Inlogformulier


Zoeken


Website
Internet

De Bijbel

Mijn weg door de kerk Wil je weten over welke gedeeltes uit de Bijbel in deze website informatie staat?

Mijn Facebook

Ga naar: mijn Facebook

Agenda

Genesis 21 : 8 - 21

Verdrijving van Hagar en Ismaël

Pieter Lastman ca. 1583 – 1633
De verdrijving van Hagar en Ismaël
olieverf op paneel (48 × 71 cm) — 1612
Kunsthalle, Hamburg


Wil je eerst het gedeelte uit de bijbel lezen?
Genesis 21 : 8 - 21
Nieuwe Vertaling
  1. En het kind groeide op en werd gespeend, en Abraham richtte een grote maaltijd aan op de dag dat Isaak gespeend werd.
  2. Toen zag Sara, dat de zoon van Hagar, de Egyptische, die zij Abraham gebaard had, spotte,
  3. en zij zeide tot Abraham: Jaag die slavin met haar zoon weg, want de zoon van deze slavin zal niet erven met mijn zoon, met Isaak.
  4. Dit nu mishaagde Abraham zeer ter wille van zijn zoon.
  5. Maar God zeide tot Abraham: Laat dit niet kwaad zijn in uw ogen, om de jongen en om uw slavin; in alles wat Sara tot u zegt, moet gij naar haar luisteren, want door Isaak zal men van uw nageslacht spreken.
  6. Maar ook de zoon der slavin zal Ik tot een volk stellen, omdat hij uw nakomeling is.
  7. De volgende morgen vroeg nam Abraham brood en een zak water, en gaf het aan Hagar, dat leggende op haar schouder, alsook het kind, en hij zond haar weg; daarop ging zij heen en dwaalde door de woestijn van Berseba.
  8. Toen het water uit de zak op was, wierp zij het kind onder een der struiken,
  9. en ging op een afstand zitten, zo ver als een boogschot reikt, want zij zeide: Ik kan het sterven van het kind niet aanzien. Terwijl zij op een afstand zat, verhief zij haar stem en weende.
  10. En God hoorde de stem van de jongen, en de Engel Gods riep van de hemel tot Hagar en zeide tot haar: Wat deert u, Hagar? Vrees niet, want God heeft naar de stem van de jongen gehoord, daar waar hij is.
  11. Sta op, neem de jongen op, en houd hem vast met uw hand, want Ik zal hem tot een groot volk stellen.
  12. Toen opende God haar ogen, en zij zag een waterput; zij ging de zak met water vullen en liet de jongen drinken.
  13. En God was met de jongen en hij groeide op; hij ging in de woestijn wonen en werd een boogschutter.
  14. En hij woonde in de woestijn Paran, en zijn moeder nam voor hem een vrouw uit het land Egypte.

Voor 't laatst gehouden op 5 september 2004 te Hattem

Hagar en Ismaël

Gemeente des Heren,

Ik liep eens vlak bij een basisschool, waar de kinderen net naar buiten waren gestroomd. Gaat een klein meisje vlak voor me staan, trekt ze haar allerschattigst gezicht en zegt ze: hoi, meneer de burgemeester!

Wat zijn opgroeiende kinderen heerlijk. En elke fase heeft haar eigen bekoring. Wat wekken baby's warme gevoelens op omdat ze nog zo teer en afhankelijk zijn. Wat zijn peuters en kleuters grappig, als je ziet hoe ze de wereld om zich heen gaan ontdekken en je ze hun eerste woordjes hoort brabbelen. Wat is het fijn om te zien hoe leergierig kinderen van de basisschool vaak zijn, hoe ze hun best kunnen doen, het puntje de tong uit de mond onder het schrijven. Ook de wilde jaren van de puberteit hebben wel hun bekoring. Je ziet ze met vallen en opstaan worstelend zoeken naar een eigen identiteit en eigen levensweg. En geweldig is het om met de wat rijpere jeugd te praten op gelijk niveau. Door het feit dat ze nog niet vastgeroest zijn, kunnen ze je ogen ook openen voor waar je zelf in de loop der jaren wat blind voor bent geworden.

