Inlogformulier


Zoeken


Website
Internet

De Bijbel

Mijn weg door de kerk Wil je weten over welke gedeeltes uit de Bijbel in deze website informatie staat?

Mijn Facebook

Ga naar: mijn Facebook

Contact

Agenda

themapreken over de liturgie

Votum

Psalm 124:1-6

Het laatst gehouden op 19 oktober 2003 te Hattem

Gemeente des Heren,

Als er een bijzondere dienst is, een doopdienst, jeugddienst, een dienst op een christelijke feestdag, krijg je meestal een paar tot een boekje gevouwen velletjes papier, waarop precies staat wat er allemaal in die dienst gaat gebeuren, wat we uit de bijbel lezen, we zingen, waarop dus de liturgie staat of de orde van de dienst. En bijna vooraan vind je dan steevast een deftig woord. Votum.

Ja, wel een deftig woord, maar ook een vreemd woord. Eigenlijk het enige vreemde bij alle aándere woorden, die voor zichzelf spreken: lied, wet des Heren, geloofsbelijdenis, gebed, schriftlezing, prediking, inzameling der gaven enz. Wat is dat toch? Het votum?

Zijn we een beetje in de kerk thuis, dan weten we wat we op dat moment samen doen. We staan we erbij. Het is blijkbaar iets plechtigs. We nemen ook een gebedshouding aan: we sluiten onze ogen en vouwen onze handen. We spreken blijkbaar tot God. En de dominee zegt dan: onze hulp is in de naam des Heren, die hemel en aarde gemaakt heeft, die trouw houdt tot in eeuwigheid en niet laat varen de werken zijner handen. Hij zegt dat in ieder geval meestal. Hij kan ook iets anders zeggen. Hij kan bijvoorbeeld de trinitarische formule gebruiken, dus woorden waarin we Gods drie-eenheid horen. Dan zegt hij: in de Naam des Vaders en des Zoons en des Heilige Geestes. Maar ik denk, dat bij ons de woorden, die met "onze hulp" beginnen toch het meest vertrouwd klinken. Predikanten, die het liturgisch precies volgens het boekje doen, laten dan niet het woord "votum" op de liturgie afdrukken, maar "adiutorium" wat zoveel betekent als: het inroepen van Gods hulp. Laten wij het vanavond maar gewoon bij "votum" houden.

Maar wat is dat? Het votum? Het is het plechtige begin van de kerkdienst. Alles, wat daarvóór gebeurt, een lied, het stil gebed, is nog voorbereiding op de dienst, maar met het votum neemt de dienst echt een aanvang. Een voorzitter opent gewoonlijk met enkele plechtige woorden en een hamerslag de vergadering. Zo openen we de kerkdienst met het votum. Een voorzitter zegt in zijn openingswoord vaak iets over de aard en het doel van de samenkomst, zo maakt het votum duidelijk, wat het doel van de samenkomst van de gemeente is: de ontmoeting met God en het aanroepen van zijn Naam.

Oorspronkelijk betekent het woord "votum" in het Latijn: plechtige gelofte, eed. Later kreeg het een wat bredere betekenis: plechtige verklaring. Zo is het votum een plechtige verklaring, eigenlijk van u als gemeente via de mond van de dominee, als startsein van de dienst. Met name een plechtige verklaring tot de Here, wiens aangezicht we in de kerkdienst zoeken. Vandaar die biddende houding. Onze hulp is in de naam van de Here, die hemel en aarde gemaakt heeft.

In de Middeleeuwen werden deze woorden door de priester gebeden aan het begin van de viering van de mis, als hij nog aan de voet van het altaar stond. Calvijn nam ze over en sprak ze aan het begin van de kerkdienst uit. We vinden ze in zijn zogenaamde Straatsburgse liturgie. Zo zien we hoe de grote hervormer, die ook de roomse liturgie ingrijpend hervormde en van allerlei bijzaken en ketterijen louterde, waardoor er een vrij sobere dienst overbleef, toch de liturgische onderdelen, die goed waren, overnam uit de kerkelijke traditie. Hij gooide niet revolutionair alles overboord wat aan Rome herinnerde.

En toen hier in de Nederlanden zich de hervorming voltrok in calvinistische geest namen onze voorouders dit gebruik van Calvijn over. Zij stelden het zelfs op een provinciale synode te Dordrecht in 1574 verplicht. Het votum was toen nog beperkt tot de woorden van onze tekst uit psalm 124 : 8. Onze hulp is in de naam des Heren, die hemel en aarde gemaakt heeft. Later is er wat aan toegevoegd. Die trouw houdt tot in eeuwigheid, uit psalm 146 : 6. En niet laat varen de werken zijner handen, uit psalm 138 : 8.

