Inlogformulier


Zoeken


Website
Internet

De Bijbel

Mijn weg door de kerk Wil je weten over welke gedeeltes uit de Bijbel in deze website informatie staat?

Mijn Facebook

Ga naar: mijn Facebook

Contact

Agenda


Wil je eerst het gedeelte uit de bijbel lezen? ja

Psalm 62 : 2a

Voor 't laatst gehouden op 17 augustus 2014 in de Dorpskerk te Sliedrecht

Stil tot God

Gemeente des Heren,

Het is vakantietijd. Ik weet niet wat ú graag doet, als u vakantie hebt, maar veel mensen verlangen dan maar naar één ding: de stilte. Geen gekrioel van lichamen op volle stranden. Geen gegil en gelach in nog vollere pretparken. Geen slenteren door drukke winkelstraten en stinkende warenhuizen. Maar de stilte! Hoog in de bergen, of diep in de bossen, of ver op het water. Ze zoeken eenzaamheid, rust, stilte!

Begrijpelijk. Als je op je werk de hele dag kwebbelende mensen om je heen hebt, wil je wel eens alléén zijn. Als je steeds in het geroezemoes van fabrieks- en kantoorgeluiden zit, wil je wel eens van de stílte genieten. Of naar geluiden luisteren, die geen ónrust geven, maar juist kalméren, het fluiten van een vogel, het ruisen van de bomen, het kabbelen van water. Als je steeds achter de notities in je agenda aan jaagt, van de ene bespreking en vergadering naar de andere, wil je ook wel eens stil en rustig liggen luieren of een boek zitten lezen, terwijl niets echt móet.

Natuurlijk heb je ook mensen, die niet tegen de stilte kúnnen. Zij zoeken het liefste overvolle plaatsen op. De stadscentra. De stranden bij mooi weer. Ikea op een koopzondag, weg de sabbatsrust. Of ze dansen in het vrije weekend tot diep in de nacht bij keiharde muziek. Het lijkt wel of zij ángst voor de stilte hebben. Bang zijn daarin zichzélf tegen te komen, geconfronteerd te worden met hun hólle lége leven. Ze vermijden elke bezinning.

Maar bij véél mensen is het andersóm. Zij denken: hadden we maar tussen alle drukte in óók momenten van stilte, bezinning, van afstand nemen, bijtanken. Dan waren we ‘s zomers ook niet zo hard aan vakantie toe, stapten we op de eerste vakantiedag niet met de tong op de schoenen in de auto, moe en prikkelbaar door een overwerkt lichaam en een overspannen geest.

Het is waar. We hebben nu en dan stílte nodig. Niet alleen in die paar weken vakantie, maar steeds.

Maar dat is niet álles. Want daarmee is nog níet gezegd, dat je die stilte goed gebrúikt en zo núttig voor je is. Wat dóe je met die stilte? Hoe vùl je die?

Er zijn er, die in de stilte hun gedachten laten weg dwalen in dagdromen over ideale toestanden, die nooit werkelijkheid worden, of geweldige plannen, die ze nooit uitvoeren. Ze vluchten in een dróómwereld en óntvluchten zo de realiteit. Da’s een onvruchtbare stilte, men is eigenlijk lúi.

Er zijn er, die de stilte gebruiken om op iets te bróeden. Bijvoorbeeld een sluw plannetje. Ook dát is geen positief gevulde stilte.

Er zijn er, die zich door hun lééd in de stilte terugtrekken. Ze werden werkeloos, raakten failliet. Ze verloren een geliefde. En in hun verdriet sluiten ze zich op in de stilte van het isolemént. Ze komen het huis niet uit. Zijn tot niets te bewegen. Zwijgzaam, gesloten, zitten ze te piekeren over dat ene. Het houdt ze zó bezig, dat de rest van de wereld voor hen niet meer bestaat. Hun gedachten blijven in een cirkeltje ronddraaien. In een spiraal, die steeds dieper de put in leidt. De put van zwaarmoedigheid en wanhoop. Ook dat is een stilte, waaraan je je beter niet kunt overgeven. Herkennen we dit? Hebben we deze waarschuwing misschien nét even nodig?

In wezen hebben al deze stiltes iets gemeenschappelijks. Dat je met je zélf bezig bent, je op je zélf gericht bent. Je stárt én eindigt bij je zelf. Daarom is het meestal een stilte, die niet veel oplevert. Want er zit geen bewéging in.