Opgroeiende kinderen, het is een zegen om ze mee te maken. Als oma en opa zoals mijn vrouw en ik de laatste jaren. Maar vooral om ze van héél nabij mee te maken, ja van dit proces van opgroeien deel uit te maken als vader en moeder. Dat proces te leiden, te begeleiden, er getuige van te zijn. Ik ben in ieder geval onze lieve Heer heel dankbaar voor mijn kinderen en kleinkinderen. U toch ook? Zijn regels rond schepping en onderhouding van het menselijk leven zijn formidabel.

Het spreekt bovendien helemaal niet vanzelf maar het is een wonder als het allemaal volgens die regels gáát. Daarom staat er ook van Izaäk geschreven: en het kind groeide op. God had hem aan Abraham en Sara gegeven, terwijl het niet meer kón. Een bóvennatuurlijk wonder. Als dát de levensstart van Izaäk is, dan kan er met hem toch niks meer gebeuren? En tóch wordt het in de bijbel vermeld als een éven wonderlijk vervolg: en het kind groeide op.

Wij vinden het misschien heel gewoon. Maar in díe tijd was het níet zo. De kindersterfte was ontstellend hoog. Die is nu Gode zij dank heel laag. Maar toch. Kinderen kunnen slachtoffer zijn van een verkeersongeluk. Kunnen aan de wiegendood overlijden. Kunnen al kanker krijgen, vanwege hun jonge leeftijd een heel agressieve kanker. Of een andere ziekte. In het kerkblad van een vorige gemeente las ik helaas ook dat er een jongetje van 17 maanden was overleden. Bekende ouders en grootouders. De ene opa een ouderling en de andere een predikant, die er gestaan heeft. Het geldt gelukkig van de meeste kinderen wat er van Izaäk staat: en het kind groeide op. Maar het blijft goddelijke zegen. Jongelui, als je zo mag opgroeien naar de volwassenheid toe. Ouders, als je zo kinderen op mag laten groeien. Grootouders als je kleinkinderen mag hebben. Dank God er voor.

En het kind groeide op en werd gespeend. Wat betekent dat? Het kreeg voortaan geen melk meer van de moederborst, maar moest aan ander eten en drinken leren wennen. Het gebeurde toen rond het derde levensjaar. Het was de allereerste stap naar de onafhankelijkheid en volwassenheid. En die was niet gemakkelijk, want Olvarit was er toen nog niet. Ja, zó zit het leven óók in elkaar. Dat in fases de binding aan moeder en later ook aan vader steeds losser wordt en ze tenslotte op eigen benen staan. Dat proces is een leerschool voor de kinderen zelf, maar net zo goed voor de ouders. De kinderen moeten de wereld in durven en de ouders moeten hun kinderen los durven laten. Het spenen begint met de moederborst, maar zet zich bij het opgroeien door op andere terreinen. Het is een boeiend, maar ook wel moeilijk proces. Het is in ieder gevoel een noodzakelijk proces. Moge God de nodige wijsheid geven aan jong en oud zodat dit proces goed mag verlopen. Er kunnen best wel eens fricties zijn, maar hebben die een positieve of negatieve uitwerking in dat proces? Dat is erg belangrijk. Denk er eens goed over na, jong en oud.

En het kind groeide op en werd gespeend, en Abraham richtte een grote maaltijd aan op de dag dat Izaäk gespeend werd. Er wordt een dier geslacht voor het vlees aan die maaltijd. De wijn vloeit rijkelijk op die maaltijd. Kortom, er wordt feest gevierd. De geleerden hebben daar een fraaie franse uitdrukking voor. Het zijn de rites de passage. Dus rites, handelingen, gebruiken, waarmee wordt duidelijk gemaakt, dat een bepaald stadium in het leven is gepasseerd. Ook wij hebben deze rites. Onze verjaardag. Ons examenfeestje. We sluiten iets af en maken een nieuw begin. Altijd weer een aanleiding om dankbaar terug te zien. Tot hiertoe heeft de Here ons geholpen. Halleluja. Zonder Hem was het zover niet gekomen. Maar ook aanleiding om vol vertrouwen vooruit te zien: Hij laat niet varen het werk van zijn handen. Ik ga met Hem de toekomst tegemoet. Laten we zo dankbaar onze mijlpalen gedenken en onze feesten vieren. Het is een goede manier om de God van ons leven te eren.

