Kop

De website van Arie Tromp

Kies uw taal
Pick your language

Mijn gegevens

  Adres: Populierenlaan 30,
                 2925 CT Krimpen aan den IJssel
  Vaste telefoon: 0180 522828
  Mobiele telefoon: 06 44046099

  Adres in: Google Printview
  Email: info@dsatromp.nl

ATromp

Ezechiël | יחזקאל


Ezechiël . 2 : 8 - 3 : 3 en Openbaring 10 : 8 – 11

Eet deze boekrol


Wil je eerst de gedeeltes uit de bijbel lezen?
Ezechiël 2 : 8 - 3 : 3 Nieuwe Vertaling
  1. En gij, mensenkind, hoor wat Ik tot u zeg; wees niet weerspannig gelijk het weerspannige geslacht; doe uw mond open en eet wat ik u geef.
  2. Toen zag ik en zie, een hand was naar mij uitgestrekt; en zie, daarin was een boekrol.
  3. En Hij rolde ze voor mij open; zij was beschreven aan de voorzijde en aan de achterzijde: daarop waren klaagliederen geschreven, gezucht en gejammer.
  1. Hij zei tot mij: Mensenkind, eet wat gij hier voor u ziet; eet deze rol en ga heen, spreek tot het huis Israels.
  2. Toen opende ik mijn mond, en Hij gaf mij die rol te eten.
  3. En Hij zei tot mij: Mensenkind, laat uw buik deze rol die Ik u geef, in zich opnemen en vul er uw binnenste mee. Toen at ik die op, en zij was in mijn mond zoet als honig.
Openbaring 10 : 8 – 11 Nieuwe Vertaling
  1. En de stem, die ik gehoord had uit de hemel, hoorde ik wederom met mij spreken en zij zeide: Ga heen, neem het boek, dat geopend ligt in de hand van de engel, die op de zee en op de aarde staat.
  2. En ik ging heen tot de engel en zeide tot hem, dat hij mij het boekje zou geven. En hij zeide tot mij: Neem het en eet het op, en het zal uw buik bitter maken, maar in uw mond zal het zoet zijn als honing.
  3. En ik nam het boekje uit de hand van de engel en at het op, en het was in mijn mond zoet als honing, maar toen ik het gegeten had, werd mijn buik bitter.
  4. En er werd tot mij gezegd: Gij moet wederom profeteren over vele natien en volken en talen en koningen.

Eet deze boekrol

Gemeente des Heren,

Papier hier, papier hier, zegt Holle Bolle Gijs met wijd open mond in de Efteling. Dus eten we zelf het snoepje op en stoppen we het papiertje, dat eromheen zat in zijn mond. Niet andersom. Want een sprookjesfiguur mag papier eten maar wij niet. Want wij zijn een mensenkind, zoals Ezechiël steeds tegen zich hoorde zeggen. En die eten geen papier.

Toch lezen we in de bijbel over twee dromen, waarin dat wel gebeurt. Een van Ezechiël en van Johannes. En ze moeten niet maar een stukje papier oppeuzelen, maar nota bene een heel boek, een boekrol. Bij de gedachte alleen al smaakt het pepermuntje onder de preek ineens niet zo lekker meer.

Maar het gaat natuurlijk om het idee achter deze vreemde dromen. Wat willen ze zeggen? Tegen Ezechiël en Johannes, maar ook tegen ons.

En daarvoor moeten we eerst weten wat voor boek het is, dat moet worden opgegeten. Wel, Ezechiël hoort in zijn droom steeds de stem van God. Deze geeft hem de opdracht om zijn woorden tegen het volk Israël te spreken. Je zult tegen hen zeggen: zo spreekt de Here Here. En zo is het ook God, die de boekrol voor hem uitrolt en hem opdraagt die te eten. En Johannes hoort een stem uit de hemel, de woonplaats van God. En hij krijgt de boekrol van een engel, een dienaar van God. In beide dromen gaat het dus om het boek van God. Om het geschreven woord van God. Wij zouden zeggen: de bijbel. Dat boek is door allerlei mensen geschreven. Andere mensen waren er weer bewerkers en redacteurs van. In een eeuwenlang proces. Maar het was uiteindelijk van God afkomstig, werk van zijn heilige Geest door mensen heen. Dat boek is dus Gods cadeau aan ons. Gods teken van leven aan ons. Met dat boek stort God zijn hart uit bij ons. Zijn verdriet en boosheid om wat niet goed is. Zijn liefde voor al zijn schepselen, maar vooral voor ons, mensenkinderen. Zijn plannen om deze wereld te redden van de ondergang en nieuw te maken. Vooral zijn plannen met ons, mensenkinderen. Zo zijn de gelovigen van alle tijden dit boek toch gaan zien bij het lezen. Ik hoop ook wij. God spreekt tot ons, tot mij. In dat boek. Op de man en de vrouw af. Persoonlijk. Hij wil mij naderen, raken, op mijn leven zijn goede invloed krijgen, mijn leven zin en doel geven. Door zijn Woord. Zijn boek. De bijbel.

