Inlogformulier


Zoeken


Website
Internet

De Bijbel

Mijn weg door de kerk Wil je weten over welke gedeeltes uit de Bijbel in deze website informatie staat?

Mijn Facebook

Ga naar: mijn Facebook

Contact

Agenda

themapreken over de liturgie

Zegen

Numeri 6 : 22 - 27, 2 Korinthe 13 : 10 - 13

Het laatst gehouden op 19 december 2004 te Hattem

Gemeente des Heren,

Het gebeurde zo’n twee en een halve eeuw geleden in Middelburg. De stadsoverheid had een nieuw soort belasting ingevoerd. Maar dat stuitte bij de bevolking op hevig verzet. Ook toen al vond men het niet leuk als men aan zijn portemonnee kwam. Reden voor de overheid om de ook nu nog in goede christelijke kringen bekende en graag gelezen Ds. Smytegelt, die daar toen stond, te vragen of hij wilde vermanen tot gehoorzaamheid. Ze wisten hoeveel invloed deze begaafde en geliefde predikant op de bevolking had. Maar het pakte anders uit. Want in de preek zei de dominee, dat er geen nieuwe belastingen nodig waren geweest, als de overheid de haar toevertrouwde middelen beter had beheerd. De gemeente zat natuurlijk te gniffelen. Goed, dat hij die hoge heren eens de mantel uit veegde. Maar men gniffelde te vroeg. Want toen de slotzang was gezongen en de gemeente gereed stond om de zegen te ontvangen, zei Smytegelt: Hoe zou ik een volk, dat de overheid niet gehoorzaam is, de zegen kunnen geven? En hij daalde zo van de kansel af. Maar de gemeente raakte helemaal van streek. Sommigen begonnen te huilen. En toen hij dat zag, ging Smytegelt toch terug en zei: Ik zie het, ik kan u niet ongezegend laten gaan. Ik zal u toch maar de zegen geven. Die is voor allen die berouw hebben en zich van hun weerspannigheid en ongehoorzaamheid bekeren. Het werd blijkbaar als belangrijk gevoeld om aan het eind van de kerkdienst Gods zegen te ontvangen. Men vond het verschrikkelijk om ongezegend naar huis te gaan. Men kende het gevoel dat Jacob had bij de Jabbok: Here, Ik laat u niet gaan, tenzij Gij mij zegent.

En dat besef leeft nog steeds. Ik heb eens gehoord van een stokdove man, die totaal niets meer van de preek kon verstaan en toch trouw naar de kerk kwam omdat hij de zegen niet wilde missen. En het wordt wel eens gezegd met wat relativerende humor maar toch ook enige ernstige achtergrond: De preek, daar had ik vandaag niet zoveel aan, maar ik heb in ieder geval de zegen meegekregen.

Ook onder jongeren leeft het besef hoe waardevol dat laatste onderdeel van de liturgie is. Zo vertelde een catechisant me in een vorige gemeente dat hij het zo oneerbiedig vindt en zich er aan stoort als gemeenteleden zo vlak voor de zegen hun jas al pakken en aandoen, hun collectegeld tevoorschijn halen, in ieder geval al aanstalten maken om de kerk te verlaten. Zo, nog even een paar woordjes van de kansel en dan kunnen we naar huis, naar de koffie. Alsof die paar woordjes van de zegen niet meer belangrijk zijn. Dat zijn ze juist wel. Daar past dus eerbied bij.

En gelijk had hij. Want de zegen is toch niet minder dan een collectieve handoplegging. En ga eens na wat een plechtig gebeuren het is, als door handoplegging het huwelijk van een bruidspaar wordt ingezegend en bevestigd, als door handoplegging een kandidaat tot dominee wordt bevestigd.