Als we het Nederlandse woordenboek opslaan bij "votum", staan er drie betekenissen achter: gelofte, aanvangswoorden van een protestantse eredienst, maar ook: uitgebrachte stem. Een lid van de tweede kamer kan bijvoorbeeld zijn votum van vertrouwen of wantrouwen geven aan de regering. Wel, we starten onze kerkdienst met het uitspreken van ons votum van vertrouwen in de Here. Onze hulp is in de naam des Heren. Is dat niet geweldig? Here, we steunen op U. We verwachten het van U. We zien naar U uit. We vertrouwen erop, dat U ons helpt, ons trouw blijft, ons niet los laat. In het bijzonder in deze kerkdienst, die we met elkaar beginnen, waarbij we toch helemaal van uw helpende aanwezigheid in Woord en Geest afhankelijk zijn. Maar verder altijd weer. Want wat is een mens zonder uw hulp?

Juist díe vraag wordt in psalm 124 indringend gesteld. Indringend door de dichtvorm van de herhaling. Ware het niet de Here, die met ons was, - zegge nu Israël - ware het niet de Hére, die met ons was, toen mensen tegen ons opstonden, dan hadden ze ons levend verslonden. Indringend ook door het even voor te stellen dat God zijn hulp niet zou geven. Dan, ja dan. De dichter ziet dan verschrikkelijke beelden voor zich. Het beeld van woeste wateren, die ons overstromen. Van een wilde beek, die zich over ons uitstort. Het doet denken aan de gierende storm en watersnood van 1953. Het doet denken aan een beek in een berggebied, die door hevige regenval een zich woest naar beneden stortende watermassa wordt, auto’s meesleurend, bruggen verwoestend, huizen ondermijnend en verschuivend. Hij gebruikt ook het beeld van een klein jong dier, een lam, een kalf, dat door een hongerige leeuw levend wordt verslonden. Buit in zijn tanden. Wat zijn we hopeloze en hulpeloze gevallen zonder de hulp van de Here. Wat kunnen ons dan vreselijke dingen overkomen. Wat zijn we dan zwak, nietig, ja volstrekt machteloos. Kortom, wat zijn we er dan ellendig aan toe.

Misschien kunt u er heel concreet van meepraten. Als de Here toen niet met me was geweest en me geholpen had. Toen bij die ernstige ziekte, in die zware depressie. Toen in die financiële crisis van mijn bedrijf, in dat noodweer op vakantie. Maar geprezen zij de Here, die ons niet overgaf. Hij bracht weer uitkomst en redding. Soms echt op het nippertje en wonderlijk. Als een vogel, die in het vangnet van een vogelvanger terecht komt, angstig gaat fladderen, zo steeds verder in het net verward en bekneld raakt, maar toch nog, waar de draad is stuk gegaan of een knoop niet goed gelegd, door een gaatje uit het net kan kruipen en weer vrij en blij de lucht in vliegt. Maar dat is dan juist een teken, dat het de Here alleen is geweest, die ons toen uit de nood hielp. Anders waren we er nooit uitgekomen. En zo kunnen we er soms ook heel persoonlijk van getuigen: mijn hulp is van de Here, die hemel en aarde gemaakt heeft.

Maar we kunnen het ook met elkaar zeggen. Als gemeente. Zoals David, de dichter van psalm 124, Israël, Gods gemeente van het oude verbond, opwekt om dat te doen. Zegge nu Israël, ware het niet de Here, die met ons was. En zoals hij het hun in dit bedevaartslied te zingen geeft: Onze hulp is in de naam van de Here. We krijgen de indruk, dat Israël door zijn vijanden sterk in het nauw was gedreven en bijna compleet onder de voet werd gelopen. Als de Here niet met ze was geweest, was er niets van ze overgebleven. Maar Hij had wonderlijk gered. Aan welk concreet voorval in Israëls geschiedenis we moeten denken, weten we niet. Het is trouwens meer dan eens gebeurd, zodat de psalm steeds opnieuw actueel werd.