Maar het feest in Abrahams tenten is niet vlekkeloos. Toen zag Sara, dat de zoon van Hagar, de Egyptische, die zij Abraham gebaard had, spotte. De tekst is niet eenvoudig. Sommige geleerden lezen hier een onschuldig woord: de twee kinderen, Ismaël en Izaäk, zijn gewoon aan het spelen met elkaar. Maar de meeste denken toch aan spottend lachen. Een flauw grapje over het spenen? Ergens laten merken: Al ben jij nu het feestvarken, ik blijf toch lekker de oudste? Het is gissen. In ieder geval zag Paulus het ook als iets negatiefs, want hij schrijft in de Galatenbrief: hij die naar het vlees verwekt was vervolgde hem die naar de geest verwekt was. Nee, het gaat met opgroeiende kinderen niet altijd goed. Ook tot hen is het kwaad doorgedrongen. Er is wel eens geplaag, pesten, ruzie, soms slaande ruzie. Het is in de huisgezinnen ook vandaag de dag niet altijd koek en ei.

En het éne kwaad roept vaak het ándere op. Als Sara dit ziet, komt haar oude jaloezie tegenover Hagar weer boven, die ze al had toen Hagar wél een kind ter wereld bleek te kunnen brengen en zíj niet. Haar moederlijke liefde en beschermingsinstinct krijgen iets hards, negatiefs, onverdraagzaams tegen Hagar en Ismaël. Ze kijkt vooruit naar de toekomst en ziet in gedachten Ismaël als Abrahams oudste zoon er met de grootste erfenis vandoor gaan, terwijl hij maar een kind van een slavin is. Dát moet voorkomen worden. Ja, het gaat er heel menselijk toe in de tenten van Abraham, net als in ónze huizen, waar het óók niet altijd pais en vree is. Ach, wat hebben we dagelijks de bekerende, vernieuwende, verzoenende krachten van de Here Jezus nodig, ook in het gezinsleven. Want wat kan er zonder die krachten van alles zitten en ook blíjven zitten tussen mensen. Tussen kinderen, ouders, tussen kinderen en ouders. Verwijdering, vervreemding. Boosheid, haat, heerszucht, angst. En wat kan je met spot veel kwaad aanrichten, omdat degene met wie je spot, vooral als die in een tere en gevoelige leeftijdsfase verkeert, er tot in het diepst van de ziel mee vernederd wordt en soms voor het leven geestelijke trauma's, wonden, oploopt. Wat kan jaloezie veel kwaad aanrichten, angst om de mindere te zijn en tekort te komen. Het woord duivel luidt in het Grieks diabolos, en dat betekent letterlijk: de wigdrijver. Degene, die zich ertussen werpt. Wat weet hij soms wiggen te drijven. Zich te werpen tussen mensen die van elkaar moesten houden. Ook in gezinnen en families. Ook in chrístelijke gezinnen en families. Niemand is er te goed en te gelovig voor. Het gebeurde in Abrahams tenten. Het kan ook in ónze huizen gebeuren. Misschien weet u er helaas van mee te praten. Laat het ons dan in ieder geval tot troost zijn, dat God zijn verbond van liefde en genade niet met volmáákte mensen heeft gesloten, dat Hij zijn beloften van heil en vrede ook niet aan volmáákte mensen gaf, maar aan zóndaren als wij. Dat Hij aan zulke mensen in zijn trouw óók vasthoudt, bij het opvoeden van kinderen. En dat Hij in spanningen en conflicten raad wil geven en de juiste weg wil wijzen. Zoals Hij dat ook aan Abraham deed.

Al hebben we daar in eerste instantie wel onze vragen bij. Want Sara zegt tegen Abraham: jaag die slavin met haar zoon weg, want de zoon van deze slavin zal niet erven met mijn zoon, met Isaäk. Hoort u Sara's verachting en haat? Die slavin, zegt ze. En haar zoon. Ze kan de namen niet eens over haar lippen krijgen. Maar Abraham heeft helemaal geen zin om ze te verstoten. Ismaël is tenslotte zijn lijfelijke zoon. Dat schept een hechte band.