We vinden dit gebruik al in het oude verbond. Bij het verlaten van de tempel na de offerdienst krijgt het volk Israël Gods zegen mee. En het is met name de taak van de priesters om die zegen te geven. Aäron en zijn zonen kregen er speciaal de opdracht voor. En die vervullen ze dan ook. We lezen bijvoorbeeld in Leviticus: Toen hief Aäron zijn handen op over het volk en zegende het; daarna daalde hij af, nadat hij het zondoffer, brandoffer en vredeoffer gebracht had. Maar we lezen ook van koning David: toen hij gereed was met het brengen van de brandoffers en vredeoffers, zegende hij het volk in de naam van de Here der heerscharen. De koning doet blijkbaar ook priesterlijk werk voor zijn volk. Verder brengt Zacharias het reukoffer in de tempel. Maar als hij naar buiten komt om het wachtende volk te zegenen, kan hij niet spreken, zijn straf omdat hij geen geloof schonk aan de engel, die voorspelde dat hij en Elizabeth nog een kindje zouden krijgen, die als heraut de komst van de Zaligmaker zal aankondigen, Johannes de Doper. Een verhaal dat past in deze adventstijd. En wonderlijk, dat de zegen steeds in samenhang met de offerdienst genoemd wordt. Ach, zo wonderlijk is dat goed beschouwd helemaal niet, omdat we immers in wezen niet Gods zegen, maar integendeel, Gods vloek waard zijn vanwege onze zonden. Gods toorn en doem. Gods straffen en plagen. En als Hij, de Heilige en Rechtvaardige, ons dan toch wil zegenen, dan moet daar genadige verzoening bij te pas gekomen zijn. En de offers wezen naar die verzoening, beeldden die verzoening uit. En wij geloven toch dat de Here Jezus die verzoening tot stand bracht door het offer van zijn leven aan het kruis? Daarvoor is Hij toch vooral naar de aarde gekomen zoals we deze week gaan vieren op het Kerstfeest. Zegende Hij ook niet zijn discipelen en in hen de hele wereld bij zijn hemelvaart, nadat Hij op de heuvel van Golgotha voor verzoening met God en vergeving van zonden had gezorgd? Dat maakt Gods zegen des te heerlijker. Dat het een zegen is om Jezus' wil. Een zegen, waar iets enorms voor gedaan moest worden, maar ook gedaan is. Door Hem. Dat het een onverdiende, genadige zegen is, die voortkomt uit het volbrachte werk van de Here Jezus. Dat is toch om stil van te worden. Dat is inderdaad iets om figuurlijk en letterlijk heel eerbiedig bij stil te staan aan het eind van de kerkdienst.

Maar wat is dat nu, de zegen? Het Nederlandse woord schijnt afgeleid te zijn van het Latijnse signum, teken. De zegen is een bijzonder teken van God, een bijzonder signaal van God in woord en gebaar. Het teken, dat Hij goed voor ons wil zijn, ons zijn goede gaven wil geven, ons met zijn goede daden wil omringen. Ik zeg het met opzet met het woordje "goed" omdat het Griekse woord voor zegenen, dat we vaak in het nieuwe testament tegenkomen, en ook het Latijnse woord voor zegenen letterlijk betekent: het goede zeggen, het goede aanzeggen, het goede over iemand uitspreken. Wat is dat heerlijk! God spreekt het goede over ons uit. Daar kan je dan inderdaad mee verder. Dan ga je weer met nieuwe hoop en vertrouwen het dagelijks leven in. Het Kerstfeest vieren. En het nieuwe jaar in. Er kan ons allerlei kwaad overkomen. Maar de Here is met zijn goedheid bij ons. Mensen kunnen ons kwaad doen. Maar de Here doet ons goed. Ons kan allerlei onthouden worden. Maar de Here onthoudt ons het goede niet. Want, en dat wil de zegen ook zeggen, de goede God legt de hand op ons leven. Neemt bezit van ons leven. Overkoepelt, omringt, omvat ons leven. We zijn voortaan steeds binnen zijn handbereik.

