Inlogformulier


Zoeken


Website
Internet

De Bijbel

Mijn weg door de kerk Wil je weten over welke gedeeltes uit de Bijbel in deze website informatie staat?

Mijn Facebook

Ga naar: mijn Facebook

Agenda

Genesis 20 : 1 - 18


Wil je eerst het gedeelte uit de bijbel lezen?
Genesis 20 : 1 - 18
Nieuwe Vertaling
  1. Abraham nu brak vandaar op naar het Zuiderland en vestigde zich tussen Kades en Sur, en vertoefde als vreemdeling in Gerar.
  2. Daar Abraham van zijn vrouw Sara gezegd had: Zij is mijn zuster, liet Abimelek, de koning van Gerar, Sara weghalen.
  3. Maar God kwam des nachts in een droom tot Abimelek en zeide tot hem: Zie, gij zijt een kind des doods, omdat gij die vrouw genomen hebt, want zij is gehuwd.
  4. Abimelek nu was niet tot haar genaderd. En hij zeide: Here, zult Gij dan een rechtvaardig volk doden?
  5. Heeft hij zelf niet tot mij gezegd: Zij is mijn zuster? En zij heeft zelf ook gezegd: Hij is mijn broeder; in onschuld mijns harten en reinheid mijner handen heb ik dit gedaan.
  6. En God zeide tot hem in de droom: Ik weet ook, dat gij het in onschuld uws harten gedaan hebt, Ik heb u dan ook ervan weerhouden tegen Mij te zondigen; daarom heb Ik u niet toegelaten haar aan te raken.
  7. En nu breng de vrouw van deze man terug, want hij is een profeet; dan zal hij voor u bidden, opdat gij in het leven moogt blijven; maar indien gij haar niet terugbrengt, weet, dat gij voorzeker zult sterven, gij en al de uwen.
  8. De volgende morgen vroeg riep Abimelek al zijn dienaren en bracht dit alles te hunner kennis, en de mannen werden zeer bevreesd.
  9. Voorts riep Abimelek Abraham en zeide tot hem: Wat hebt gij ons aangedaan, en waarin heb ik tegen u gezondigd, dat gij over mij en mijn koninkrijk een grote zonde hebt gebracht? Gij hebt tegenover mij dingen gedaan, die niet gedaan mochten worden.
  10. Ook zeide Abimelek tot Abraham: Wat hebt gij beoogd, dat gij dit deedt?
  11. Toen zeide Abraham: Ik dacht: wellicht is er geen vreze Gods in deze plaats; zij zullen mij doden om mijn vrouw.
  12. En bovendien is zij werkelijk mijn zuster; zij is de dochter van mijn vader, maar niet de dochter van mijn moeder; en zij is mij tot vrouw geworden.
  13. Toen God mij uit mijns vaders huis liet omzwerven, zeide ik tot haar: Dit zal de liefdedienst zijn, die gij mij bewijzen zult: zeg van mij op elke plaats, waar wij komen: hij is mijn broeder.
  14. Toen nam Abimelek schapen en runderen, slaven en slavinnen, en schonk die aan Abraham, en hij gaf hem zijn vrouw Sara terug.
  15. En Abimelek zeide: Zie, mijn land staat voor u open, vestig u, waar het u goeddunkt.
  16. En tot Sara zeide hij: Zie, ik geef aan uw broeder duizend zilverstukken; zie, dat zal voor u de ogen bedekken van allen die bij u zijn; en gij zult gerechtvaardigd zijn, ja, in elk opzicht.
  17. Toen bad Abraham tot God, en God genas Abimelek en zijn vrouw en zijn slavinnen, zodat zij baarden.
  18. De HERE had namelijk elke moederschoot in Abimeleks huis toegesloten ter oorzake van Sara, de vrouw van Abraham.

Voor 't laatst gehouden op 25 juli 2004 te Hattem

Abraham en Abimelech over Sara

Gemeente des Heren,

Een ezel stoot zich in het gemeen geen tweemaal aan dezelfde steen. Dat spreekwoord krijg je vaak te horen als je twee keer dezelfde fout maakt. Waarop je kan antwoorden met: Dus als ik het wél doe, is dat het bewijs, dat ik geen ezel ben.

In ieder geval zijn wij mensen er níet te goed voor om in dezelfde fout terug te vallen. Ook Abraham niet. Want we vinden in Genesis 12 een soortgelijk verhaal als hier in hoofdstuk 20. Dáár gaat Abraham naar Egýpte, waar hij Sara voor zijn zuster uitgeeft, zodat deze in de harem van de farao dreigt terecht te komen. En hier haalt hij bij Abimelech, de koning van Gerar, een filistijnse vorst, dezélfde streek uit.