En het is eigenlijk ook de positie van ons als gemeente van de Here in onze wereld. Overal liggen vijanden op de loer die het op die gemeente gemunt hebben, die graag als een overstelpende watervloed over haar heen willen rollen. En daar soms ook aardig in lijken te slagen. De ene keer is het via brute verdrukking en vervolging. De andere keer via sluwe infiltratie van wereldgelijkvormigheid. Wereldgelijkvormigheid in de seksuele moraal, in materialisme, in genotzucht, eerzucht. Want de vijanden van God en zijn volk willen niets liever dan dat die gemeente geen gemeente meer is, maar door de zee van deze wereld helemaal is overstroomd. We verkeren op aarde als volk van God, net als Israël, in een aangevochten, bedreigde situatie. In sommige streken en steden lijkt er van Gods gemeente inderdaad niet veel meer over. En waar nog wel redelijk grote gemeentes bestaan, zijn ze niet altijd even zuiver in leer en leven. En toch, de Here houdt zijn gemeente in stand, dwars tegen openlijke en verborgen vijandschap in. De Here helpt zijn gemeente door de stormen van de tijd heen, door de onstuimige stromingen van de wereldgeschiedenis heen. De Here geeft zijn gemeente niet over ten buit aan de tanden van die gevaarlijke leeuw, die brullend rond gaat, zoekende wie hij zal verslinden, de duivel. Hij helpt zijn gemeente om te blijven geloven in Hem, hopen op Hem. Hij helpt zijn gemeente om van de toekomst van Gods Koninkrijk te blijven dromen. Hij helpt zijn gemeente om met woord en daad van zijn barmhartigheid en gerechtigheid te blijven getuigen. Hij helpt zijn gemeente om Hem te blijven loven en prijzen in het lied. Hij helpt zijn gemeente om echt gemeente te blijven tot aan het eind der tijden. Hij helpt zijn gemeente vooral door middel van de heerlijke ontmoeting met Hem in de eredienst in zijn huis. We hebben het toch over de liturgie vanavond! En niet voor niets is psalm 124 een bedevaartslied, dat werd gezongen, als men naar de tempel in Jeruzalem trok. Onze hulp is in de Naam van de Here, die hemel en aarde gemaakt heeft.

Die hemel en aarde gemaakt heeft. Dat zegt alles van Gods macht om ons te kunnen helpen, tegenover onze machteloosheid. Want wie is machtiger dan degene, die alles heeft geschapen? Die in staat was om alles wat er is uit het niets te voorschijn te roepen? Van wie een andere psalm zegt: Hij sprak en het was er, Hij gebood en het stond er? Kijk eens naar de aarde en haar volheid! Naar die enorme bol. Naar de massa grondstoffen in die bol. Naar de landschappen aan de oppervlakte van die bol. Diepe zeeën, hoge bergen, wijde vlaktes, golvende heuvels. Naar alle bomen, heesters, bloemen, grassen, die er op groeien. Naar alle dieren, op het land, in de zee, in de lucht. Naar de mens en zijn gaven. Overweldigend. En dan hebben we het nog niet eens over de hemel. Laten we zeggen: over die onmetelijke onzichtbare wereld om ons heen en boven ons. Waarvan we ergens wel voelen dat die er is. Waarin we op grond van Gods Woord ook geloven. Maar waarvan we verder toch geen flauwe notie hebben. Ja, een machtig iemand, die dat allemaal heeft gemaakt. Ach, als onze hulp van Hem is, dan zit het toch goed? Dan mogen we toch alle vertrouwen in Hem hebben? Temeer daar ieder, die zich tegen Gods gemeente verheft, maar mens is, stof uit de aarde, al wordt die door de boze gestuurd. Ware het niet de Here, die met ons was, toen mensen tegen ons opstonden. Letterlijk staat er in de taal van het oude testament: toen adam tegen ons opstond. De mens in zijn stof zijn, zijn broosheid, zwakte, afhankelijkheid. En zo weegt de hulp van de Here toch veel zwaarder dan de tegenwerking van mensen?

Bovendien, zijn ook wij niet zuinig op wat we zelf gemaakt hebben? De kast, die we zelf getimmerd hebben, is ons veel meer waard dan elke andere kast. Naar 't schilderij, dat we zelf geschilderd hebben, kijken we wat vaker dan naar elk ander schilderij. Wat om zo te zeggen schepping van jou is, daar ga je niet onverschillig mee om. Zo laat God ook niet varen de werken van zijn handen. De aanvulling van het votum uit psalm 138. Zij het dat het daar een gebed is. Laat niet varen de werken van uw handen. En in het votum meer een belijdenis. Maar in ieder geval, God blijft ons, zijn schepselen, trouw. Tot in eeuwigheid. Dat is de aanvulling van het votum uit psalm 146. Welzalig hij die de God van Jakob tot zijn hulp heeft, wiens verwachting is op de Here, zijn God, die hemel en aarde gemaakt heeft, de zee en al wat daarin is, die trouw houdt tot in eeuwigheid. Heerlijk, God is machtig, overal. In hemel en op aarde. Hij is trouw, altijd, zelfs tot in eeuwigheid. Hij kan en wil helpen, overal en altijd.

