Inlogformulier


Zoeken


Website
Internet

De Bijbel

Mijn weg door de kerk Wil je weten over welke gedeeltes uit de Bijbel in deze website informatie staat?

Mijn Facebook

Ga naar: mijn Facebook

Agenda


Wil je eerst het gedeelte uit de bijbel lezen? ja

Richteren 13 : 1 - 5

Voor 't laatst gehouden op 19 juli 1998 te Rijnsburg

Aankondiging van Simsons geboorte

Gemeente des Heren,

Simson is een van de boeiendste en wonderlijkste mensen, die we in de bijbel tegenkomen. Wat zijn de verhalen over hem spannend. Als ze aan onze kinderen worden verteld, door ons zelf als hun vader of moeder, door de leerkracht op school of de leiding van de zondagsschool, luisteren ze met open mond. En wij, ouderen, zijn misschien veel van vroeger vergeten, maar niet, hoe wij toen ook met rooie oortjes van Simson hoorden vertellen. Die krachtpatser. Die vandaag de wedstrijden om wie de sterkste man van de wereld is, met het grootste gemak zou winnen. Hij scheurt zomaar een leeuw uiteen, als was het een stuk papier. Hij vangt zomaar een paar honderd vossen om ze met hun staarten aan elkaar te binden en brandende fakkels daartussen te plaatsen. Hij neemt zo maar een stadspoort op zijn rug en sjouwt die bovenop een berg. Wanneer hij met de sterkste touwen is vastgebonden, laat hij ze zo maar losknappen als was het het slapste garen. Hij slaat zo maar duizend vijanden dood met een bot, een ezelskaak.

Simson heeft altijd tot de verbeelding gesproken. Dichters zijn door hem geboeid geraakt. Joost van den Vondel, Jacob Cats, Revius en de bekende engelse dichter Milton, hebben dichtwerken aan hem gewijd. Schilders zijn door hem geïnspireerd. Vooral Rembrandt. Hij heeft Simson meerdere keren op het doek vastgelegd. Componisten niet te vergeten. De bekende Händel schreef een schitterend oratorium over hem. Zelfs Hollywood, de filmwereld, maakte dankbaar van hem gebruik. De film "Simson en Delila" ging indertijd de bioscopen langs.

Maar al worden we allemaal door die prachtige verhalen over Simson geboeid, aan de andere kant hebben we er ook wel moeite mee. Roepen ze vragen bij ons op, brengen ze ons in verwarring. Simson mag dan een richter van God zijn, maar hoe zit dat dan met zijn zedelijk wangedrag, zijn erotische avonturen met slechte vrouwen? Zijn explosies van kracht mogen dan gevolg zijn van het feit, dat de Geest van de Here over hem vaardig wordt, maar hoe zit dat dan met al dat brute geweld, die moord en doodslag? Knijpt de God, die wij door Jezus hebben leren kennen als een God van liefde, hier een oogje dicht bij de ontaarding van de liefde in liederlijke ontucht en bij de omkering van de liefde in wrede vijandschap? Het zijn verhalen, die ons boeien, maar ook wel afstoten. Want Simson blijkt een reus, maar toch ook een zwakkeling. Zeker, God verlost zijn volk, maar met wat voor een man en op wat voor een manier? Het stuit ons soms gruwelijk tegen de borst.

Ik hoop in de prediking over deze richter iets van Gods boodschap die in deze wonderlijke verhalen zit, aan u door te geven. Vandaag hebben we het allereerst over Simsons geboorte, liever gezegd, aan wat daar zelfs nog aan vooraf gaat. De aankondiging ervan.