Hoe levensecht. Want wij mensen zijn vaak onverbeterlijk. Hardleers. Telkens maak je dezelfde fout, val je in dezelfde slechte gewoonte terug, trap je in dezelfde val. Het overkomt ons toch allemáál, niet? Ach, wat heeft God veel met ons te stellen. Wat is het wáár wat iemand dichtte: Gij zult nog dikwijls met mij strijden moeten, voordat gij mij gehéél bezitten zult. Wat moet in Jezus Christus zijn geduld met ons gróót zijn, zijn vergeving van onze zonden enórm, en zijn kracht tot bekering stérk. Temeer, daar we zo ook het slechte voorbeeld doorgeven aan onze kínderen. Niet alleen via onze opvóeding maar zelfs via onze génen. Want het wónderlijke is, dat jaren later Izaäk en Rebekka hetzelfde uithalen bij een ándere Abimelech in Gerar. Genesis 26 gaat daarover. Terwijl in onze tekstgeschiedenis Izaäk nog gebóren moet worden.

Kritische uitleggers is dit te gortig. Het gaat om één en dezelfde volkslegende, zeggen ze, die vroeger op gezellige avonden rond het open vuur werd verteld en waaraan verschillende namen zijn vastgeplakt. Zelfs áls dat zo is, dan maakte de eindschrijver van Genesis er toch bewust verschíllende verhalen van. Met ook een verschíllende boodschap. Want waar gaat óns verhaal, waarin de gesprekken véél belangrijker zijn dan het gebeuren op zich, voorál over? Over de vragen van schúld en rechtváárdigheid. De schrijver gebruikt het verhaal om díe ingrijpende ethische vragen aan de orde te stellen.

En dan is het eerste gesprek er een tussen God en Abimelech. Maar God kwam des nachts in een droom tot Abimelech en zei tot hem: zie, gij zijt een kind des doods, omdat gij die vrouw genomen hebt, want zij is gehuwd. Dus óók als het om deze vragen van góed en kwáad gaat, is de Here, de God van Israël en Vader van Jezus Christus, de God van álle mensen. Zijn met de schepping gegeven orde en aan de mensen gegeven levensdoel, is voor íedereen in álle tijden. En Hij spreekt iedereen daar ook op áán. Gaat met iedereen daarover het gesprék aan in het hárt, in het gewéten.

Vaak gebruikt Hij er de dróóm voor. Niet zo vréémd. In onze dromen zijn we al ons doen en laten in ons onderbewustzijn aan het verwerken. Zo kwam Hij ook tot Laban en Bileam, steeds om ze voor verdere verkeerde daden te bewaren. Paulus schrijft: iedereen kent de rechtseis van God. Er is een algemene moraal, een algemeen besef van goed en kwaad, dat de Here in het hart van álle mensen heeft gelegd. Wij hebben geweldige gaven van onze Schepper meegekregen, die ons ver boven de dieren verheffen. En naast het verstand, het weten, is dat ook het gèweten. Het besef van recht en onrecht. Dat geweten kan falen, kan door bepaalde omstandigheden, bijvoorbeeld door de opvoeding, die we kregen, te nauw of te ruim zijn, kan zelfs ziek zijn of nauwelijks functioneren. Denk maar aan zware criminelen en oorlogsmisdadigers. Maar dat neemt níet weg, dat het een uiterst waardevol bezit is hier van binnen, dat príkkelt om het goede te doen en áfschrikt om het verkeerde te doen. En dat de Here ook als een soort ontvangstation gebruikt om zijn boodschap aan ons door te geven. Waardeer die stem van het geweten. Ga er niet te vaak tegenin, want daar wordt ze zwakker van. Zie het als één van Gods fijne instrumenten om ten goede met ons bezig te zijn. Een instrument dat iedereen krijgt, tot de verste heiden toe, maar dat toch wel steeds secuurder wordt naarmate je meer de Here Jezus na mag volgen.

