niet nodig heeft, zal de dans ontspringen. Redding is er echt alleen op het nippertje.

En dan hebben we het ook niet aan ons zélf te danken. Wat heeft deze geschiedenis met Abraham te maken? Want ze staat in Genesis toch in de cyclus van vertellingen over Abraham. Abraham ziet niet alleen de ondergang van Sodom aan, maar hij had ook voor de stad gebeden en dat mede met het oog op zijn neef Lot. En God gedacht Abraham en leidde dáárom Lot uit het midden der omkering. De voorbede van Abraham was dus óók een heel belangrijke schakel. En zo is het voor ons een heel belangrijke, ja onmisbare schakel, dat we een grote Voorbidder in de hemel hebben. De Here Jezus Christus. Die in zijn pleiten voor ons zijn verlossingswerk kan noemen, het feit, dat Hij onze zonde gedragen heeft, voor ons in de plaats door de brandende hel is gegaan. Die het daarom kan zeggen: Vader, Ik wil, dat die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven heb, om Mijn heerlijkheid te aanschouwen. Laat het op het nippertje zijn, het is wel iets gewéldigs. De zaligheid door de Here Jezus Christus. Nu en voor eeuwig. Amen.



Plaats reactie


Beveiligingscode
Vernieuwen

Liefdevol en genadig is de Heer,
hij blijft geduldig en groot is zijn trouw.
Niet eindeloos blijft hij twisten,
niet eeuwig duurt zijn toorn.
Psalm 103 : 8 en 9