Dat zit ook in zijn Naam. De Here. Onze hulp is in de naam van de Here. En "Here", Jahwèh, is de naam, waarmee God zich voorstelde aan Israël, het volk waarmee Hij zijn verbond van liefde en genade sloot. Mozes mag die naam noemen als het Israël uit de hand van de farao van Egypte gaat bevrijden.

Zeg maar: "Ik ben" heeft mij tot u gezonden. Jahwèh. Ik zal zijn die Ik zijn zal. Ik zal erbij zijn, altijd weer, in mijn grote trouw. Ik zal erbij zijn, volk van Mij, in je vreugde en je verdriet, in je rust en je strijd, in je welvaart en je honger en kommer, als je vrij bent en als je geknecht wordt, als je talrijk bent en als er maar een kleine rest van jou is overgebleven. Wat een troost, ook voor ons als gemeente.

Onze hulp is in de Naam van de Here. In zijn Naam. Dat is vreemd. Misschien klinkt het "votum" ons zo vertrouwd in de oren, dat we ons nooit hebben afgevraagd waarom er niet gewoon staat: onze hulp is van de Here, maar: onze hulp is in de naam van de Here. Als onze buurman ons zegt: wat heb je daar een mooi schuurtje in je tuin gezet, dan zeggen we mogelijk: ja, maar ik ben door Piet geholpen, maar toch niet: ik ben door de naam van Piet geholpen. Waarom is onze hulp van boven dan wel gelegen in de naam van God?

Dat komt, omdat die naam in de bijbel een begrip is met een heel speciale en rijke betekenis. Onze naam is een stukje van ons zelf, hoort bij ons. Wie onze naam zegt, denkt aan ons. Als we onze naam horen noemen, kijken we op of om, reageren we direct: het is tegen ons of het gaat over ons. Als we ons aan elkaar voorstellen noemen we onze naam. Met onze naam zijn we bij anderen bekend. En zo is het ook met de naam van de Here. Dat is de Here zelf, maar zoals Hij zich naar ons toewendt, Hij zich aan ons voorstelt, Hij de ontmoeting met ons aangaat, Hij tot ons spreekt, Hij bij ons bekend wil zijn. Met een theologisch woord gezegd: de naam van de Here is de Here in zijn openbaring. Nee, Hij gaat niet in zijn naam op. Hij heeft ook zijn verborgen en duistere kanten. Hij is oneindig veel meer dan wij kunnen beseffen en dan wat Hij ons van zichzelf laat weten. Maar, wat heerlijk, de Here is niet alleen maar een verborgen en onbekende God. Maar Hij heeft zich ook reddend, liefdevol aan ons mensen willen openbaren. Zijn volk mag Hem bij name kennen. Persoonlijk. Hij zegt: zie, hier ben ik. Ik ben de Here, uw God. Dat zei Hij om te beginnen tegen Israël en vooral in de tempel. Weer, niet voor niets is psalm 124 een pelgrimslied, dat op de reis naar de tempel gezongen werd. Hier in dit huis te Sion wil Ik Mijn volk ontmoeten. Hier wil Ik mijn Naam doen wonen, zoals de Here het zelf vaak uitdrukt in zijn Woord. En zo wil Hij ook hier in dit kerkgebouw voor ons zijn naam doen wonen.

En God heeft zich natuurlijk helemaal naar ons toegewend, heeft zich helemaal aan ons geopenbaard in de Here Jezus Christus. God heeft onder ons helemaal naam gemaakt door Hem. Naam gemaakt als de grote hulp in alle noden. Naam gemaakt als de vergever van onze zonden. Naam gemaakt als de schenker van blijdschap, geluk, vrede, recht. Naam gemaakt als de gever van eeuwig leven. Een Naam die vertrouwen wekt. Een Naam om op te bouwen, om te eren. En de Here zegt zo ook tot ons, hier in deze tempel van de christelijke gemeente: zie, hier ben Ik. Hier wil Ik je zeggen wie Ik ben en wat Ik doe in Jezus Christus, mijn Zoon. Hier laat ik mijn naam klinken. Laat Ik van mij vertellen door mijn dienaren. Hier mag je me ook bij de naam noemen. Mag je die naam aanroepen in je gebed, die naam bezingen in je lied, je geloof in die naam belijden.