Een instrument ten goede? Daar líjkt het niet zo op. Want wat zégt God tegen Abimelech: zie, gij zijt een kind des doods. Dat klinkt hard. In veel landen is de doodstraf áfgeschaft, en áls die nog wordt uitgevoerd, is het alleen bij de zwaarste misdadigers. Is God zo wreed? Daar hebben we moeite mee. En toch, in zijn rechtvaardigheid kán Hij eigenlijk niet anders. Want als we met het leven, dat Hij ons gaf, niet de goede dingen doen met het oog waaróp Hij het ons gaf, dan zijn we het eigenlijk niet wáárd. Of zou u willen, dat God ons mensen met mínder hoge idealen had geschapen? Níet met de geweldige bedoeling om Hem en de naaste lief te hebben, om vrede, recht, vrijheid, geluk voor iedereen te zoeken en zo ook zelf gelukkig te worden? Nee toch? Dat is toch heel diep in ons het verlangen van ons allemaal? Dat is toch de zín die we aan ons leven willen geven? Dan moeten we er óók niet vreemd van opkijken, dat we, zodra we aan die geweldige bedoelingen voorbijschieten, te horen krijgen: je hebt je het leven niet waard gemaakt. Je bent een kind des doods.

Maar wat is het dan een wonder van genade, dat God ons één mens gegeven heeft, die echt leefde zoals Hij het bedoelde en aan wie Hij toch de doodstraf voltrok. Zijn Zoon. De Here Jezus. Die voor ons in de plaats leefde zoals wij moesten leven en voor ons in de plaats kind des doods werd om ons in het leven te behouden en dat zelfs voor eeuwig. Is dat niet rijk? Geloof in Hem!

Waaróm is Abimelech een kind des doods? Omdat Hij de vrouw van een ander nam. Er zijn dus bepaalde geboden, die God van iederéén vraagt, ongeacht wat voor geloof of ongeloof men heeft. Niet in alle culturen leeft hetzelfde idee over wat leven is, eigendom, een huwelijk. In de ene cultuur is het leven van de stam, de gemeenschap, veel belangrijker dan dat van de enkeling, in de andere is de enkeling een uniek persoon, wiens leven men niet zo gauw opoffert. In de ene cultuur is vee gemeenschappelijk eigendom, in de andere juist niet. In de ene cultuur kan een man maar met één vrouw trouwen, in de andere met meer. Maar verkijk je er níet op. Er is géén willekeur. Er zijn overal strenge regels. Juist onder de primitiefste stammen in Afrika of Zuid-Amerika. Regels die afgeleid zijn van de geboden: gij zult niet doden, gij zult niet stelen, gij zult niet echtbreken. Het kunnen door bijgeloof vervórmde ordeningen van God zijn, ze zíjn er wél. En dáárdoor maakt de Here in zijn wijsheid en liefde menselijk samenleven op deze aarde mogelijk. Want zonder zulke wereldwijde geboden en de gehoorzaamheid daaraan wordt het een chaos. Hoe dubbel erg is het dan, als chrístenen met deze fundamentele geboden een loopje nemen. En als in een west-europese beschaving, die eeuwenlang de invloed van het christelijk geloof onderging, van het houden van deze geboden zo weinig terecht komt. Ik denk even de moorden, waarvan je regelmatig in de krant leest. Liquidaties in de onderwereld. Maar ook door relatieproblemen, jaloezie en haat. Ik denk aan de talloze vormen van diefstal die plaats vinden. Ik denk aan erotische escapades en overspel. Het hebben van de ene vrouw na de andere of tegelijk. Kortom, neem de tien geboden bloedserieus. Ook de tweede tafel ervan. Het zijn zaken die de Here de héle mensenfamilie oplegt. Christenen komen daar dus helemáál niet onderuit.

Maar wat is het antwoord van Abimelech? Here, zult gij dan een rechtvaardig volk doden? Een vólk? Het ging toch om hem zélf? Zeker, maar God heeft ons niet alleen als enkelingen geschapen, maar ook in gemeenschappen geplaatst. Als wij iets verkeerds doen, heeft dat zijn gevolgen in onze omgéving. Als een koning miskleunt, is zijn volk het slachtoffer. Denk maar aan Saddam Hoessein. Als een vader, moeder, kind, miskleunt, is het gezín het slachtoffer. Als een christen miskleunt, is zijn geméénte het slachtoffer. Al was het alleen maar om de praatjes: zo’n bandiet zit nu ’s zondags in de kerk. Met elke fout laden we een extra schuld op ons, omdat het zijn repercussies heeft bij anderen om ons heen. Abimelech begrijpt dat. Hij weet: wat ik als koning doe, al is het nóg zo particulier, gaat mijn héle volk aan. En daarin is hij wijs, soms wijzer als wij zijn. Die al gauw zeggen: ik mag toch met mijn leven doen, wat ik zelf wil? Daar heeft een ander toch niks mee te maken? Ach, gelukkig werkt deze nauwe band tussen enkeling en gemeenschap óók ten goede. Wat die ene deed, Jezus Christus, gaat zijn hele vólk aan. God zal er niet een rechtvaardig volk mee doden, maar er een zondig volk het leven mee geven. Wat geweldig!