Hij zegt het zelf zo, als Hij Mozes opdraagt om Aäron en zijn zonen te laten zegenen. Zo zullen zij mijn Naam op de Israëlieten leggen. En Gods naam, dat is God zelf zoals Hij zich naar ons toewendt en reddend met ons bezig wil zijn. Heilzaam bij ons aanwezig wil zijn. Dus als Gods Naam op ons gelegd wordt bij de zegen, wil dat zeggen, dat God zelf zich met ons verbindt en Hij met ons meegaat in alles wat we in het leven doormaken, in gezondheid en ziekte, in voorspoed en tegenslagen, in vreugde en verdriet. Hij zal er bij zijn. Zijn naam zegt dat ook. Het is de naam "Here" die driemaal in de priesterlijk zegen gehoord wordt en zo drievoudig op de Israëlieten gelegd wordt. De Here zegene en behoede u. De Here doe zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig. De Here verheffe zijn aangezicht over u en geve u vrede. De Here. Jahweh. Ik ben die ik ben. Ik zal er bij zijn. In mijn trouw. In mijn ontferming. In mijn troost. En in mijn bevrijdende daden. Want niet voor niets maakte God zich met deze naam aan Mozes bekend toen Hij een begin maakte met de verlossing van Israël uit Egypte.

Ja, Gods zegen blijkt zo toch wel iets bijzonders. Een heel krachtig woord, zo aan het eind van de kerkdienst. Echt een soort afsluitend hoogtepunt. Nog een korte en krachtige herhaling van het rijke volle evangelie.

Maar hoe krachtig is dat woord precies? Want daar heerst nog wel eens onduidelijkheid over. En dat komt bijvoorbeeld ook doordat de predikanten de zegen aan het eind van de tweede Korinthebrief verschillend uitspreken. De een maakt er een stellig feit van: De genade van de Here Jezus Christus en de liefde van God en de gemeenschap van de Heilige Geest ís met u allen. De ander maakt er een vrome wens van: zíj met u allen. En de derde laat het in het midden door het werkwoord weg te laten: met u allen. Voor dat laatste is een reden, want in het Grieks vinden we ook geen werkwoord, al klinkt het zonder dat in het Nederlands niet fraai. En een reden is toch ergens ook, dat de waarheid in het midden ligt tussen "is" en "zij", terwijl we dat in onze taal maar moeilijk kunnen weergeven. De zegen is in ieder geval meer dan een vrome wens, die wij mensen elkaar bij het afscheid aan het eind van de kerkdienst meegeven. Want het is ook geen woord van een mens, al wordt het door een mens vertolkt. Het is niet minder dan het Woord van God zelf. Het heilig, machtig Woord van God. We proeven dat toch heel sterk overal waar in de bijbel van zegenen sprake is. Men ervaart het duidelijk als een sterk werkzame kracht van boven. Als iets dat echt invloed op het leven heeft. Ja, enorme gevolgen kan hebben tot in de verre toekomst. Denk eens aan de gevolgen van Gods Woord tot Abraham, de vader van Israël en de vader der gelovigen: Ik zal u zegenen, en tot een zegen stellen. Denk eens aan de enorme doorwerking van de zegenspreuken die Jacob aan zijn kinderen gaf op zijn sterfbed. Een doorwerking van eeuwen voor alle 12 stammen. Denk met name aan de belofte aan Juda, dat van hem de scepter niet zal wijken, uit hem dus de ware messiaanse koning voort zal komen. Kortom, de zegen is Gods machtige Woord, dat Hij Zelf waar maakt, Hij Zelf tot feiten maakt. En dat het Gods machtig en gezaghebbend Woord zelf is, maken we ook duidelijk met de kerkelijke regel, dat de zegen eigenlijk alleen gegeven kan worden door wie in het ambt staat, wie dus door God gekozen en geroepen is om zijn tolk te zijn, om met ambtelijk gezag namens Hem te spreken. Het is een stellige toezegging, een vaste belofte van de Here, dat Hij in zijn liefde en goedheid met ons mee trekt met alle heerlijke gevolgen van dien. Het is ook een belofte, die net als alle andere beloftes in het evangelie, in Christus ja en amen is. We mogen er staat op maken, erop vertrouwen, er ons aan vastklampen, er zeker van zijn.