Weet u, wat de béste stilte is? Die, waarbij je ook bij je zélf begint, je ínkeert tot je zelf, maar je met al wat je bezig houdt, richt op Gód. Het is een geestelijke beweging van je zélf vandaan naar Gód toe. Het is de stilte tot God. Letterlijk in het hebreeuws: heus, tot Gód is mijn stilte.

In een andere psalm staat: wentel uw weg op de Here. Stil zijn tot God is: onze héle levensweg naar de Hére toe wentelen. In wéér een andere psalm lezen we: werp uw zorg op de Here. Stil zijn tot God is alles, wat ons met zorgen geeft, waar we over piekeren en tobben, van ons afwerpen, naar de Here toe.

Stil zijn tot God is: in het gebed tegen Hem spreken, alles uitspreken, al je noden en zorgen, ook al je zonden.

Stil zijn tot God is óók naar Hem lúisteren, je voor Hem ópen stellen, letten op wat Hij tegen je wil zeggen via de bijbel, via Zijn stem in je hart. Stil zijn tot God is de volle concentratie op Hem, je overgevend aan het werk van Zijn Geest.

En zo kunnen we vakantieuren gebruiken om stil te zijn tot God. Maar we moeten er natuurlijk vooral in het leven van elke dag momenten voor reserveren. Toen David deze psalm dichtte wist men nog lang niet wat vakantie was. Doe dat! Wees maar vaak stil tot God.

Maar dat kan alléén als je écht in Hem gelooft. Óngeloof en twíjfel maken je onrustig, werpen je op je zelf terug. Dat gebeurt juist óók in eenzame momenten, waarin je al gauw te veel piekert. Dan blijft er in de stilte soms niets over als angst, zorg, onrust. Maar gelóóf en vertróuwen in de Here maken je rustig.

Dát geloof belijdt de dichter ook: "van Hem komt mijn redding." De Here bevrijdt mij uít de engte en stelt mij ín de ruimte. Hij verlost mij uit allerlei ketens, waaraan ik ben vastgeklonken en geeft mij de vrijheid.

Als christenen denken we dan gelijk aan dé Redder, de Here Jezus, die óók steeds eenzame plekken, zoals bergen, en stille uren, zoals laat in de avond of vroeg in de morgen, gebruikte voor het contact met zijn hemelse Vader. De Here Jezus door wie God ons zijn redding ons schonk.

"Hij alleen is mijn rots en mijn redding." Op een rots sta je stevig. Je wankelt niet. Een rots is ook de beste fundering om een huis op te bouwen. Zo'n huis doorstaat storm en overstroming. Is God zo de vaste rots van ons behoud, als de zonde of het leed ons benauwt? Door Jezus Christus?

Maar een rots is ook om in te schúilen. In de rotsholen, de spelonken, kun je je verborgen houden voor je vijanden. Denk maar aan David, die zich op de vlucht voor Saul daarin verborg. Zien we God zo als een schuilplaats in gevaren, die ons voor benauwdheid trouw zal bewaren? En dat door Jezus Christus?

Zo kan de Here ons als rots vastheid en bescherming geven. Dat vertelt ook de vólgende vergelijking in onze psalm. Hij is mijn burcht, mijn torenhoog kasteel, niet in te nemen. Een vaste burcht is onze God, zong Luther.

Zo wisselen in deze psalm de beelden, waarin de dichter zijn vertrouwen in God uitzingt, elkaar af. Je stilt tot God keren is allereerst: je vól vertrouwen aan Hém uitleveren, gelovend, dat om Jezus' wil jouw leven bij Hem in goede handen is.

Ik hoop zo, dat wij dit vertrouwen in God kennen. Is dat zo? Alleen dán kunnen onze stille momenten van bezinning over de Here goed en rijk zijn.

Vaak dénken we wel aan God, maar zijn we daarbij vervuld van vrágen, twíjfels, wántrouwen. Lijkt het wel, of we tobben: van Hem is niet mijn heil maar mijn ónheil. Waarom geeft Hij ons die ziekte, eenzaamheid, narigheid? Overdenken we echter zùlke zaken in de stilte, dan komen we geen stap verder.

Maar betekent dat dan, dat in die stilte tot God het onheil, dat ons treft, hélemaal geen plaats heeft? Dat we tot die stilte alléén kunnen komen, als we ons met een dikke olifantshuid afsluiten van wat ons dagelijks bezig houdt?