En dan pleit Abimelech zich vrij. Ik heb het in mijn onschuld gedaan. Ze zeiden zélf dat ze broer en zus waren. Alles wat tegen Gods bedoeling ingaat, is schuld. Afgezien van de bedoelingen, waarmee het is gedaan. Dat gaat in het oude testament zelfs zó ver, dat iemand, die een ander per ongeluk doodt, bijvoorbeeld doordat onder het hakken zijn bijl van de steel vliegt en een ander treft, naar een vrijstad moet vluchten. Alleen dán is hij beschermd tegen wraak. Toch houdt de Here, de kenner van onze harten, er rekening mee of we iets met opzet deden of niet. Abimelech heeft álle ruimte om met de Here over schuld en onschuld in gesprek te gaan en de Here luistert naar Hem. Kijk, zo waren toen en daar de áfgoden niet. Dat waren blinde onpersoonlijke machten. Ze gaven voorspoed of tegenspoed, vruchtbaarheid of onvruchtbaarheid. Maar voor de vragen van goed en kwaad, van persoonlijke verantwoordelijkheid en schuld, moest je niet bij hen wezen. Wel bij de God van Israël en de Vader van Jezus Christus. Met Hem valt te praten. Ook door ú, gemeente. Ook over wat er mis gaat in úw leven. En over de vraag of er onwetendheid bij te pas kwam of niet, of u het echt zo bedoelde of niet. Mensen kunnen ons snel veroordelen of luchthartig goed praten wat we deden, maar voor het aangezicht van de Hére komt de wáárheid aan het licht over onze onschuld en reinheid of juist het gemis daarvan. Hij is onze hoogste Rechter, die eens heel ons leven zal oordelen. Strikt rechtvaardig. Rekening houdend met alle omstandigheden. Gelukkig maar, dat Hij ook de Vader van de Here Jezus is. Die Hij gaf tot verzoening van zonde en schuld aan ieder, die in Hem is gaan geloven.

We horen verder óók, dat de Here in zijn goedheid ons vaak voor het kwade bewaart, zonder dat we het ons altijd bewust zijn. Om een of andere reden, gezien wat het slot van ons hoofdstuk meldt, waarschijnlijk door ziekte, was Abimelech nog niet met Sara naar bed geweest. Ik, zegt God, heb u dan ook er van weerhouden tegen Mij te zondigen. Daarom heb Ik u niet toegelaten haar aan te raken. Soms komt er een kink in de kabel van onze plannen. Door een of andere tegenslag. Jammer. Ach, wie weet is het wel Gods genadige leiding, die ons zo belet te zondigen. Wie weet is wat wij bepaald niet als een zegen van God ervaren toch een zegen, omdat we anders het verkeerde hadden gedaan en God nu die wegen naar het kwaad zo afsloot. We konden onwetend wel eens voor heel wat schuld bewaard zijn, omdat God ons op wegen stuurde, die we zelf niet wilden of op wegen belette te gaan, die we zelf wel wilden.

De volgende morgen roept Abimelech vroeg zijn dienaren bij elkaar en vertelt hij hun alles. Wijs. Want met zulke schuldvragen moet je nóóit alleen worstelen. Die moet je niet alleen met God delen, maar óók met anderen, die met jou verbonden zijn. Dat is niet makkelijk, maar wel heilzaam. Bevrijdend. De biecht is nog niet zo'n slechte zaak. Belijdt elkaar uw zonden, schreef Jakobus. Zalig de gemeente, waarvan de leden zó'n hechte band hebben, dat ze hun harten tegenover elkaar kunnen uitstorten, ook ze met diepe schuldvragen zitten. Onder de volgelingen van de Here Jezus, die al onze schulden droeg en er verzoening over deed, moet dat kunnen.