Maar het is aan de andere kant toch ook weer niet een onder alle omstandigheden vaststaand feit. De gunstige werking van Gods zegen is geen automatisme. We mogen er niet op een magische manier mee omgaan. We zijn in de kerk geweest. We hebben de zegen ontvangen. Dus het zit wel weer snor, hoe we ook leven. In het heidendom werd gedacht dat de zegen van de goden zo werkte. Maar de God van Israël maakt zijn volk duidelijk waar Hij zijn zegen wel aan geeft en waaraan niet, doch integendeel: zijn vloek. De vloek vanaf de berg Ebal voor ieder, die zich niet aan Gods geboden houdt, in zonde en ontucht leeft, andere goden en machten dient. De zegen vanaf de berg Gerizim voor ieder die aandachtig naar de stem van de Here luistert en zijn geboden opvolgt. En zo klinkt het ook in psalm 24: wie mag de berg des Heren beklimmen en in Gods heilige woonplaats staan? Die rein is van handen en zuiver van hart, die zijn ziel niet op valsheid richt, noch bedrieglijk zweert. Die zal van de Here een zegen wegdragen. En zo kunnen we met onze concrete levenswandel de zegen van God aanvaarden en afwijzen. Zond de Here Jezus zijn discipelen zo ook niet uit? Welk huis gij ook binnentreedt, zegt: Vrede zij dit huis. En indien daar een zoon des vredes is, een vredelievend iemand, die voor je openstaat, dan zal uw vrede op hem rusten, maar zo niet, dan zal hij tot u terugkeren. Kortom, Gods zegen vraagt als antwoord geloof. Geloof in de zin van vertrouwen en gehoorzaamheid. De zegen vraagt erom beantwoord te worden met ons "amen".

Met dat antwoord kan je liturgisch nogal wat kanten op. De voorganger kan het "amen" uitspreken in naam van de gemeente. Eerlijk gezegd niet zo fraai en een beetje verwarrend omdat hij net in naam God de zegen uitsprak over de gemeente, en die rolverwisseling zo wel erg snel op elkaar volgt. De gemeente kan het "amen" uitspreken of zingen. Maar hoe dan ook, dat "amen" hoort er wel bij. Als het antwoord van geloof en vertrouwen in wat de Here ons in de zegen toezegt.

En wat Hij ons toezegt, dat horen we dan nader in de twee zegenspreuken, die het meest gebruikt worden. Allereerst die uit het oude testament. De woorden waarmee Aäron en zijn zonen de Israëlieten moest zegenen. De Here zegene en behoede u. We moeten daarbij in eerste instantie aan gewone aardse zaken denken. Aan de zegen van gezondheid. De zegen van werk. De zegen brood op de plank. De zegen van maatschappelijke welvaart en welzijn. De zegen van vrede en vrijheid in onze samenleving. De zegen van kinderen, van een goed huwelijk, een fijn gezinsleven. Kortom de zegen van geluk en voorspoed. Juist in het oude testament neemt Gods zegen deze heel concrete vormen aan. Het was een zegen dat Abraham een grote veestapel kreeg en rijk werd. Het Was een zegen, dat Sara nog een zoon kreeg. Vinden we het allemaal heel gewoon dat we gezond van lijf en leden zijn? Dat we een goeie boterham verdienen? Dat we een goed thuis hebben? Of ervaren we het als dagelijkse zegeningen van de Here, waarvoor we Hem heel dankbaar zijn? De Here zegene en behoede u. Ik denk dat we geen flauw idee hebben, waarvoor we dagelijks door de Here behoed worden. Waartegen Hij ons voortdurend bewaakt en beschermt. Tegen ziektes. Tegen ongevallen. Tegen natuurrampen. Tegen oorlog. Noem maar op. Steeds verkeren we in doodsgevaar en steeds houdt God de dood nog van ons. Steeds is daar voor ons nog het heden der genade. Wat een schenkende zegen en een behoedende zegen van de hemelse Vader, waarmee we voortdurend omringd worden. Toch iets om telkens heel eerbiedig bij stil te staan.