Helemáál niet. De dichter gaat juist dáármee in de stilte tot God. Hij ontlaadt voor Gods aangezicht de spánning in zijn hart. Zó spontaan, dat hij zelfs de vijand, die het op hem gemunt heeft, toespreekt, alsof die bij hem zit. “Hoe lang nog lang stormen jullie op mij aan? Jullie allemáál tegen mij alléén? Jullie beuken op mij in als een stormram tegen een al overhellende wand en ingedeukte muur. Hij overdenkt ook hoe zijn vijand hem van zijn hoogte wil storten. Ze bakken wel zoete broodjes, maar achter zijn rug om verwensen ze hem. Boven psalm 62 staat: een psalm van David. Dat staat boven veel psalmen. Soms heeft David de psalm zelf gedicht, soms is de psalm van later datum en in een bundel terecht gekomen, die naar David is genoemd. Is David inderdaad de dichter van onze psalm, wat voor de hand ligt, dan gaat het mogelijk om de slinkse streken van Absalom en zijn kornuiten, die David van de troon hebben gestoten en tot vluchteling gemaakt.

Hoe het ook zij, ook wíj hebben állemaal zo onze eígen levensomstandigheden. En die zijn niet altijd even prettig. Soms heb je het gevoel, dat álles misloopt, íedereen tegen je is, je níemand meer kunt vertrouwen. Soms zie je je zelf als een muur op instorten. Nog éven en je leven is een compléte puinhoop geworden.

Wát het allemaal is, spreek het uít bij God, in de stílte van je hart en uit de grónd van je hart. Maar wèl in hrt vertrouwen, dat Hij je ondanks alles hoort in je zuchten en roepen, Hij je wil redden, je bij Hem veilig bent. Wèl in het vertrouwen, dat Hij, wát er ook gebeurt, je redding, je rots, je burcht ís en blíjft. Zó bouw je in je stil zijn tot God nieuwe weerstand op, nieuwe moed en hoop.

Dan hoeven de moeilijke levensomstandigheden nog níet direct te veranderen. Dan vraag je je misschien nét als de dichter af: hoe lang blíjft het nog zo? Hoe lang vallen jullie nog aan? Maar dan sta je er wèl anders tegenóver. Dan kom je tot rust in de onrust, tot onbezorgdheid in de zorgen, tot een lach tussen de tranen door.

Gaat dat vanzelf? Néé, zúlke minnaars van de stilte zíjn wij niet, nog afgezien van die speciále stilte tot Gód. We moeten die bewust zóeken, er ons zelf toe ópwekken. De verzen 2 en 6 vormen een refréin in onze psalm. Ze zijn bíjna hetzelfde, vooral in het hebreeuws. Maar juist dáárdoor is het kleine verschil opvállend. In vers 2 staat: Mijn ziel is stil tot God. Een feit. In vers 6 staat: mijn ziel, wéés stil tot God. Een aansporing. We moeten ons zelf er dus toe áánsporen.

Allereerst al wat de ógenblikken van stilte en bezinning betreft. Want we denken er geen tíjd voor te hebben. Er is zóveel, dat ons in beslag neemt. We laten ons vaak opjagen door wat niet eens de moeite waard is. Ons dagelijks leven lijkt vaak op een wervelwind, die niet tot rust wil komen. Als we ons zelf er niet toe áánzetten, vinden we nóóit rust. Laten we dus bewúst momenten van stilte en inkeer zóeken. Élke dag, al is het maar even. Elke wérkdag, maar zéker elke vrije dag, zaterdag, zóndag, vakantiedag. Ogenblikken van stil zijn tot God. Ogenblikken, waarin we ons in de eenzaamheid terugtrekken, ons in onze kamer opsluiten. Ogenblikken, waarin we ongestoord en ongezien de verborgen omgang met de Here in de praktijk kunnen brengen, met gebed, lezing en overdenking van een stukje uit de bijbel, bezinning op wat we déden - evaluatie, zoals dat tegenwoordig heet - en op wat we zùllen doen. Nog weer even over Luther: weet u, wat híj deed, als hij 's morgens opstond en zag, dat zijn agenda extra vol was? Dan maakte hij de stille tijd met God, waarmee hij de dag begon, niet kórter, maar juist lánger. Hij wist, dat hij alleen in die stilte tot God de geestelijke kracht kon verwerven om het véle, dat hem wachtte, ook góed te volbrengen. En toen was hij géén monnik meer, maar stond hij als hervormer mídden in het bruisende leven. Hij had véél van zijn oude monnikenbestaan losgelaten, naar níet de dagelijkse retraites, die stiltes tot God. Dat is, plat uitgedrukt, géén roomse poespas. Dat hoort bij het ware christelijke leven. Ik wou, dat we elke dag de kloosterbel hoorden luiden, u begrijpt wat ik bedoel.