En de mannen werden zeer bevreesd. Beschamend. Heidenen hebben vaak een grótere huiver voor het kwaad en het onheil dat dat teweeg brengt, dan joden en christenen, die de God van Israël en de Vader van de Here Jezus kennen. Mohammedanen nemen hun geloof en de voorschriften van Allah vaak veel ernstiger dan wij óns geloof en de geboden van de Here. Gods verborgen en door afgoderij misvormde appèl op heidenen heeft vaak méér effect dan zijn direct en openlijk appèl op ons christenen. Wat onze overtredingen des te ernstiger maakt. We kijken nog wel eens neer op mensen met een andere godsdienst. Zijn ze niet wat primitief? Opgepast. Want als het om de verhouding van leer en leven gaat konden degenen met een slechte leer wel eens goed leven en degenen met een goede leer slecht.

Reden waarom Abimelech Abraham aanklaagt. Dat krijgt een zwaar accent. Wat heb je ons aangedaan? Wat heb ik tegen jou misdaan, dat je mij en mijn koninkrijk tot zo'n grote zonde bracht? Je hebt tegenover mij dingen gedaan die niet mochten. Wat een verwijten, nog wel van iemand, die níet door de ware God uit Ur geroepen was om alle geslachten van de aardbodem tot een zegen te zijn. Voor Abraham, voor wie dat wèl gold, om door de grond te gaan. Zo hebben ook wij als christenen een hoge roeping. Om zout der aarde te zijn. Licht der wereld. Om Gods heerlijke bedoelingen met ons zichtbaar te maken. Om het ware, nieuwe leven in navolging van de Here Jezus vóór te leven tegenover anderen. Wat een schuld, als daar niks van terecht komt en we alleen maar reden tot terechte verwijten geven. En zo ver laten we het nog wel eens komen. Geen reclame voor de Here en zijn zaak. Gelukkig maar dat er één is uit het geslacht van Abraham, die met recht kon zeggen: wie van u overtuigt Mij van zonde? De Here Jezus Christus! Geen aanklacht houdt tegenover Hem stand. Daarom mogen we achter Hem schuilen met onze fouten.

Ook zegt Abimelech tot Abraham: Wat hebt gij beoogd, dat gij dit deed? Abimelech stoot dus door naar het hárt van Abraham. Wat heeft je bewogen om het te doen? Wat heb je er voor bedoeling mee gehad? Degene, tegen wie we wat verkeerds hebben gedaan, heeft het récht om dat te vragen. En wíj hebben ook de morele plicht om ons dat steeds af te vragen. Welke gezindheid zat erachter? Want goede bedoelingen pakken wel eens verkeerd uit. En achter de vroomste daden kunnen verkeerde motieven schuil gaan. Is ons hart een zuivere of troebele bron? Uit ons hart komen al onze woorden en daden voort. Bewaak je hart, want dat is de levensbron, zegt een spreuk wat vrij vertaald. Wie rechtvaardig door het leven wil gaan en niet graag schuld op zich laadt, zal vooral een nieuw, rein hart willen ontvangen. Gelukkig dat de Heilige Geest ons die kan schenken via het geloof in de Here Jezus.

Abrahams hart kende eerlijk gezegd níet zulke geweldige beweegredenen. Ik dacht, wellicht is er geen vreze Gods in deze plaats. Zij zullen mij doden om mijn vrouw. Ze houden hier vast geen rekening met de Here en dus ook niet met zijn geboden: gij zult niet echtbreken en niet doodslaan. Mensen wántrouwen. Eerder het verkéérde dan het góede van hen verwachten. Zo ook Gods werk in de gewetens van ánderen onderschatten. En báng voor ze zijn. Dat zijn eigenlijk niet zulke frááie motieven. En vaak geldt dan ook: zo de waard is, vertrouwt hij zijn gasten. Want als Abraham toen zelf wél de vreze Gods had gekend, had hij niet gelogen, geen vals getuigenis gesproken, en had hij erop vertrouwd, dat God hem wel zou helpen. Nu wordt hij alleen door angst voor eigen hachje gedreven. Het is goed om ook bij ons zelf te rade te gaan. Wat beweegt mij in mijn dagelijks doen en laten? Ben ik bang voor mensen? Verwacht ik altijd het negatieve van ze? Durf ik mijn nek niet uit te steken? Durf ik ook niet met God rekening te houden? Met zijn zorg en zegen voor wie zijn geboden onderhoudt, al is het soms dwars door tegenslagen heen? Weet u, ik denk aan Hem, die onbevreesd voor de reacties van mensen en zonder angst voor eigen hachje volledig Gods geboden gehoorzaam was en zich dwars door alle nood en dood heen op God verliet. Voor ons in de plaats. Jezus Christus! Wat zou het mooi zijn als het geloof ons meer en meer op Hem deed lijken en zo steeds minder op Abraham hier in zijn zwakke momenten.