De Here doe zijn aangezicht over u lichten. Wat wordt er gewoon menselijk over God gesproken in deze zegen. Over zijn aangezicht. Om maar duidelijk te maken, dat Hij belooft ons heel persoonlijk nabij te zijn in ons leven van elke dag. Want je gezicht is toch je persoonlijke identiteit naar anderen toe. Anderen herkennen je er aan. Ze ontmoeten je, zien je, spreken je, luisteren naar je via je gezicht. En zo wil de Here in zijn liefde en trouw voortdurend persoonlijk met ons omgaan, ons aanzien, naar ons omzien. En ons dat ook in ons hart laten merken. Steeds weer laten voelen, dat Hij bij ons is. Zo heeft God op het Kerstfeest voor ons een heel menselijk gezicht gekregen. Het gezicht van Jezus. De Zoon die sprekend zijn Vader is. In zijn grote goedheid. Kerstfeest is ook het feest van het licht. We steken kaarsjes aan, laten de kerstboom branden en feestverlichting. Omdat licht ons vreugde wil geven en de donkere angsten en zorgen wil verjagen. Zo wil de Here steeds een licht in ons leven zijn. Heerlijk als 's morgens het duister wijkt en een stralende zon ons toelacht, ons licht en warmte geeft, ons uitnodigt de nieuwe dag met moed en ijver in te gaan. Zo wil God zijn aangezicht over ons doen lichten als een stralende vriendelijke zon, die vreugde schept in ons leven. Zo wil de Here ons hele bestaan in het licht zetten van zijn trouw, zijn liefde, in de Here Jezus Christus.

De Here verheffe ook zijn aangezicht over u. Een uitdrukking die wil zeggen, dat de Here de ogen naar ons opslaat, steeds met grote belangstelling naar ons kijkt. Voortdurend zijn ogen op ons gericht zal hebben vol zorg en vriendschap. Waar we ook heen gaan, Hij gaat mee. Zijn blik zal ons volgen. Dat zal niet ieder als prettig, als een zegen, voelen. En toch, zelfs als we kwaad in de zin hebben en we voelen dan Gods ogen in onze rug, is dat een zegen, omdat de Here ons zo van het kwade weerhouden wil. Ja zelfs als we al kwaad gedaan hebben en we voelen die ogen, is dat een zegen omdat de Here ons zo tot berouw en inkeer brengen wil. En is het vooral geen zegen om te weten, dat Gods oog op ons gevestigd is als we ons eenzaam voelen, teleurgesteld, verdrietig, ja misschien zelfs wanhopig? Vriendelijke ogen zijn bij God van eeuwigheid. En hoever we voor ons gevoel ook van Hem verwijderd zijn, Hij blijft ons zien. Juist in de psalmen, waarin we de gelovigen van het oude testament in het hart kijken, horen we hoe ze in hun noden roepen: doe uw aanschijn lichten over uw knecht. O God der heerscharen, herstel ons, doe uw aanschijn lichten, opdat wij verlost worden. Verberg uw aangezicht niet voor mij, wijs uw knecht niet af in toorn. Maar in diezelfde psalmen klinkt het ook juichend: Welzalig het volk, dat de jubelroep kent, zij wandelen, Here, in het licht van uw aanschijn. Overvloed van vreugde is bij uw aangezicht. En zo is God ons genadig en geeft Hij ons zijn vrede. Zo blijkt Hij een liefdevolle ontfermende God. Zo is het goed bij Hem. Zo sticht Hij zijn vrede, in ons en om ons heen. En dat aangezicht van God heeft – nogmaals - voor ons vooral de gelaatstrekken van de Here Jezus Christus. Het Kerstkind. En in Hem, de Vredevorst, is Hij ons genadig en geeft Hij ons zijn vrede.