Zeker, de Here is overal. Kan dus ook overal de ontmoeting met ons aangaan. Maar Hij doet het vooral hier in de eredienst. Hij is wel overal, maar niet overal op dezelfde manier. Hier is Hij vooral in zijn heilsopenbaring, in de bekendmaking van zichzelf als Verlosser in Jezus Christus. Hier houdt Hij zijn Naam hoog. Hier doet Hij zijn Naam wonen. Hier zijn we in zijn Naam bijeen. Hier vooral is onze hulp in de Naam des Heren. Hoe lieflijk, hoe goed is mij, Heer, het huis waar Gij uw naam en eer hebt laten wonen bij de mensen. Laten we de kerkgang toch niet onderschatten. Denken, dat het zonder dat ook wel kan. Hier moet je vooral wezen. Deze plaats heeft God gekozen voor de vestiging van zijn Naam op aarde in het lezen van zijn Woord, in de verkondiging van zijn Woord, in zijn zegen, in de doop in zijn Naam, in onze gebeden, liederen, geloofsbelijdenissen. Treedt statig binnen door de poort. Hier staat zijn troon, hier woont zijn Woord. Heft hier voor God uw lofzang aan; Gebenedijd zijn grote naam. De eredienst hier kan je dus nooit overschatten.

Ja, toch wel. Op één manier. Door te denken, dat het daarmee alleen al goed met je zit. Dat je door hier vaak in Gods huis te komen automatisch ook een echt kind van God zou zijn. En het geen consequenties zou hebben voor het leven van elke dag. Gods Naam is ook een heilige naam. Jeremía wijst daar op in zijn tempelprediking. Hij zegt namens de Here tot Israël: Luister goed, jij, die door deze poorten naar binnen gaat om de Here te aanbidden. Beter je handel en wandel. Denk niet in vals vertrouwen: des Heren tempel, des Heren tempel, des Heren tempel is dit. De Here is hier bij ons en wij zijn hier bij de Here en dus kan ons niets meer overkomen. Denk niet dat tempelgang een vrijbrief is voor een zondig bestaan, waarin de vreemdeling, wees en weduwe wordt onderdrukt, waarin je kunt stelen, doodslaan en overspel bedrijven. Kom je in dit huis, waarover mijn Naam is uitgeroepen en zeg je: we zijn geborgen, teneinde al deze gruwelen te bedrijven? Is dit huis, waarover mijn Naam is uitgeroepen, in uw ogen een rovershol? Denk eens aan Silo, waar Ik vroeger mijn Naam deed wonen en kijk wat Ik ermee gedaan heb om de boosheid van mijn volk. Er is niets van over. Ik ben méér dan mijn Naam. Ik kan ook uit mijn aardse huis vertrekken zonder dat Ik daardoor ook maar íets van mijn macht en heerlijkheid verlies. Het is pure genade dat Ik mijn Naam bij jullie doe wonen. En als het geen bekering tot gevolg heeft en jullie door een zondig leven mijn Naam blijven ontheiligen, wordt die Naam een holle klank, waar geen geestelijke kracht meer van uitgaat en die op de duur wegsterft. Daarom is het aanroepen van de naam des Heren hier in de kerk, ook al direct bij het votum, niet iets, dat vrijblijvend is en ons nergens toe verplicht, maar zijn consequenties heeft voor ons leven van elke dag. En daarom nemen we ook een biddende houding aan, als we zeggen: onze hulp is in de Naam van de Here, want God is er niet automatisch bij, maar alleen in zijn vrije genade. Het votum. Wat is dat? Een votum van vertrouwen in onze God aan het begin van elke kerkdienst. Een plechtige verklaring, waarin we nederig en oprecht uitspreken, dat alle hulp en heil van Hem is. Kan je een kerkdienst beter beginnen dan zo? Nee toch?
Naam van de Heer, die heilig zijt,
geprezen uw aanwezigheid.
Amen.

Plaats reactie


Beveiligingscode
Vernieuwen

Doorgrond mij, God, en ken mijn hart,
peil mij, weet wat mij kwelt,
zie of ik geen verkeerde weg ga,
en leid mij over de weg die eeuwig is.
Psalm 139 : 23 en 24