En toch zegt God tegen hem: laat het niet kwaad zijn in uw ogen om te doen wat Sara je zegt. Wat nu? Is de Here even hard en meedogenloos als Sara? Is Hij onbarmhartig en onrechtvaardig? Het lijkt er hier wel op. Waarom wekt Hij niet op tot vrede en verzoening? Mensen, begraaf toch de strijdbijl. Woon liefdevol samen. Maar weet u, we moeten niet vergeten, dat het niet de wil van de Hére was geweest maar het door het ongelovig handelen van Sara en Abraham was gekomen, dat Hagar een kind bij Abraham had gekregen. Het was een situatie die niet klopte. Eén die in strijd was met Gods roeping en verkiezing van Abraham. Het was gevolg van gebrek aan vertrouwen in Gods beloften en van ongehoorzaamheid aan zijn woord. Het was een menselijke inbreuk op Gods bedoelingen. Waarvan nu bij het opgroeien van de kinderen de nare gevolgen meer en meer zichtbaar worden en dat wel eens tot verschrikkelijke daden zou kunnen escaleren. En daarom moet er nu een eind aan worden gemaakt. Het lijkt hard maar uit elkaar gaan is toch het beste. Ja, de Here wijst altijd de beste weg. Al is het wel eens de moeilijkste.

Hoe moeten we dit naar deze tijd overbrengen? Vraagt de Here ons om opgroeiende kinderen het huis uit te jagen als ze dwars zijn geweest? Nee, natuurlijk niet. Maar wel vraagt Hij ons om zuivere situaties te scheppen in onze gezinnen. Om alles wat inbreuk maakt op zijn eeuwige bedoelingen met ons te verwijderen. Om aan de nare gevolgen van ons ongeloof in Hem en onze ongehoorzaamheid aan Hem een eind te maken. Om allerlei conflictstof die uit ons zondigen is voortgekomen uit de weg te ruimen. Wie door de Here is geroepen en verkoren om in een heerlijk verbond met Hem te leven, moet soms harde maatregelen treffen. Die moet zaken uit zijn leven verwijderen die met dat verbond in strijd zijn, die dat verbond bedreigen. Want niet alles valt harmonieus met elkaar te combineren. Om maar even een extreem voorbeeld te geven. Ben je eigenaar van een niet zo best café, van een hotelletje waar gelegenheid wordt gegeven, van een gokhuis, en word je oprecht christen, dan zal je die zaken van de hand doen. Het kijken naar bepaalde films valt ook niet met je geloof te combineren. Ik heb ook wel eens gehoord van iemand die tot geloof was gekomen, dat hij hele stapels video's, waar hij voorheen steeds naar keek, in vuilniszakken stopte en aan de kraakwagen meegaf.

En zulke persoonlijke keuzes en maatregelen vanuit je geloof kunnen ook wel eens banden van het bloed en banden van vriendschap onder druk zetten. Je moet anderen teleurstellen, pijn doen, soms helemaal los laten. Want als er steeds conflictstof is vanwege heel verschillend geloof, verschillende levensbeschouwing en levensstijl, als je elkaar zo alleen maar ongelukkig maakt, kan je elkaar beter vrij laten. Dat aspect heeft de heenzending van Hagar en Ismaël door Abraham ook. Het is niet alleen maar negatief. Ze zijn daarmee slaaf af, krijgen hun vrijheid. En Abraham geeft ze ook water en brood mee, genoeg om naar een plaats te reizen, waar ze zich kunnen vestigen. We kunnen elkaar niet altijd vasthouden in het leven. We moeten elkaar wel eens loslaten. Dat doen pijn. Maar soms is het toch het beste. En geef elkaar dan nog zoveel mogelijk mee.

Dat neemt niet weg, dat onze sympathie veel eerder naar die arme Hagar en Ismaël uitgaan dan naar die harde Hagar en Abraham. Daar zit ook iets in van het tegendraadse van Gods verkiezing. Hij kiest geen lieve, aardige mensen, mensen die het zo goed doen, mensen die nergens in vastlopen in hun leven, maar hij kiest zondaren, die de last, de nare gevolgen van hun zonden hun leven lang met zich mee dragen, al weten ze van goddelijke vergeving. Gelukkig maar, want wie zou er anders komen?