Het is een donkere periode in Israëls geschiedenis. Dat blijkt wel uit het eerste vers. De Israëlieten deden opnieuw wat kwaad is in de ogen des Heren. Toen gaf de Here hen over in de macht van de Filistijnen, veertig jaar. Het zijn woorden, die we in het boek Richteren regelmatig tegenkomen. Het is een soort refrein. Het is om zo te zeggen het aloude, stomvervelende liedje van ons aller zondigheid. Telkens wekt Israël Gods toorn op door Hem ongehoorzaam te zijn en afgoden achterna te lopen. Telkens worden ze ervoor gestraft doordat God ze overgeeft in vijandige handen. Telkens redt de Here hen in zijn goedheid weer uit die handen door middel van een richter. Maar telkens ook vergeten ze daar dankbaar voor te wezen en vallen ze in het oude kwaad terug, wat God opnieuw bestraft. Het is een cirkelgang, waar niet valt uit te breken. De worsteling tussen God en zijn verbondsvolk is er een met steeds kerende kansen zonder dat er een beslissing valt.

Misschien, dat we het óók wel herkennen in ons eigen leven. We horen tot de christelijke gemeente. Tot het volk van God. We zijn door Gods grote genade aan Israël gekoppeld door het verlossend werk van de Here Jezus Christus. Maar wat zijn wij ook vaak een lastig volk van God, net als Israël. Dan vergeten we de Here te dienen, leiden we ons eigen leven. Dan doen we alleen maar wat goed is in onze eigen ogen en dat is dan nogal eens kwaad in de ogen van de Here. Dan onderscheiden we ons in denken en doen in niets van de moderne heiden. Tot we vastlopen en worden stil gezet. Door ziekte. Door relatieconflicten. Door een maatschappelijke dreun op ons hoofd. Door wat voor nare tegenslag dan ook. En dan gaat vaak ons geweten spreken. Ik deed het eigenlijk ook helemaal verkeerd. Ik leefde maar raak. Dan gaan we God weer nodig krijgen, omdat we beseffen ons zelf niet uit de put te kunnen optrekken. Het is vaak de zware weg, waarlangs de Here ons laat weten: je was me wel vergeten, maar Ik ben er ook nog. Hij maakt ons dan klein, machteloos, hulpbehoevend, en leert ons zo tot Hem de toevlucht te nemen. Het is zelfs een teken van zijn trouw en liefde dat Hij ons niet met rust wil laten, maar ons door de tegenslagen onrustig maakt. We zijn in geestelijk opzicht vaak zó doof en blind, dat het met harde hand moet, maar Hij zal zorgen, dat we toch weer oor en oog voor Hem krijgen.

En dan toont Hij ons vroeg of laat toch ook weer zijn goedheid en ontferming, zijn hulp en reddende macht. We worden door hem uit nood en zorgen gehaald. Doch helaas, als het allemaal weer een poosje van een leien dakje gaat, smelten de vreugde en dankbaarheid weg, en vergeten we de Here opnieuw. Begint het van voren af aan. Het oude liedje, net als bij Israël. Want er zijn zoveel machten, ook in deze moderne en welvarende tijd, die ons lokken en van de Here vandaan trekken. Eigenlijk heel bedroevend. Je kunt het je zelf ook wel eens erg kwalijk nemen, dat het vaak zo gaat. Maar we zijn niet beter dan Israël. Wij zijn ook zulke lastige kinderen van God. Ik denk aan een gedicht, dat tegelijk een gebed is en waarin de dichter tot God zegt: Ge zult nog dikwijls met me strijden moeten, voordat Ge me geheel bezitten zult. Herkennen we dit?

Israël is trouwens wel heel diep gezonken. Want het verkeert al veertig jaar onder de macht van de Filistijnen. Het niet verloste, niet vrije leven, het leven schatplichtig aan de bezetter, het leven vol angst voor plundering en doodslag, het leven met vijanden, die zich aan God noch gebod storen, is zó gewoon geworden, dat ze niets anders meer weten en het verlangen naar Gods verlossing nagenoeg verdwenen is. We lezen immers niet eens dat het volk tot God roept om hulp en uitkomst. Deze keer zendt Hij ongevraagd een nieuwe richter in de persoon van Simson. Zover kan het ook met ons komen. Bij hoevelen is dat al niet het geval, dat ze onverlost en ongelukkig leven, zonder echte vrede in het hart, temidden van het moderne heidendom, terwijl ze geen weet meer hebben van een God, die hen toch nog bij name kent en tot wie ze mogen roepen in hun nood.