Er is onrustbarend veel geestelijke armoede, oppervlakkigheid en onkunde ontstaan door gebrek aan stille tijden. Er is ook veel spanning, overspannenheid en onbezonnenheid door ontstaan.

En al klinkt het héél persoonlijk: míjn zíel is stil tot God, al gaat het om het gesprek tussen mij en de Here, dat sluit niet uit, dat het tegelíjk met ánderen gebeurt. We kunnen als gezínsleden een gezamenlijke stille tijd afspreken. Ook elke kérkdienst is zo'n tijd van stil zijn tot God. De eredienst heeft allerlei aspecten, waaronder dit, dat je je losmaakt uit het drukke leven voor een moment van toewijding aan de Here, bidden tot Hem, je open stellen voor Hem.

Volgens de uitleggers moeten we het ons ook zó voorstellen, dat de dichter als opgejaagde vluchteling een asiel, een toevluchtsplaats vindt in het heiligdom van God. Daar vindt hij bescherming en rust. In de nabijheid van de Here.

Heeft God ons niet een speciale dág van stilte tot Hem gegeven? De sabbat! Nu bij ons de zondag. Heeft God ons niet een speciaal huís van stilte gegeven? De kerk! Laten we onze momenten van stilte tot God toch bewust zoeken. Dagelijks en wekelijks. Thuis en in de kerk. Alleen en met anderen. Buiten en in de vakantie. Laten we er ons zelf steeds toe opwekken.

En niet alleen dáártoe, maar óók tot het vertrouwen, waarmee die stilte gevúld moet zijn. Hiervan maakt de dichter ook een refrein om het zich maar goed in te prenten. "Van hem blijf ik alles verwachten. Hij alleen is mijn rots en mijn redding, mijn burcht, ik zal niet wankelen". Als ons vertrouwen in God wordt áángevochten, zijn er de stille tijden voor om het weer óp te wekken. Het is alsof je het je zelf áánpraat. Ook in de psalm lijkt het of de dichter zichzelf aan het oppeppen is. Tóch wordt later áltijd weer beleden: niet de stem van mijn eígen geest spoorde mij tot geloof aan, maar de stem van de Heílige Geest, die juist tégen die eerste stem ín moest praten. Het was een strijd ín mezelf, mét mezelf, tégen mezelf. En in die strijd gaf ik niet zélf, maar gaf de Hére mij de rust en overgave van het vertrouwen in Hem.

Maar is die stilte zo toch niet louter een privé-aangelegenheid? Ben je zo niet met jezelf en God bezig, terwijl de médemens helemaal uit het gezichtsveld is verdwenen? Is zo niet sprake van geestelijk egoïsme, návelstaren?

Zéker niet, want hwt persóónlijk geloofsleven is ingebed in het geloofsleven van de hele christelijke geméénte. Je weet je zelfs in je intiemste geloofservaringen verbonden met medegelovigen, die óók elk hun band met God hebben. En je wilt er anderen van vertellen, want waar het hart vol van is, loopt de mond van over.
Komt, luistert toe, gij Godgezinden.
gij, die den Heer van harte vreest,
hoort, wat mij God deed ondervinden.
wat Hij gedaan heeft aan mijn geest.

Je hoopt, dat wat je zélf meemaakte en leerde, anderen tot nut zal zijn. Als je zelf ervaart, dat God het vertrouwen in Hem niet beschaamt, maar er Zijn zegen aan verbindt, wil je, dat ook ánderen die zegen ontvangen en wek je hen op om óók op deze God te vertrouwen.

Als we van een vakantie terugkomen, hebben we er anderen, familieleden, vrienden, héél wat van te vertellen. We willen onze verhalen over wat we zagen en meemaakten gráág kwijt. Willen we onze verhalen over wat we met Gód beleefden, óók graag kwijt?

Zo gaat ook de dichter met zijn ervaringen naar zijn volksgenoten, die in de tempel bijeen zijn. En hij zingt het bij hen uit: "Vertrouw op hem, mijn volk, te allen tijde. Open voor hem uw hart. God is onze schuilplaats."