Er is steeds sprake van een hand. Ezechiël schrijft: zie, een hand was naar mij uitgestrekt, en zie, daarin was een boekrol. In de droom van Johannes ligt het boek in de hand van een engel. En een hand is symbool van daadwerkelijk ingrijpen. Maar grijpt God wel echt in? Zit er wel een goddelijke hand achter alles? Dat vraag je je af, als de natuurwetenschappen ons vertellen hoe alles met alles samenhangt in een gesloten systeem en evolutieproces. Dat vraag je je af bij natuurrampen, oorlogen, tirannieke dictatuur, waardoor mensen zwaar lijden, soms als muggen sterven. Dat vraag je je af als je al zo lang een leven kent vol zorg, verdriet, pijn en er niets verandert. Doet Gods hand wel iets? Jawel, maar er zit geen toverstaf in. God grijpt niet altijd direct in met wonderen en magisch gegoochel. Er zit een boek in.

Dat past ook veel beter bij ons. Want we zijn geen dingen, objecten. We zijn mensenkinderen, subjecten, personen, met lichaam en geest. Met gevoelens, een wil, verstand, verlangens, zelfbewustzijn, verantwoordelijkheid. Dus als de Here met zijn hand reddend ingrijpt, doet Hij dat zó, dat die hand bij ons overal kan komen, ook in ons denkende en gevoelige hart. Juist daar. Daar moet zijn redding beginnen. Want van ons hart gaat alles uit. Hoe kan alles anders en beter worden als onze harten niet anders en beter worden, maar dezelfde blijven? Geen nieuwe wereld zonder nieuwe mensen en geen nieuwe mensen zonder nieuwe harten.

En wees eens eerlijk, er valt niet alleen in deze wereld maar ook in ons hart door de Here toch nog heel wat te doen? En een hart bewerk je, bekeer je geestelijk, met geschreven of gesproken woorden. Je probeert mensen voor je in te winnen en te overtuigen met woorden.

En dus: kijk nooit naar een bijbel, lees nooit een bijbel, zonder daarbij Gods hand te zien, naar jou toegestoken, klaar om in jou zijn werk te doen. En denk nooit aan Gods ingrijpen in deze wereld en in ons leven, terwijl je zijn geschreven of gesproken woord buiten beschouwing laat.

Wat valt er verder in onze dromen te zien? Ezechiël schrijft: die boekrol werd voor mijn ogen open gerold. En Johannes hoort een stem uit de hemel zeggen: neem het boek dat geopend ligt in de hand van de engel. Gods boek is uitgerold. God is een open boek voor ons. Vooral door de Here Jezus Christus. God vertelt open en eerlijk hoe Hij over ons denkt, wat Hij met ons wil, wat Hij van ons wil. Ik vind het altijd goedkoop als recensenten schrijven wat ze in een degelijk studieboek nog missen. Zo kunnen wij ook vooral denken aan wat we in het boek van God missen. Bijvoorbeeld zijn toekomstige plannen met deze wereld en met ons zelf. Hoe de hemel er precies uitziet. Het is vast wel wijs, dat Hij dat voor ons verborgen houdt. Nee, denk er vooral aan, dat de Here verder een open boek is. We kunnen weten hoe Hij denkt over leven en sterven, over recht en onrecht, liefde en haat, vrede en oorlog, vrijheid en slavernij, ziekte en gezondheid, hoop en wanhoop, verdriet en troost, schuld en vergeving. Alles wat te maken heeft met het feit, dat we mensenkind zijn. Het wordt verteld als we de bijbel lezen en met elkaar bespreken in allerlei kerkenwerk. Als we naar een preek luisteren. Heerlijk om in een kerkdienst Gods boekrol als predikant uit te rollen en als gemeente uitgerold te krijgen.

Wat lezen we verder van die boekrollen? Iets over hun omvang. En dan lijken de twee dromen elkaar tegen te spreken. Want Johannes heeft het over een boekje, maar Ezechiël ziet het aan allebei de kanten volgeschreven. Een boekrol is een lange strook perkament, om twee stokken gevouwen, waarbij men al lezende de strook van de ene stok afrolt en aan de andere oprolt. Daarom schrijf je die gewoonlijk alleen aan de binnenkant. Dat is de voorkant. Maar Gods rol is ook aan de buitenkant beschreven. Aan de achterkant. De Here wil zoveel aan ons kwijt. Eén kantje is niet voldoende. Een hele kant zelfs niet. Een zakenbrief is meestal kort en zakelijk. Maar als je een brief schrijft aan iemand, van wie je veel houdt, schrijf je vaak kantjes vol, schrijf je uitvoerig al je belevenissen en gevoelens op. Ik weet het nog goed van mijn eigen verkeringstijd. Wel, God houdt zó van ons, wil zó graag met ons verkeren, dat zijn brief aan ons onmogelijk kort kan zijn. Hij gaat maar door met schrijven. Als de binnenkant vol is, gaat Hij verder aan de buitenkant. Hij geeft ons uitgebreid zijn liefde en aandacht. Hij wil al zijn gedachten en gevoelens aan ons kwijt.

Is de bijbel ons daarom dierbaar? Omdat we die zien als Gods liefdesbrief? Waarschijnlijk bedoelt Johannes dat ook met zijn verkleinwoord: boekje. Want verkleinwoordjes gebruik je om een tere band aan te geven. Nee, de bijbel is geen pocketboekje. Knap dat de drukkers die toch nog in zakformaat kunnen maken, als zijn dan de lettertjes wel erg klein en is het papier erg dun. Maar de bijbel is als het goed is wel een boek, dat ons hart heeft gestolen. Waardoor God ons hart heeft gestolen met zijn uitingen van liefde, geborgenheid, troost, moed, toekomst.