En die keuze betekent ook dat God zélf alles laat verwijderen wat de vervulling van zijn beloften in de weg staat, al is het dwars door menselijk leed en pijn heen. Hij heeft beloofd: het nageslacht van Abraham en Sara zal gezegend worden. Dat geslacht zal het verkoren volk zijn. Uit dat geslacht zal de Zaligmaker voortkomen. En Ismaël mag dat niet in de weg staan, wat gebeurt als hij Izaäk opzij gaat schuiven en het eerstgeboorterecht met de erfenis daaraan verbonden voor zichzelf gaat opeisen. Uiteindelijk kan niets en niemand Gods verlossingsplan tegenhouden. En dat is aan de ene kant een plan, waar Israël, het volk uit Abraham en Sara gesproten, een heel bijzondere rol in speelt, die andere volken niet spelen, reden waarom Ismaël er in ons verhaal uit moet vallen, ook van God. Maar dat is aan de andere kant een plan tot verlossing van heel de wereld, van alle volken, via Israël, vooral via die ene Zoon van Israël, de Here Jezus Christus, reden waarom de Here Ismaël toch ook weer niet in de steek laat in zijn nood.

Dat lezen we duidelijk in het vervolg. Hagar verdwaalt in de woestijn. Het water raakt op. Ismaël dreigt om te komen van de dorst. Dat kan zijn moeder niet aanzien. Ze legt hem onder een van de struiken die daar in de woestijn groeien, waarschijnlijk een soort distelstruik met dorens en kleine blaadjes, die net nog een beetje schaduw geven tegen de verzengende zon. Ze gaat op een afstand zitten, zover als de pijl valt die vanaf een boog geschoten wordt. De plaats is nog te zien, maar wel van ver. En terwijl ze zo op een afstand zit, verheft ze haar stem en weent. En, zo staat er dan gelijk, God hoorde de stem van de jongen. Ons verhaal stelt de uitleggers nogal voor problemen. Volgens Genesis 17 is Ismaël op de leeftijd van 13 jaar besneden, een jaar vóór Izaäk is geboren. Zodat Ismaël ongeveer 17 jaar geweest moet zijn, toen hij op de feestdag van het spenen van Izaäk spotte. Maar we lezen ook dat Abraham het kind Ismaël op Hagars schouders legde met brood en een zak water en dat Hagar haar kind onder een struik wierp, waardoor we de indruk krijgen, dat Ismaël niet ouder dan een enkel jaar was. En nu zitten we er ook nog mee wie er weent en door God gehoord wordt: de moeder of haar kind. We krijgen de indruk dat twee verwante verhalen later door een schrijver in elkaar zijn geschoven zonder dat hij het zo belangrijk vond, om de verschillen onzichtbaar te maken. Het belangrijkste is in ieder geval, dat God naar onze wenende stemmen hoort. Wenende stemmen van ouders en kinderen in hun nood. In hun eigen nood en in hun nood om het lijden van de ander, die men zo liefheeft. Opgroeiende kinderen en zorgende, opvoedende ouders. Het gaat niet altijd naar wens in het leven. Daar kunnen in de woestijn van het harde bestaan erge dingen gebeuren. We noemden al een ernstige ziekte, een verkeersongeluk. We kunnen denken aan lichamelijke en verstandelijke handicaps, aan psychische problemen, opvoedingsproblemen. Nee, het verloopt niet altijd voorspoedig. Er vloeien wel eens tranen. Er wordt wel eens naar de hemel geroepen, geschreeuwd in zorgen, in verdriet, in grote nood. Er wordt zelfs wel eens zó geleden dat dierbaren het niet meer kunnen aanzien. Ja, het leven staat wel eens op het spel.

Maar weet dit: God hoort ons. Dat betekent de naam Ismaël ook heel letterlijk: God hoort. De Here is niet doof. De Here is niet koud en onverschillig. Maar Hij hoort. Hij zal de redder zijn der armen, Hij hoort hun hulpgeschrei. Hij is met koninklijk erbarmen hun eenzaamheid nabij. Huil het maar uit. Luid. Om welke reden ook. Om je zelf. Om je kinderen. Om de verschrikkingen in deze wereld. Het wordt door God gehoord. Daar waar wij zijn. Midden in onze narigheden. Onder de doornstruiken van onze zorgen, angsten, teleurstellingen, verdrietigheden. En de Engel Gods riep van de hemel tot Hagar en zei tot haar: Wat deert u, Hagar? Vrees niet, want God heeft naar de stem van de jongen gehoord, daar waar hij is. Het woord "engel" staat in de meeste vertalingen met een hoofdletter geschreven. Als het in het oude testament niet om een engel zonder meer gaat, maar om de engel Gods, dan zien we er Gods Zoon in, vóór Hij vlees werd in de Here Jezus Christus. In het oude verbond riep de Engel Gods nog reddend van de hemel, maar in het nieuwe verbond daalde Hij reddend helemaal naar de aarde neer. Als het bewijs in levenden lijve: de Here hoort. De Here redt. Hij redt uit alle nood en dood. De Here is barmhartig en genadig, groot van goedertierenheid. Wat een troost en bemoediging, ook voor ons nu, in onze noden en zorgen, van welke aard dan ook. Zorgen om ons zelf, zorgen om elkaar, zorgen om onze kinderen. De Here hoort en helpt in Jezus Christus. Daar mogen we op vertrouwen. Hij laat ons niet in de steek in de woestijn van dit leven. Hij laat ons zelfs niet in de steek voor de grenzen van de dood. Om Jezus' wil.