Maar hoe diep we ook vallen, we vallen niet zomaar buiten Gods trouw en ontferming. Hoe lang we ook in de hand van kwade machten vertoeven, we zijn daarmee nog niet uit Gods hand verdwenen. Gelukkig niet. We blijven zijn kinderen, al hebben we ons nog zo ver en nog zo lang van Hem verwijderd. En Hij weet ons altijd weer terug te roepen tot Hem.

Dat zien we ook bij Israël. De Here neemt na die lange donkere tijd toch de draad van zijn verbond weer op. En dat doet Hij op zijn eigen, wonderlijke manier. Stil en verborgen. Bij twee heel gewone mensen. Uit die geringe stam van Dan. Bij ene Manoach en zijn vrouw van wie de naam niet eens vermeld wordt. De Here begint meestal aan de onderkant van de samenleving en niet aan de bovenkant. Hij kiest meestal geen machthebbers en rijken uit, geen mensen met een grote naam, maar heel eenvoudige mensen, die in deze wereld over het hoofd worden gezien en geen naam hebben. Denk ook maar aan Jozef en Maria. Zo diep daalt Hij reddend naar ons neer. Zo zeer sluit Hij niemand uit: Ook u en mij niet. Zo zeer kan Hij ieder inschakelen in zijn heilsplan. Ook u en mij. Dat mag ons gerust stellen. Dat mag ons hoop en moed geven. Die gewone man, vrouw, die gewone jongen, dat gewone meisje, dat ik ben, daar kan de Here met zijn liefdevol reddend werk nog op aansluiten. Die kan de Here nog in zijn dienst stellen en gebruiken als een steentje in de opbouw van zijn Koninkrijk. Daar kan de Here nog wonderlijke wegen mee bewandelen.

Nu was deze vrouw onvruchtbaar en baarde niet, zo staat er. Kinderloos te zijn, was in Israël heel erg. Je mist niet alleen de rijkdom van vader en moeder te zijn, een erfgenaam te hebben, en iemand, die op je oude dag voor je zorgt, maar bovenal wordt de lijn van het verbond, dat God vanaf Abraham, zijn vriend, bevestigt van kind tot kind, afgebroken. En de kans, dat de Messias, de grote Verlosser, uit jouw nageslacht voortkomt, is verkeken.

Laten we toch ook eens met elkaar liefdevol denken aan het stille verdriet en de schrijnende pijn van kinderloze echtparen. Want al zijn we in de meeste gevallen biologisch zó gezond dat we kinderen kunnen krijgen en al heeft de medische kennis en techniek ook op dit punt veel bereikt en talloze echtparen, bij wie het verlangen naar een kind niet snel vervuld werd, kunnen helpen, toch zijn er nog genoeg mannen en vrouwen, die deze vorm van levensverrijking en levensvervulling moeten missen. Mannen en vrouwen, die met heimelijke of duidelijke jaloersheid kijken naar ons, die wel vader of moeder mogen zijn. Mannen en vrouwen, die altijd iets hebben weg te slikken in een doopdienst. Voor wie zo'n dienst geen feest is, maar een beproeving. Laten we voor ze bidden. En laten we nooit vergeten, dat het, om het met een bijbelse uitdrukking te zeggen, de Here is, die de baarmoeder opent, de Here is, die ons met kinderen zegent. Onze eigen verantwoordelijkheid mag door de medische vooruitgang op dit punt groter geworden zijn dan vroeger en die verantwoordelijkheid hebben we in volle ernst te dragen, onze afhankelijkheid is er niet minder om geworden. We nemen geen kinderen, we plannen geen kinderen, we krijgen kinderen. Uit Gods hand. Hij heeft in alles de hand. Hij heeft ook daar de hand in. Ten volle. Dat lezen we toch duidelijk in onze tekstgeschiedenis. Daarin zit met eerbied gezegd de predictor, de voorspeller, niet in een pakje, dat je bij de drogist haalt, maar is het een engel. De engel des Heren vertelt het, dus de Here weet het, dat deze vrouw nu onvruchtbaar is, maar binnenkort zwanger zal worden en een zoon zal krijgen. De Here weet, wat in het verborgene van de moederschoot gebeurt. Hij weet het niet alleen. Hij leidt het, regelt het. Zijn we er echt dankbaar voor, dat we kort of langer geleden, kinderen of kleinkinderen mochten ontvangen? Hebben we het echt als een wonder van de Schepper beleefd? Hebben we ons echt afgevraagd, waar we zoveel zegen aan verdiend hebben? En geloven we, dat God zo ook aan de oorsprongen van óns leven staat?