Dat is toch, hoop ik, bij ons zo? Want het is niet een boek dat je vrijblijvend kunt lezen, als een gemakkelijk romannetje in de vakantie. Niet alleen omdat het Gods liefdesbrief is maar ook omdat het aanspraak maakt op ons hele bestaan. Volgens Johannes ligt het in de hand van de engel die op de zee en het land staat. Die overwinnend zijn voet op alles heeft gezet. De Here claimt ons bestaan, wil er macht over uitoefenen, zijn stempel op drukken. Hij wil Koning over ons zijn via zijn Woord.

En eerlijk gezegd zijn we daar niet zo van gediend, net zo min als het volk Israël ervan gediend was in de tijd van Ezechiël. We willen ons eigen leven leiden, ons vaak egoïstische, materialistische leven. Daarom kunnen we ook wel begrijpen, dat volgens Ezechiël op de boekrol klaagliederen, gezucht en gejammer stond te lezen. De Here moet klagen dat zijn liefde met zoveel gebrek aan wederliefde wordt beantwoord, met zoveel afgoderij, onrecht en zedeloosheid. Ja, God doet in zijn boek ook een boekje open over ons. En dat valt niet mee. Zijn geklaag klaagt ons aan. Wat hebben we er met elkaar een potje van gemaakt op deze aarde. Wat zit er ook in ons eigen leven veel scheef. Om je rot te schamen. Maar gelukkig, de Here schrijft ons nog een brief, al moet hij daarin veel zuchten en jammeren. Hij heeft ons nog niet afgeschreven. Hij heeft zijn hand nog naar ons uitgestoken. Hij komt nog vol liefde naar ons toe. En het komt erop aan, dat we dat ter harte nemen.

Daarmee zitten we ook bij de kern van de dromen. Ezechiël en Johannes moeten Gods boek opeten. Wat dat wil zeggen, is niet zo moeilijk te begrijpen. Van iemand die knap is, omdat hij veel boeken heeft bestudeerd, zeggen we: die heeft veel letters gegeten. En als we een spannend boek in één adem uitlazen, zeggen we: ik heb dat boek verslonden.

Stellen we ons hart voor Gods Woord open zoals we onze mond opendoen om te kunnen eten? Laten we het heel bewust bij ons binnenkomen? Maken we het ons eigen? Laten we het helemaal door ons zelf heengaan? Willen we dat het helemaal één met ons wordt? Dat het als het ware ons vlees en bloed wordt?

Tegenwoordig hebben we het in de kerken vaak over spiritualiteit. Vroeger heette het bevinding. Het is misschien niet helemaal hetzelfde maar in de kern wel. In deze materialistische, oppervlakkige, geestelijk arme tijd is er behoefte aan een diep, warm, persoonlijk geestelijk beleven. Velen komen er niet toe, maar het verlangen is er wel. Je merkt het ook aan de grote belangstelling voor bepaalde spirituele lectuur, zoals die van Henri Nouwen en Anselm Grün. Wel, ik kan u de bijbelse spiritualiteit warm aanbevelen. Lees niet onnadenkend, uit sleur, uit de bijbel. Luister niet onnadenkend, uit gewoonte, naar een preek. Neem ook heel bewust een stille tijd. En eet dan Gods boekrol. Neem Gods Woord tot je. Proef het. Herkauw het. Verslind het. Verwerk het zo in je denkend hart.

En maak het zo tot voedsel voor je geest, zoals wat we eten voedsel is voor ons lichaam. Want, zo zei Jezus: De mens leeft niet van brood alleen, maar van elk woord dat klinkt uit de mond van God. Een dier heeft geen verstand en zelfbewustzijn, maar slechts instinct, puur gericht op eten, voorkomen dat je gegeten wordt, en je voortplanten. Een dier, zegt Darwin althans, is geen doel op zich, maar slechts een middel, een kort schakeltje in het altijd doorgaande spel van de genen. Maar een mensenkind is toch veel meer? Een mens heeft niet alleen voedsel nodig. We hebben ook liefde nodig, warmte en geborgenheid. We hebben het nodig, dat we gezien, begrepen, geaccepteerd, gewaardeerd worden. We hebben het nodig, dat we als uniek, onschatbaar ervaren worden. We hebben het nodig dat ons leven een zin en een doel en een bestemming heeft. We hongeren naar een antwoord op onze diepe existentiële eenzaamheid en leegte. Naar een antwoord op ons falen, ons schuldbesef. Naar een antwoord op onze angst voor de dood. We hongeren naar geluk, vrijheid, vrede.

En kijk, dat wil God ons allemaal geven door zijn woord. En de mens leeft pas echt als mens als hij dat ook allemaal geestelijk tot zich neemt. Nee, het is niet alles even licht verteerbaar. Het zijn niet altijd hapklare brokken. Het smaakt wel eens zoet, maar ook wel eens zuur. Maar we hebben het wel nodig om echt als mensenkind te leven en niet als een veredeld dier.

Ook in de dromen lezen we trouwens iets over de smaak van Gods Woord. Nee, het is geen flauwe, smakeloze kost. Het roept bepaalde gevoelens, emoties, bij ons op. Aangename maar ook onaangename. Zoete en zure, bittere, brandend in de maag, zoals het in Openbaring staat. Dat bittere ervaar je al, als je net als Ezechiël tussen mensen woont, die er maar op los leven, die zich aan God noch gebod houden, die wel mensenkinderen zijn, maar onmenselijk leven, dierlijk leven, die verloren dreigen te gaan, die jouw waarschuwingen en jouw wijzen op Jezus in de wind slaan. Dat bittere ervaar je helemaal als je net als Johannes, met je medegelovigen wordt vervolgd en verdrukt, als de wereld je discrimineert, je uitspuwt, je haat. Dat bittere ervaar je ook als je net als Johannes de wereld naar rampen en ondergang ziet ijlen, omdat we God loslieten. Dat bittere ervaar je ook wel eens binnen in jezelf, want met een onbekeerd hart kunnen we Gods Woord, vooral Gods wet, Gods waarschuwende en oordelende woord, niet door de keel krijgen of ligt het zwaar op de maag.