De stilte tot God komt niet alleen je zélf, maar ook ánderen ten goede. Wie in de stilte véél ontvangt, geeft óók veel door. Wie daarin levenswijsheid opdoet, kan met die wijsheid ánderen van dienst zijn. Zo horen we in de tweede helft van onze psalm opmerkingen en raadgevingen, die van die wijsheid getuigen.

Ten eerste blijkt, dat je door de ogenblikken van stilte tot God meer áfstand gaat nemen tot allerlei dingen om je heen. Je gaat er doorhéén zien. Je gaat er de betrékkelijkheid van inzien.

Zo blijken wij mensen dan niet meer dan een ademtocht, lucht. En leggen we zelfs met z'n allen maar héél weinig gewicht in de schaal, ook alleen maar lucht. Wat maken we ons druk om wat niet die moeite waard is. Wat hebben we vaak angst voor dingen, waarvoor we niet hoeven te vrezen. In de periodes van stilte tot God leren we dat inzien. Dan zeggen we: zo God vóór ons is, wie zal tégen ons zijn?

Door de stille omgang met God leer je bóven alle menselijk en kleinmenselijk gedoe te staan, zelfs al zetten ze de stormram in je leven.

Door die omgang leer je óók af je vertrouwen op macht en rijkdom te stellen. En je waarschuwt anderen, die in de verleíding komen om het te doen. "Vertrouw niet op geweld", op het doorzetten van je macht en invloed ten koste van anderen. "Noch op geroofd bezit", op het vermeerderen van je bezit ten koste van anderen. "Ook al groeien geld en goed, houd je hart ervan vrij". In de stilte tot God ontdek je, dat macht en rijkdom de grote afgoden zijn, die je van God vandaan willen trekken en funest zijn voor je geestelijk leven. Laat toch niemand zijn ziel daaraan uitleveren! En leer van Jézus hoe je dat voorkomt.

Stil zijn tot God is vooral luísteren. Je luistert extra scherp naar Zijn Woord. Je overdénkt het. Je zegt het nog eens na in je hart. Je "herkauwt" het. En zo dringt het pas góed tot je door. "Eenmaal heeft God gesproken, tweemaal heb ik het gehoord". Konden we maar van véél dingen zeggen: God heeft het één keer tegen me verteld, in de bijbel, in een preek. Maar ik heb het twéé keer gehoord, want ik heb het mezélf ook nog eens gezegd. Ik heb het verwérkt en me zelf íngeprent in mijn stille tijden voor Gods aangezicht. Wat zou dán het geloof diep in ons leven post vatten.

En wat is het dan voorál, wat de Here ons vertelt en we twee maal, dubbel en dwars, tot ons moeten laten dóórdringen? Zijn macht en ontferming. "De macht is aan God. Bij u, Heer, is ontferming". Hij is stérk en góed. Hij kán en wíl álles voor ons. Het zijn de eigenschappen, waarvan we bij elke nieuwe ontmoeting met God een diepere indruk krijgen. Zijn macht, maar ook zijn liefde en genade in Jezus Christus.

En zó, met díe indruk en dát geloof, in de stilte tot God ontvangen en gegroeid, kunnen we het gewone leven weer aan, ons werk, onze zorgen en verantwoordelijkheden. Na een zondag, na een vakantie. Vanuit de stílte de drúkte weer in! Want ook dát hoort bij ons bestaan. En ook dát doen we voor Gods aangezicht.

Het laatste woord van onze psalm is vreemd genoeg: daden. "U beloont ieder mens naar zijn daden, zijn werk". We kunnen immers niet altíjd stil zijn tot God. Er moet ook gewérkt worden als we er de gezondheid en kracht voor ontvangen. Er moet ook na een vakantie, een vrij weekend, weer gewerkt worden. Van dat werk zullen we zelfs tegenover de Here rekenschap moeten afleggen.

Maar dat werk zal góed zijn, we zullen er ook níet zo gauw overspánnen van raken, als het wordt vooráfgegaan én gevólgd door periodes, waarin onze ziel stil is tot God. Ik wens u veel zulke vruchtbare stille tijden toe.

Amen

Plaats reactie


Beveiligingscode
Vernieuwen

Liefdevol en genadig is de Heer,
hij blijft geduldig en groot is zijn trouw.
Niet eindeloos blijft hij twisten,
niet eeuwig duurt zijn toorn.
Psalm 103 : 8 en 9