Gij hebt mij immers zelf gemaakt,
mij met uw vingers aangeraakt,
met toegewijde tederheid
mijn nieren en mijn hart bereid,
mij in de moederschoot geweven,
mij met uw wonderen omgeven.

Geloven we, dat ons bestaan geen stom toeval is, maar door God gewild en tot stand gebracht, en daarom door God geleid en vastgehouden, bij God geborgen, door God bedoeld, door God daarom ook een zin en bedoeling gegeven? Dat Hij niet laat varen het werk, dat zijn hand begon?

Nu vinden we in de bijbel vaak het motief, dat God juist aan wie naar de mens gesproken geen kinderen kunnen krijgen, een bijzonder kind geeft. Denk maar eens aan de wijze waarop Abraham en Sara Izaäk kregen, Hanna en Elkana Samuël kregen, Zacharias en Elizabeth Johannes de Doper, Jozef en Maria Jezus. Wat wil dat zeggen? Wel, als het om onze verlossing gaat, dan is er van de kant van ons mensen alleen maar dorheid en doodsheid, machteloosheid en vruchteloosheid. Dan zijn we allemaal even onvruchtbaar en impotent. Dan verwekken wij niets, brengen wij niets voort, planten wij niets voort. Dan gebeuren er geen dingen, die in de lijn liggen van onze menselijke prestaties en mogelijkheden. Het ware, volkomen, eeuwige heil, de ware vrede, vrijheid en gerechtigheid, zal niet de hoogste trap zijn van menselijk kunnen, menselijke macht, menselijke evolutie. Door ons wordt die ontwikkeling juist steeds weer afgebroken en omgebogen. Het valt van mensen niet te verwachten. Heeft dat ons al klein en nederig gemaakt, beschaamd en schuldbewust? Uit ons geen vrucht in der eeuwigheid.

Maar nu sluit de Here juist bij zulke machteloosheid en vruchteloosheid aan om zijn reddend werk te doen. Dat helemaal zijn werk is. Waar Hij alleen alle eer van zal krijgen. Hij doet het aan mensen en met mensen, en toch doet Hij het alleen. Geen prestaties of verdiensten van onze kant. Zijn verbond met ons is echt een genadeverbond. Juist als we Hem onze machteloosheid moeten belijden: Here, ik breng er niets van terecht in mijn leven, ik breng niets voort, dat bij uw heil en uw Rijk hoort, er is bij mij zoveel dat in geestelijke vruchteloosheid eindigt, heeft Hij ons op de rechte plaats en kan Hij zijn zaligmakende zegeningen aan ons kwijt, zullen we nog grote dingen van Hem beleven.

En zo kondigt de engel aan, dat Manoach en zijn vrouw een zoon zullen krijgen. Het zal een bijzonder kind zijn, een bijzonder middel in Gods hand om Israël te helpen tegen de Filistijnen. Door de Here vanaf het prille begin van zijn leven daartoe afgezonderd en uitgekozen. Een Nazireeër. Wat is dat voor iemand? We lezen er ook van in de wetten van het boek Numeri. Daar is het iemand, die een plechtige belofte aflegt om zich voor een bepaalde tijd in het bijzonder aan God te wijden. Je zou het kunnen vergelijken met een jongere, die een diaconaal jaar doet, die besluit een jaar van zijn leven op te offeren aan de medemens in nood, door als vrijwilliger in een inrichting te gaan werken of ontwikkelingshulp te gaan doen. Of met mensen die eigen vakantieweken opofferen om anderen van het evangelie te vertellen op straat en op campings. Er wel eens aan gedacht om een kortere of langere periode van je leven echt iets heel anders te doen, in de dienst van God? Waarschijnlijk is de oudste vorm van het nazireeërschap niet een tijdelijke, maar een voor het hele leven, zoals hier bij Simson. Dat doet dan eerder denken aan iemand, die zonder tot priester gewijd te zijn, in een lekenorde intreedt, een soort monnik of non wordt, en zo zijn leven aan God wijdt. Dat kunnen ook protestanten. Denk maar aan de diakonessen. In Nederland zijn ze haast niet meer te vinden, maar in de vakantie hebben we in de Lutherstad Eisenach nog verschillende gezien met hun bekende kleding en kapje. Denk ook aan de broeders van Taizé.