Maar aan de andere kant is Gods woord zoet, als honing. Heerlijk, aangenaam, om niet genoeg van te krijgen. Sommige mensen zijn verslaafd aan zoetigheid omdat ze zo de lege en eenzame gevoelens in hun hart kunnen vergeten. Maar dat lukt alleen met de zoetheid van Gods woord, het woord van liefde, medelijden, ontferming, begrip, warmte, vergeving. Van hem die het grote subject dicht naast ons wil zijn. De Here. Wat is het zoet en goed om hem heel dicht bij je te voelen, vol te raken van zijn liefde door het werk van de Heilige Geest. Dat zijn geweldige hoogtepunten in het leven van een gelovig mensenkind.

Nu nemen we met zoet voedsel ook veel calorieën tot ons. Tegenwoordig denken we vooral aan de negatieve kant ervan. Het maakt ons dik en is daarom slecht voor hart en bloedvaten. Maar het heeft ook een positieve kant en die speelde vroeger een grote rol. Het is geweldige brandstof voor ons lichaam. Als je erg moe bent, je ergens niet meer mee door kunt, maar het toch moet, dan geeft het je een stoot nieuwe kracht en energie. Je kunt ineens weer verder. Daar zorgt de Here ook voor via zijn evangelie. We kunnen weer verder. Ondanks onze zwakheid en vermoeidheid. We krijgen weer nieuwe kracht en moed. Heerlijk om dat te ervaren, rijke momenten in het leven van een gelovig mensenkind.

Toch zijn zulke fijne geestelijke belevenissen geen doel op zichzelf. Net zo min als deze dromen. Het waren immers roepingsvisioenen. Ezechiël hoorde een stem zeggen: Mensenkind, begeef u naar de Israëlieten en breng hun mijn woorden. Hij werd zo tot profeet van de Here, de God van Israël, geroepen. Johannes kreeg te horen: Je moet opnieuw profeteren over veel natiën en volken en talen en koningen. Hij werd zo gesterkt in zijn roeping als apostel van de Here Jezus. En profeten en apostelen waren verkondigers en vertolkers van Gods Woord. In woord en daad, met inschakeling van heel hun leven, met ook grote gevolgen voor hun levensweg.

Dat brengt mij op twee gedachten. De eerste is: als we Gods woord in ons hart mochten sluiten, als we er echt mee bezig zijn, we er uit leven, het om zo te zeggen bij ons verinnerlijkt is, dan is het niet de bedoeling dat het daarbij blijft. Ook al zijn we geen profeet of apostel, dominee of ouderling, het is onze taak om dat woord niet voor ons zelf te houden maar over te brengen aan anderen. Aan onze kinderen, familieleden, buren, collega’s. Laat het maar merken dat je leeft met een droom, een visioen. Laat het maar merken wat voor jou het brood voor het leven is, geestelijke teerkost voor je bestaan als mensenkind. Beveel het geloof maar warm bij anderen aan. Dat kunnen we allemaal. Daar hoeven we geen speciale roeping als profeet of apostel, dominee of ouderling voor te hebben gekregen. Vertel maar van de bitterheid van het kwaad en de zoetheid van Gods liefde en trouw.

De tweede gedachte volgt de omgekeerde weg. Sommige mensen krijgen een bijzondere roeping. Zoals Ezechiël door God tot het bijzondere werk van een profeet werd geroepen en Johannes de bijzondere taak van een apostel had. Ik denk aan de predikanten. Ik ben de Here dankbaar dat Hij me heeft geroepen om dat te zijn en mijn leven daardoor is gestempeld. Maar ik denk ook aan zendingsarbeiders, ouderlingen. Als zij Gods woord aan anderen overbrengen, is het niet bedoeling, dat het voor hen een van buiten geleerd lesje is, alleen maar vakmatige routine. Hoe belangrijk studieboeken ook zijn, je maakt geen preek uit boeken, maar uit je hart. Anders is het geen preek. Gods woord moet eerst helemaal door je zijn heengegaan, moet doorleefd zijn, moet je vlees en bloed geworden zijn, voordat je het vertolkt. Alleen zó wordt het een preek. Alleen zo kan de horende gemeente ook merken dat het geheim van Gods Geest er achter zit. Mensenkind, eet deze boekrol, want mijn woorden via jou moeten wel bezield zijn. Met andere woorden: ambt en persoon moeten één zijn, niet gescheiden.

En zo kom ik ook bij hem die tussen Ezechiël en Johannes in staat en boven hen uitstijgt. De Here Jezus Christus. Hij bracht ten volle aan ons over welke gedachten God over de wereld en over ons koestert. Door Hem heeft God zich helemaal uitgesproken tegenover ons. Door Hem heeft God zijn boekje helemaal opengedaan. Door Hem heeft God echt zijn liefdesbrief naar zondige mensen geschreven.