En dat wordt heel duidelijk uitgedrukt in de zegenspreuk uit het nieuwe testament die dikwijls wordt gebruikt. De genade van de Here Jezus Christus en de liefde van God en de gemeenschap van de Heilige Geest zij met u allen. Heerlijk, de genade van de Here Jezus gaat voorop. In de meeste brieven acht Paulus daarmee ook voldoende gezegd. Die sluit hij af met: de genade van onze Here Jezus Christus zij met u allen, of: zij met uw geest. Want daarmee is alles gezegd. Als die genade, die onverdiende gunst, goedheid en liefde bij je is, als je die met je meedraagt, dan heb je toch het allernoodzakelijkste, het allerbelangrijkste, het allermooiste in je leven te pakken? Leven in een verzoende verhouding met God ondanks je fouten en tekorten. Geborgenheid voor tijd en eeuwigheid. Wat is rijker dan dat?

Immers, in en achter de genade van de Here Jezus zit niets anders als de liefde van God. Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft. De liefde van mensen is al zo belangrijk voor ons. Ja haast levensnoodzakelijk. De liefde van je man, je vrouw, je ouders, je kinderen. Wat is het leven moeilijk, als die liefde onder zware spanning staat of langzaam maar zeker verkoeld en verkild is. Wat is het leven zwaar als je niemand hebt, die werkelijk om je geeft, die echt van je houdt. Maar wat ben je rijk gezegend als je door liefde van mensen omringd wordt. Heerlijk om daar dagelijks iets van te voelen in de omgang met elkaar. Hoeveel te meer is de liefde van God van geweldige betekenis. Helemaal een rijke zegen. Wat geeft dat ons leven glans en gloed, kleur en fleur. Van God Zelf gehoord te hebben dat Hij van je houdt. Dat zijn liefde met je is.

Evenals de gemeenschap van de Heilige Geest. We kunnen daarbij aan twee dingen denken. Aan de inwoning van de Heilige Geest in ons hart. Aan zijn heerlijk werk in onze geest. Ons daar geloof schenkend. Ons daar losmakend van zonden. Ons daar liefde tot God en de naaste gevend. Ons daar lust gevend om de Here te dienen. Ons daar barmhartigheid gevend voor de medemens in nood. Ons daar goede raad en wijsheid gevend. Ons daar gaven gevend om te gebruiken voor de opbouw van Gods kerk en voor de werving van anderen voor Gods Koninkrijk. Ons daar troost en hoop gevend in de grootste noden. Wat heerlijk, dat vernieuwende werk van de Heilige Geest. Maar we kunnen ook denken aan de gemeenschap, die de Heilige Geest tot stand brengt tussen mensen die in de Here Jezus geloven. De gemeenschap der heiligen. Een vriend te zijn, een metgezel van allen, die Gods Naam ootmoedig vrezen. Een broeder en zuster te zijn van wie de Here Jezus volgen. God zegent ons zo ook met elkaar. Het is een zegen een ander kind van God te ontmoeten, van hart tot hart te ontmoeten.

En Hij zegent ons allen. Zij met u allen. Dat is heel ruim. Niemand wordt uitgezonderd. We krijgen allemaal deze geweldige dingen van God toegezegd. Niemand is er te oud of te jong voor. Is er te arm of te rijk voor. Is er te dom of te knap voor. Niemand is er een te groot zondaar voor. Als we er maar in geloof "amen" op zeggen. Zullen we dat doen? Ook allemaal? Ja, amen, Vader, ja, Gij zult ons niet beschamen! Het woord van uw genâ blijft eeuwig ja, in Christus ja en amen.

Amen.

Plaats reactie


Beveiligingscode
Vernieuwen

Doorgrond mij, God, en ken mijn hart,
peil mij, weet wat mij kwelt,
zie of ik geen verkeerde weg ga,
en leid mij over de weg die eeuwig is.
Psalm 139 : 23 en 24