En eigenlijk waren die nazireeërs zo wandelende en levende predikers, die met hun voorbeeld en levenswijze iedere israëliet lieten voelen: zo hoor ik ook te zijn als verbondskind van God. Zo ben ik ook geroepen. Zo is God het waard, dat ook ik mijn leven volkomen aan Hem toevertrouw en wijd, dat de Here over mijn hele bestaan beschikken mag. En geldt dat ons ook niet? We binden ons niet graag. We leggen niet zo gauw plechtige geloftes af, bang dat we zullen falen in het nakomen ervan. We plaatsen het al gauw in de hoek van de dweperij. Stel je voor, de mannelijke leden van de zendingscommissie ondertekenen een plechtige verklaring, dat ze zich niet zullen scheren tot ze 25.000 euro bij elkaar hebben voor bijbels naar China.

Toch leggen we allemaal op zijn tijd geloftes af tegenover God. Als we in de kerk een ambt aanvaarden, in de kerk trouwen, in de kerk bij de doop van ons kind het ja-woord uitspreken. Dan beloven we toch Hem lief te hebben, ons leven Hem te wijden, onze oude natuur te doden en in een nieuw godzalig leven te wandelen. Ja, we zijn als gedoopte verbondskinderen toch eigenlijk ons hele leven aan God gebonden. We zijn niet van ons zelf, maar van Hem, van jongs af aan. We zijn allemaal heel persoonlijk door God geschapen en door God gekozen, apart gesteld om Hem te dienen. En dat gold van de Nazireeërs in heel bijzondere zin. Als voorbeeld.

Daarom ging dat nazireeërschap ook gepaard met uiterlijke tekenen, die dat zichtbaar maakten. Zoals de diakonessen en broeders van Taizé dat met hun kleding doen. Ze mochten geen wijn of sterke drank drinken. Niet de roes van de alcohol moest hen geestdriftig maken, maar de Geest van God. Ook iets om in deze tijd te beseffen. Een tijd met zoveel alcoholmisbruik. Onder jong en oud. Ze mochten niets onreins eten. Ze mochten niet in aanraking komen met een dode. Want God is de God van het leven. En ze moesten hun haar laten groeien. Het haar werd gezien als teken van levenskracht, door God verleend. Ook in de griekse mythologie vinden we verhalen, die in die richting wijzen. Het schijnt, dat ook de soldaten in die tijd hun haar lieten groeien en los lieten hangen als teken van levenskracht en zich niet schoren eer de vijand was geweken. Soms hoor je het nog wel eens, dat iemand belooft, zijn baard te laten staan zolang hij iets nog niet heeft volbracht.