Hij heeft ook Gods boekrol helemaal gegeten en zich eigen gemaakt. Hij maakte met zijn leven waar dat de mens leeft niet van brood alleen, maar van ieder woord dat klinkt uit de mond van God. Hij maakte ook waar wat Hij tegen zijn discipelen had gezegd: Mijn voedsel is: de wil doen van hem die mij gezonden heeft en zijn werk voltooien. Hij heeft Gods woorden helemaal in zijn leven in laten gaan en van zijn leven uit laten gaan. Bij Hem was er geen enkel verschil tussen ambt en persoon. Daar kon niemand wat tussen krijgen, zelfs niet bij de grootste beproeving aan het kruis van Golgotha. Zo is Hij de hoogste profeet. Gods Woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond, vol van goedheid en waarheid, en wij hebben zijn grootheid gezien, de grootheid van de enige Zoon van de Vader.

Zo is Hij onze Verlosser. Zo is Hij zelf het centrum van Gods reddende boodschap.

Mensenkind, daar is Gods liefde tot jou in de Here Jezus Christus. Verzadig je ziel er mee, krijg er nooit genoeg van.

Amen.



{jcomments on} Ezechiël 18 : 3
Wil je eerst het gedeelte uit de bijbel lezen? ja

Ezechiël 18 : 3

Voor 't laatst gehouden op 7 september 2014 in de Ontmoetingskerk te Krimpen aan de Lek

Nooit mag iemand dit spreekwoord meer gebruiken

Gemeente des Heren,

Je bent bouwvakker. Het is elke dag stevig aanpakken, maar je doet het met plezier, je hebt een fijn contact met je collega's, en je verdient er een goede boterham mee. Maar de kredietcrisis slaat toe. Het bouwbedrijf, waar je werkt, heeft geen opdrachten meer. Je wordt ontslagen. Denk je dan niet: De bankiers hebben zich met enorme bonussen verrijkt. Ze hebben daarvoor in de financiële wereld voor veel gebakken lucht gezorgd. Dat is in elkaar gezakt. Nu durven ze geen geld uit te zetten in bouwprojecten. En ík moet het bezuren. Dat is niet eerlijk. Misschien kom ik niet meer aan de bak. Trouwens als het zó moet, hoeft het van mij niet meer. Ik houd mijn handje wel op voor de uitkering en ik klus zwart wat bij. Verder kan de maatschappij me gestolen worden.

Een ander voorbeeld. Je zit niet lekker in je vel. Je slaapt slecht. Je bent vaak moe. Prikkelbaar. Soms ook onverschillig. Maar vooral somber. Je ziet het niet meer zitten. Ten einde raad luister je naar ieder die zegt: ga er toch mee naar de dokter! Die komt snel tot de conclusie: u bent depressief. Daar geef ik u medicijnen tegen, maar dat is niet voldoende. U moet ook met een psycholoog gaan praten. In die gesprekken komt de diepe oorzaak van je depressiviteit voor de dag. Toen je nog een kind was, kwam je vader vaak dronken thuis en dan had hij losse handjes, sloeg hij zijn vrouw, kinderen, ook jou. Uiteindelijk zijn ze ook gescheiden toen je nog klein was. Zo is er diep van binnen een gevoel van onveiligheid en angst bij je vast gaan zitten. Zo heb je geen gevoel van geborgenheid, nestwarmte, gekregen. Achteraf gezien heb je daardoor altijd gestrest geleefd, met veel drang om je te bewijzen, perfectionisme, faalangst. En nu is de rek eruit en ben je depressief. Denk je dan niet: Mijn vader heeft een puinhoop van zijn gezin gemaakt. En nu moet ik het bezuren. Dat vind ik niet eerlijk. Ik had meer ontspannen kunnen leven. Maar ik zit nu in de diepe put van depressiviteit. En ik heb het gevoel, dat ik er nooit meer uitkom. Ik heb ook niet zoveel kracht om er tegen te vechten. Laat me maar. Het hoeft niet meer van mij. Ik wou dat ik dood was.

Misschien geef je stiekem ook God wel de schuld. Hij leidt toch alles? Waarom gaf Hij me dan zo'n zwaar leven, met zoveel spanning en verdriet? Word ik nu gestraft omdat mijn vader alcoholist was? Is dát het nu, wat in het tweede gebod staat? Want ik de Here, uw God, ben een naijverig God, die de ongerechtigheid van de vaderen bezoek aan de kinderen? Dat vind ik niet eerlijk.

Toen de Israëlieten als ballingen in Babylonië woonden, dachten ze ook zo. Hier zijn we nu. Mijlenver van ons vaderland, ons thuis. In een vreemd gebied, waar we tweederangsburgers zijn, met alle moeite, soms zelfs verdrukking van dien. Tussen een volk met een god die veel sterker bleek dan onze eigen God. Met afgoderij, onreinheid, onrecht om ons heen. We zien ook niet hoe we ooit terug kunnen keren naar Israël. En het is allemaal de schuld van onze voorouders. Die gingen vreemde goden dienen. Wat tot zedenverwildering en prostitutie leidde. Die gingen de armen uitbuiten. Op een enkele uitzondering na deed de ene na de andere koning wat kwaad was in de ogen van de Here. De ene na de andere profeet waarschuwde wel, dat God hen erom zal straffen door hen weg te voeren naar Babel. Maar ze luisterden niet. Toen kwam inderdaad Nebukadnezar, veroverde ons land en deporteerde ons naar zijn hoofdstad. Onze vaderen hebben er een potje van gemaakt en wij draaien er voor op. We zitten gevangen in een noodlot, waar we zelf geen schuld aan hebben. Het is niet eerlijk, ook niet van God, dat wij het moeten bezuren.