Want zwak is die! Zijn verdere excuus klinkt ook erg zwak. Sara is toch eigenlijk mijn zuster, al is ze mijn halfzuster en al is ze mij tot vrouw geworden. En ik had al lang geleden, toen we uit Ur der Chaldeeën vertrokken met haar afgesproken, dat ze zich als mijn zuster zal voordoen. Smoesjes, waarop hij breedvoerig ingaat. We kennen dat wel. Veel bla, bla om iets te verbloemen, ergens onder uit te komen, er nog een goeie draai aan te geven. Halve waarheden verkondigen, die hele leugens zijn. Beweren wel erg oude afspraken te zijn nagekomen. Geloofwaardig klinkt het niet. Ook iets om over na te denken als het om de morele vragen van goed en kwaad gaat. Ons verhaal wil als het ware het batterijtje weer opladen, dat in ons geweten op zijn tijd de rode lampjes laat branden als we precies hetzelfde doen als Abraham.

En wat is de reactie van Abimelech? Hij draagt in wezen geen schuld, maar voelt het wèl zo. En doet zijn uiterste best om de schade te herstellen, ja brengt eigenlijk offers van verzoening. Abraham krijgt niet alleen Sara terug, maar ontvangt bovendien schapen en runderen, slaven en slavinnen. Hij krijgt alle gastvrijheid. Zie, mijn land staat voor u open, vestig u, waar het u goeddunkt. En hij krijgt als redding van de eer van Sara duizend zilverstukken. Wat is Abimelech er diep van doordrongen dat elke schuld moet worden vereffend, elke gemaakte schade dubbel en dwars goed gemaakt. Wat betaalt hij een hoge prijs om verder een vrij geweten te hebben. Wat heeft hij een ernstig besef van gerechtigheid. Daar schieten wíj wel eens in tekort. Wij lopen wel eens gemakkelijk heen over wat bedoeld of onbedoeld mis ging, over onze schuld. Abimelech zit dan toch dichter bij de waarheid als je bedenkt, hoe ernstig de Here zelf hiermee is omgegaan. Hij gaf zijn eigen Zoon tot schadeloosstelling en genoegdoening, tot offer van verzoening. Wat een hoge prijs. Maar het kon niet anders. Zijn rechtvaardigheid eiste dat. Doch zo is voor ons de schuld betaald. Zo is er voor ons zondaren vrijspraak en verlossing. Wat een zegen.

Nu zou je uit het feit, dat Gods kinderen wel eens tegenvallen en de wereld wel eens meevalt, kunnen afleiden, dat het niks uitmaakt, wat je gelooft, als je je geloof maar serieus neemt. Maar dát is toch te eenvoudig. God heeft Abraham genadig verkoren om een verbond van liefde en trouw met hem aan te gaan, om hem te zegenen en tot een zegen te stellen. En daar houdt Hij ondanks Abrahams ontrouw aan vast. God zegt ook tegen Abimelech: Abraham is een profeet. Met andere woorden: Hij blijft ondanks alles met zijn hele leven de vertolker van mijn reddende boodschap aan de wereld, net zoals het volk, dat uit hem voort zal komen. Hij blijft toch de middelaar en voorbidder.

Toen bad Abraham tot God en God genas Abimelech en zijn vrouw en zijn slavinnen. Wat een wonder van genade! Door God toch nog steeds gebruikt te worden voor de vervulling van zijn geweldige beloften, al ben je het helemaal niet meer waard en sta je die vervulling met je domme dingen zo dikwijls in de weg. Is het zo ook niet met ons christenen gesteld? Wat een wonder om achter Jezus aan naar Gods toekomst van heil en vrede toe te leven, vóórtekenen van die toekomst zichtbaar te maken op aarde, zo Gods licht in deze wereld te mogen zijn, terwijl je je dat allang onwaardig hebt gemaakt door je fouten. Wat een geweldig God. In Jezus Christus! Indien wij ontrouw zijn, Hij blijft getrouw zichzelf verloochenen kan Hij niet. Amen.



Plaats reactie


Beveiligingscode
Vernieuwen

De Heer is genadig en rechtvaardig,
onze God is een God van ontferming,
de Heer beschermt de eenvoudigen,
machteloos was ik en hij heeft mij bevrijd.
Psalm 116 : 5 en 6