Maar wat nu het wonderlijke is, Simsons moeder moet zich al vóór de geboorte in acht nemen, geen wijn of sterke drank drinken en niets onreins eten. En zo rekening houden met de bijzondere levenstaak van haar kind. We wensen als ouders allemaal vurig, dat onze kinderen gelukkig worden. Dat ze een rijk en zinvol leven krijgen. Dat ze zelf gezegend worden en voor anderen tot zegen zullen zijn. En vooral als we ze ten doop hebben gehouden, wensen we toch, dat ze kinderen van God worden. Dat de Here ze zal dragen, verzorgen, leiden, redden. Dat de Here ze zal gebruiken in zijn Koninkrijk: Misschien dromen we er wel heimelijk van, dat wij heel bijzondere kinderen hebben of krijgen, kinderen, met wie de Here een bijzondere weg gaat. Maar dan zullen we toch allereerst zelf ons leven moeten richten en inrichten naar wat de Here vraagt. Dan moeten we ook zelf al direct wat die afzondering en toewijding betreft één zijn met onze kinderen. Zoals Simsons moeder dat moest wezen. Want we kunnen moeilijk van onze kinderen hopen en verwachten wat we zelf niet nakomen. Er is een heel bijzondere intieme en verborgen band tussen ouders en kinderen, zelfs al vóór de geboorte. Juist een moeder kan dat zo goed aanvoelen. Die band moet dan ook het geestelijk terrein beslaan, dat van Gods verbond met ons. Dat we al met het oog op het geestelijk welzijn en geluk van de kinderen, die uit ons voortkomen, zelf ons leven vormen naar Gods wil. Dat vóór onze kinderen ter wereld komen, in het leven en samenleven van ons als ouders als het ware al voorwerk is gedaan, de bodem al gelegd is voor Gods verbondswerk aan hen. Door onze gehoorzaamheid aan Gods wil. Door een leven dat dan al voorbeeldig is. Dat is een moederschap en vaderschap, dat je niet op een cursus leert, maar van de Here. En daar kun je ook nooit te vroeg aan beginnen. Iemand vertelde Napoleon, dat zijn kind drie jaar oud was en hij het langzamerhand tijd vond worden om met de opvoeding te beginnen. Napoleon reageerde: je bent al drie jaar te laat.

En zo moest ook Simsons moeder met haar manier van leven al direct inspelen op de bijzondere taak, die haar kind zou krijgen. Hij zal een nazireeër van God zijn en hij zal een begin maken met de verlossing van Israël uit de macht der Filistijnen. Hij zal een begin maken. Hij zal het niet afmaken. Een echte en afdoende verlosser zal hij niet zijn. Daarvoor was hij bij al zijn lichamelijke kracht geestelijk toch veel te zwak. Daarvoor waren er in zijn leven te veel zwarte bladzij's en heeft hij zich teveel door de vijand beet laten nemen. Hij was wel een richter Gods, maar vraag niet hoe. De Here heeft in Simson maar vreemd materiaal uitgekozen om zijn volk te hulp te schieten. De Here zal zelf dikwijls het hoofd erbij geschud hebben. Latere richters en koningen hebben de filistijnen zwaardere slagen toegebracht, als Samuël en David. Maar de uiteindelijke richter, de uiteindelijke verlosser van de kwade machten, de uiteindelijke brenger van de overwinning en van vrede en recht, dat is de Here Jezus Christus. Veel uitleggers nemen aan, dat Mattheüs daar ook op zinspeelt, wanneer hij een woordenspel speelt met de naam Nazareth. Jezus woonde daar met Jozef en Maria opdat in vervulling zou gaan wat door de profeten gesproken is, dat Hij Nazoreeër zou heten. Hoe dan ook. Jezus is de ware Nazireeër, en de ware Richter en Redder. Hij is het kind, ook zo wonderlijk ontvangen en geboren, dat alle boze machten heeft overwonnen. Hij heeft niet een begin gemaakt met de verlossing van Israël en ons. Hij heeft die verlossing volledig tot stand gebracht. De diepste verlossing: die van onze zonden. De beste verlossing: die van de duivel. De hoogste verlossing: die van de dood. Hij heeft aangevuld waarin Simson tekort kwam en dat was heel veel. En daarom hoop ik, dat we, oud en jong, in Hem mogen geloven. Het mogen dienen en volgen. Want wie dat doet, zal echt verlost zijn van alle kwade machten. Amen.

Plaats reactie


Beveiligingscode
Vernieuwen

Doorgrond mij, God, en ken mijn hart,
peil mij, weet wat mij kwelt,
zie of ik geen verkeerde weg ga,
en leid mij over de weg die eeuwig is.
Psalm 139 : 23 en 24