Over bezuren gesproken. Al deze gedachten spraken ze uit met het aloude spreekwoord, dat ze uit Israël hadden meegenomen: Als de ouders onrijpe druiven eten, krijgen de kinderen stroeve tanden. Wel eens onrijpe druiven gegeten? Wat vreselijk zuur, wrang. Echt een aanslag op je smaakpapillen. Dat sterke zuur tast bovendien het tandglazuur aan, waardoor je tanden eerst stroef worden en daarna snel slijten en afbrokkelen. We weten niet meer wat de Israëlieten er vroeger concreet bij dachten, maar de betekenis van het spreekwoord is duidelijk. En ook wat voor gevoelens ze er bij hadden, als ze het gebruikten. Het kán natuurlijk niet, want wie zo dom is om vaak onrijpe druiven te eten, krijgt zélf slechte tanden, moet het zélf bezuren, níet zijn kinderen. Dat de kinderen het bezuren, moet niet mogelijk zijn, moet niet kunnen, is niet eerlijk.

En als jou zo iets tóch overkomt, word je verontwaardigd, boos. En je voelt je ook machteloos. Er valt niets tegen je lot te doen. Dat verlamt je. En het maakt je onverschillig. Waarom zou je je nog druk maken? Waarom zou je je tanden nog poetsen als je gebit toch al verloren is? Waarom zou je nog vol moed aan een nieuw, ander leven werken? En diep van binnen geef je ook de schuld aan God, die de ongerechtigheid van de vaderen bezoekt aan de kinderen. Zo'n bezoek is een bezoekíng. Herkenbaar, niet?

Eigenlijk zijn wij ook ballingen, net als de Israëlieten toen. We zijn ook ontheemd, van thuis en vaderland beroofd. We zijn balling, ver van waar God woont, zegt psalm 42. We zijn dus in het bijzonder van God vervreemd. Hij is een verre, onbekende God geworden. Ook in die zin, dat zijn bestaan in de moderne maatschappij haast nergens meer zichtbaar is. Niet in de zondag als zijn rustdag, denk maar aan de koopzondagen en het drukke verkeer op die dag. Niet in kerktorens, want die gaan schuil achter hoge flats of zijn afgebroken. Niet in een samenleven in de stijl van de tien geboden. In veel gezinnen niet meer in bidden en bijbellezen aan tafel, in kerkgang. In veel families niet meer in kerkelijke diensten bij trouwen en rouwen. Andere goden zijn veel meer zichtbaar geworden. Die van het materialisme: hang naar aardse goederen. Van hedonisme: hang naar aards genot.

De massa beséft zelfs niet meer dat ze balling is. Zoals veel Israëlieten in de ballingschap van Babel het eigen land niet meer missen, er niet naar terugverlangen, maar zich in Babel en bij zijn goden thuis zijn gaan voelen.

Bij ons is dat heimwee er misschien nog wel, zoals andere Israëlieten dat in Babel ook hadden. Een verlangen naar ons heim, ons heem, ons geestelijk thuis, ergens ver weg. Een gevoel dat het niet helemaal klopt in deze wereld, helemáál niet klopt. Want er is kwaad. Kwaad in de zin van fouten, miskleunen, misdaden. Kwaad in de zin van leed, verdriet, pijn, eenzaamheid, ziekte, de dood. En God schijnt zich ook kwaad te hebben teruggetrokken in zijn hemel. Ver weg.

Misschien denken we vooral aan ons eigen leven. We hebben een ziekte die ons plaagt. We voelen ons eenzaam na de dood van onze man, onze vrouw. Ons huwelijk staat onder spanning. We hebben zorgen om een kind. Allemaal signalen, dat we nog ballingen zijn op deze aarde.

Soms zien we ook wel lijntjes teruglopen naar onze ouders, ons voorgeslacht. Die slechte bloedvaten, die doofheid, het zit in de familie, geen leuke erfenis. Of: ik hoef mijn achternaam maar te noemen of ik voel afstand. Ze durven geen zaken met me te doen. Iedereen weet nog dat mijn vader fraudeerde en ervoor in de gevangenis zat. Of: ik ben vaak gepest, want ik ben een buitenechtelijk kind van mijn moeder. Dat heeft diepe sporen in mijn leven achtergelaten. Of: mijn ouders zijn vanwege alcoholisme, waardoor zij hun gezin totaal verwaarloosden, uit de ouderlijke macht gezet. Ik ging van het ene pleeggezin naar het andere. Ik liep daardoor zóveel psychische verwondingen op, dat ik er mijn leven lang niet meer van af kom.

En dan ben je geneigd te denken: kan ik er wat aan doen? Je geeft alles en ieder de schuld. Je ouders, het lot, God. Je wordt opstandig, moedeloos, wanhopig. Want jíj moet het bezuren. Als de ouders onrijpe druiven eten, krijgen de kinderen stroeve tanden.

Ho, zo reageert God. Gebruik dat spreekwoord nooit meer! Het is maar een hálve waarheid en jullie trekken er zó de verkeerde conclusie uit, dat het een héle leugen wordt.