Dat is zo mooi in ons oudtestamentisch verhaal, en al een voorspel op wat in het nieuwe testament door de Here Jezus wordt vervuld. Ismaël moet wel wegtrekken uit Gods verkoren familie. Ismaël wordt wel woestijnbewoner, dus niet bewoner van het beloofde land. En toch schrijft de Here hem niet af. Omdat hij nakomeling van Abraham is. Hij wordt door de Here wonderlijk gered. En hij mag ook aartsvader zijn van volkeren. Volgens Genesis 25 kreeg hij ook twaalf zonen bij de Egyptische vrouw die Hagar voor hem gekozen had en kwamen er zo ook twaalf stammen uit hem voort. Met andere woorden: De Here handelt met hem ook weer niet zo veel anders als met Izaäk. De Here schrijft hem zeker niet af.

Het voert te ver om allerlei lijnen te trekken van ons verhaal naar de huidige situatie in het Midden-oosten. Die zijn er zeker wel, als we bedenken, dat Ismaël de aartsvader is van de noord-arabische volkeren, die nu in Egypte, Libanon, Jordanië en Syrië wonen, en waartoe ook de Palestijnen behoren. Als we bedenken, dat er nog steeds een wonderlijke haat-liefde verhouding is tussen Israël en de buurvolken, een die al in onze tekstgeschiedenis zichtbaar werd. Als we ook bedenken, dat deze noord-arabische volken wel in meerderheid islamieten zijn, overigens een godsdienst, die met jodendom en christendom verwantschap heeft, maar toch veel Libanezen, Syriërs en Palestijnen christen zijn, in Jezus Christus geloven als Gods reddende Engel op aarde, ook voor hen, dan voelen we de spanning wel aan, waar ons verhaal al bol van staat. God verkiest alleen Israël, maar wel met het oog op zijn reddende liefde tot alle volken. Niet om ze af te schrijven maar juist om hen op de rol, waar hij de volken schrijft, te tellen als in Isrel ingelijfd. De muur tussen jood en heiden is in ons verhaal een muur, die God zelf in zijn verbond en verkiezing wel opwerpt, door Abraham te adviseren Hagar en Ismaël weg te zenden, maar waar Hij ook overheen springt door Hagar en Ismaël te horen en te redden. En zo is het ook in nieuwe verbond. Het heil is uit de joden. Want het is door die ene jood Jezus Christus. Maar dat heil is tegelijk voor alle volken. Ook voor ons. Wat dat betreft is de muur tussen jood en heiden echt afgebroken. De Here hoort niet alleen Israël maar ook Ismaël, en dus ook de Palestijnen en dus ook ons.

Zo staat het ook in ons verhaal. En God was met de jongen en hij groeide op. Opgroeiende kinderen. Over de hele wereld. En in ons eigen gezin. Zoals Izaäk: en het kind groeide op en werd gespeend. Zoals Ismaël: En God was met de jongen en hij groeide op. Wat een voorrecht om van hun opgroeien getuige te zijn, het te leiden, te begeleiden. Op die manier groeit ook ons eigen geloofsleven op.

Hoi, meneer de burgemeester. Wat lief, dat je me groet. Maar ik ben de burgemeester niet. Ik ben de dominee van de kerk. Die van de Here Jezus vertelt, zei ik. En, zo voeg ik er nu aan toe, van zijn liefde voor opgroeiende kinderen. Ja, voor iedereen. Overal op de wereld. Amen.



Plaats reactie


Beveiligingscode
Vernieuwen

Leer mij uw wil te volbrengen,
u bent mijn God,
laat uw goede geest mij leiden
over geëffende grond.
Psalm 143 : 10