God schiep ons inderdaad niet als losse individuen. We zijn met duizenden draden aan elkaar verbonden. Binnen ons gezin, onze familie, ons land, ons werelddeel. Die draden zitten ook tussen de generaties, tussen ouders en kinderen, die op hun beurt weer ouders worden. En is dat niet mooi? En een zegen van de Here? Want zo zijn we niet eenzaam en onbeschermd, maar anderen houden van ons en beschermen ons. Zo hoeven we zelf niet het wiel opnieuw uit te vinden, maar leren anderen ons in onze jeugd van alles, waardoor we later als volwassenen goed voor het leven zijn toegerust. Zo staan we op de schouders van ons voorgeslacht, in kennis en wetenschap, in techniek, in de hele menselijke ontwikkeling en beschaving. Zo genieten we van de welvaart, de geneeskunde, ook de letterkunde, de muziek, noem maar op, allemaal opgebouwd door de generaties vóór ons. Hoe zou ons leven er uit zien, ja, hoe zouden we kúnnen leven, als we alleen waren, zonder al die banden met anderen, anderen nu en vroeger. Maar dank zij de Schepper zijn die er. Wat een rijke erfenis, van onze ouders, voorouders, andere mensen. Geen zure, wrange zaak, maar een zoete, aangename.

En als die tóch zuur is? Als anderen in de fout gingen en wij het moeten bezuren? Je kunt het God toch niet kwalijk nemen als zo verkéérd uitpakt, wat Híj góed heeft bedoeld? Je kunt het Hem toch ook niet verwijten, als Hij niet dáárom aan zijn goede scheppingsorde een eind maakt, maar trouw blijft aan het werk van zijn handen?

Maar Hij voegt toch zelf aan het tweede gebod toe, dat Hij de ongerechtigheid van de vaderen bezoekt aan de kinderen, aan het derde en vierde geslacht van degenen, die Hem haten? Zeker. Maar bijna elk gebod begint met gij, u jij. De Here spreekt óns aan en stelt óns verantwoordelijk. Niet: wat deed ons voorgeslacht en hoe zijn wij daar het slachtoffer van? Maar: wat doen wij en wat heeft dat voor gevolg voor de mensen na ons? Maak jij geen godenbeelden meer, luidt het tweede gebod. Letterlijk doen we dat niet meer. Maar we maken wel onze dénkbeelden over God. En die zijn meestal gevormd door onze opvoeding. In de pastorale gesprekken merk je dikwijls hoe moeilijk wij van die beelden los komen. Wie vrijzinnig werd opgevoed, heeft zijn leven lang moeite met het wat strengere Godsbeeld van de rechtzinnige. Wie zwaar is opgevoed heeft zijn leven lang moeite met het beeld van een God, die in de preken en bij het Avondmaal met liefde ruim uitnodigt tot het heil. En als vader en moeder twee heel verschillende beelden van God doorgeven aan hun kinderen, omdat ze het over het geloof niet eens zijn, werkt dat vaak zó verwarrend, dat de kinderen het geloof er áán geven. Of als de kinderen een beeld kregen van een blinde en dove God, omdat de ouders wel vroom spraken, maar niet vroom leefden, het leek of er bij God alles mee door kon omdat hij het ook niet zag en hoorde, is er alle kans, dat die kinderen zélf óók zo gaan leven. En dienen wij God halfslachtig, voor de helft, kijk er dan niet vreemd van op als onze kinderen Hem voor een kwart dienen, bij doop of begrafenis en op kerst en de kleinkinderen er helemaal niets meer aan doen. Begrijp me goed. Ook kinderen van gelovige ouders, die een goed beeld van God doorgaven bij de opvoeding, kunnen andere wegen gaan, terwijl omgekeerd kinderen veel meer gelovig kunnen zijn dan hun ouders. Maar toch: Wat een verantwoordelijkheid. We zijn niet alleen aansprakelijk voor ons zelf, maar ook voor de komende geslachten. We kunnen met allerlei verkeerde beeldvorming Gód, maar ook onze kínderen onrecht doen.

En zo is het met alle fouten. We slepen er altijd anderen in mee. Het kwaad is een erg besméttelijke en ook een heel érfelijke ziekte. Wat ik verkeerd doe, moeten anderen bezuren en misschien vooral onze kinderen. Zullen die straks met een opgewarmde aarde zitten, met allerlei rampen als gevolg daarvan, overstromingen, droogtes, tropische cyclonen? Vanwege onze overproductie en overconsumptie, onze uitstoot van CO2 en andere gevaarlijke stoffen? Verschrikkelijk! Ja, als de tanden van de kinderen stroef worden, omdat de ouders onrijpe druiven aten, dan zou je toch als de dood moeten zijn voor elke misvatting en misdaad?

Te meer omdat we er heus zélf verantwoordelijk voor zijn. Alleen wie zondigt, zal sterven. De ziel die zondigt, staat er letterlijk. Onze existentie. Onze persoon. We zijn personen. Met ieder een eigen ik, een eigen zelfbewustzijn. Eigen gedachten. Eigen gevoelens. Een eigen wil. En daarom ook met een eigen verantwoordelijkheid. En die kunnen we niet op anderen afschuiven.

Natuurlijk is ons leven wel eens zwaar. We krijgen allemaal onze kruisjes te dragen. We voelen ons zo allemaal wel eens ballingen, ver van ons veilige en warme thuis, ver van ons land van vrede, recht en geluk. Maar geef jezelf niet de rol van slachtoffer. Gebruik je lot niet als excuus om je verantwoordelijkheid te ontlopen. Zie het als een uitdaging voor jouw persoontje. Maak wat van je leven. Juist door tegenslagen en hindernissen kunnen we uitgroeien tot een prachtige persoon, een sterke persoonlijkheid, die we nooit waren geworden als het ons steeds voor de wind was gegaan.

En besef daarbij, dat we ons tegenover niemand minder dan God zélf hebben te verantwoorden. Alle mensenlevens, alle zielen, horen mij toe, zegt Hij. Van de ouders en de kinderen. We zijn allemaal met onze hele persoontje van Hem, want Hij gaf ons het leven. En wat voor een leven! Eén met een eigen denkkracht, wilskracht, daadkracht. Met bijzondere capaciteiten. Een wonder! Maar doe er dan ook iets moois mee, God om de kracht van zijn Geest vragend. Vergooi het niet. Want je bent er zelf verantwoordelijk voor, juist tegenover Hem, die jou zo prachtig schiep. En er is geen excuus. Kan ik er wat aan doen? Ik moet bezuren wat anderen hebben geflikt. Nee, 'de ziel die zondigt, zal sterven'.

Maar ook: 'wie rechtvaardig is, zal zeker in leven blijven'. Het zal een zinvol leven zijn, rijk, vruchtbaar, tot eer van God, tot zegen van anderen. Ook als het in zo'n leven niet altijd goed gáát, maar het zorgen kent, zal zo'n leven wel goed zíjn. Ook als er niet altijd gelukkige omstandigheden zijn, het zal wel gelukt zijn. Zeker in de ogen van God.

En is het zo juist niet een bevrijdende boodschap die God ons geeft? Gelukkig zijn we nooit alleen maar slachtoffer. Gelukkig zijn er altijd weer mogelijkheden om ons van knellende banden te bevrijden. Gelukkig kan de Here van iemand die van zijn eigen leven een puinhoop maakte tóch zeggen: ook hij krijgt weer een zoon, en deze zoon ziet alle misstappen die zijn vader begaan heeft. Hij ziet ze, maar volgt ze niet. Hij leeft naar mijn voorschriften. Die zal niet sterven vanwege de schuld van zijn vader, maar zeker in leven blijven.

En weet u, heel deze boodschap van God loopt uit op de Here Jezus Christus. Aan de ene kant is Hij een eigen unieke persoon, met een eigen unieke existentie, waarmee Hij onze wereld binnenkomt. Hij heeft een volstrekt onafhankelijke vrije geest, gaat zijn eigen weg zonder er ook maar een ogenblik van af te wijken. Juist omdat Hij in het volle besef leeft dat zijn ziel van zijn Vader in de hemel is en daarom ook aan Hem gewijd. En tegelijk heeft Hij zich vol liefde met ons lot verbonden. Hij heeft zich midden in de lijn van het menselijk geslacht gevoegd. Vandaar dat Mattheüs en Lukas ook een geslachtsregister in hun evangelie hebben opgenomen, waarin zijn naam staat. Vandaar dat Paulus hem ook Adam noemt, de laatste Adam. Mens onder mensen.

En deze persoon, die nooit gezondigd heeft, die daarom zou moeten blijven leven, stierf toch. Hij werd ter dood gebracht alsof hij alle wandaden had gedaan, die maar mogelijk zijn.

Zo werd Hij de Redder van ons allemaal. Van ouders en kinderen. Zo zijn we dank zij Hem allemaal voor God gelijk. Mensen die zondigden, en daarvoor zelf verantwoordelijk zijn, zich niet kunnen excuseren door de schuld op anderen te schuiven, maar die door Christus vergeving ontvangen en met God zijn verzoend.

Een goed bericht, toch? Een evangelie. Hét evangelie. Nee, er is geen reden tot doemdenken. Geen reden om gelaten in ons lot te berusten. Kan ik er wat aan doen dat ik het moet bezuren? Maar er is alle reden om te hopen.

De Here geeft die hoop ook aan de ballingen in Babel. Zo waar ik leef - spreekt God, de Heer - nooit meer mag iemand bij jullie in Israël dit spreekwoord in de mond nemen! In Ísraël. Want daar komen ze weer terug. De Here zal een keer brengen in hun lot. Hij zal de zonden van hun vaderen niet aan hen blijven bezoeken. Hij zal alles wat Hij hun beloofde, tóch nog laten gebeuren.

In Israël. Niet meer ontheemd. Maar terug op hun eigen stukje grond. In het beloofde land dat eens overvloeit van melk en honing, waarin eens ieder in vrede onder zijn eigen wijnstok en vijgenboom zit.

En achter de horizon daarvan zien we het beloofde Koninkrijk van God. De nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Het nieuwe Jeruzalem. Daar mogen wij vooral op hopen dank zij de Here Jezus Christus. Die hoop wil God ook bij ons sterker maken door middel van het Heilig Avondmaal volgende week. En
die hoop moet al ons leed verzachten.
Komt, reisgenoten, 't hoofd omhoog !
Voor hen, die 't heil des Heren wachten
zijn bergen vlak en zeeën droog.
O zaligheid niet af te meten,
o vreugd, die alle smart verbant!
Daar is de vreemdelingschap vergeten
en wij, wij zijn in 't vaderland!

Wij. Ik, heel persoonlijk. Maar ook anderen. Samen met elkaar. Met elkaar verbonden.

En ik stel me zo voor, dat onze God dan tegen me zegt: kijk, zie je die en die ook? Die hoort tot jouw voorouders. En die is er een van jouw nageslacht, jouw kinderen. Hoe vind je dat?

En als antwoord zing ik dan, heel persoonlijk en samen met anderen: lof en dank en eer voor onze God tot in alle eeuwigheid, Amen!