Afdrukken

Genesis 15 : 7 - 21


Wil je eerst het gedeelte uit de bijbel lezen?
Genesis 15 : 7 - 21
Nieuwe Vertaling
  1. En Hij zeide tot hem: Ik ben de HERE, die u uit Ur der Chaldeeen heb geleid om u dit land in bezit te geven.
  2. En hij zeide: Here HERE, waaraan zal ik weten, dat ik het bezitten zal?
  3. En Hij zeide tot hem: Haal mij een driejarige jonge koe, een driejarige geit, een driejarige ram, een tortelduif en een jonge duif.
  4. Hij haalde die alle voor Hem, deelde ze middendoor en legde de stukken tegenover elkander, maar het gevogelte deelde hij niet.
  5. Toen de roofvogels op de dode dieren neerstreken, joeg Abram ze weg.
  6. Toen de zon op het punt stond onder te gaan, viel een diepe slaap op Abram. En zie, hem overviel een angstwekkende, dikke duisternis.
  7. En Hij zeide tot Abram: Weet voorzeker, dat uw nakomelingen vreemdelingen zullen zijn in een land, dat het hunne niet is, en dat zij hen dienen zullen, en dat die hen zullen verdrukken, vierhonderd jaar.
  8. Doch ook het volk, dat zij zullen dienen, zal Ik richten, en daarna zullen zij met grote have uittrekken.
  9. Maar gij zult in vrede tot uw vaderen gaan; gij zult in hoge ouderdom begraven worden.
  10. Het vierde geslacht echter zal hierheen wederkeren, want eerder is de maat van de ongerechtigheid der Amorieten niet vol.
  11. Toen de zon was ondergegaan, en er dikke duisternis was, zie, een rokende oven met een vurige fakkel, welke tussen die stukken doorging.
  12. Te dien dage sloot de HERE een verbond met Abram, zeggende: Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven, van de rivier van Egypte tot de grote rivier, de rivier de Eufraat:
  13. De Keniet, de Kenizziet, de Kadmoniet,
  14. de Hethiet, de Perizziet, de Refaieten,
  15. de Amoriet, de Kanaaniet, de Girgasiet en de Jebusiet.

Voor 't laatst gehouden op 3 november 2002 te Hattem

Tussen de offerstukken

Gemeente des Heren,

Soms maken we iets mee, dat een zaak is van leven of dood. Je let even niet op in het verkeer. Oei, bijna een botsing met een tegenligger. Een zaak van leven of dood. Je wordt naar de kamer van de specialist geroepen, waar hij je de uitslag van het onderzoek gaat geven. Is het te genezen of kwaadaardig en is er weinig meer aan te doen? Een zaak van leven of dood. Je zegt in Venlo iets tegen jongelui die ruig doen op een bromfiets. Ze komen naar je toe en slaan je in elkaar. Een zaak van leven of dood. Je zit in een theater in Moskou en je wordt ineens gegijzeld door Tsjetseense rebellen. Een zaak van leven of dood. Je ruikt een rare lucht en raakt direct daarna bewusteloos door een gas, verspreid door het Russische leger dat een eind aan de gijzeling maakt. Kom je weer bij kennis in een Moskous ziekenhuis of niet? Een zaak van leven of dood.

Maar weet je wat óók een zaak is van leven of dood? Al staan we daar misschien niet zo bij stil? Hoe het zit met onze relatie tot Gód. Leven we wel of niet met Gód? Want leven mèt God is écht leven en leven zónder God is níet echt leven, is éigenlijk dóód zijn.

Kortom, ook Gods verbond met ons mensen, bij Abraham begonnen, is een zaak van leven of dood. Hierna worden in een dienst van de andere wijk kinderen gedoopt. De doop is een téken van Gods verbond met ons. En dát teken geeft óók aan dat het een zaak is van leven of dood. We leggen ons oude, met de zonde en de dood verbonden, leven af, dat sterft, dat wordt ondergedompeld in het dodelijke water. En we staan op in een nieuw, met God verbonden leven, dat in wezen eeuwig is.

Nu geeft in ons tekstverhaal de Here God aan Abraham een sóórtgelijk teken van zijn verbond. Met óók een duídelijke aanwijzing dat het een zaak is van leven of dood. Want Abraham moet met een flink slagersmes lévende dieren in twee helften snijden, dus dóden, en die helften zó tegenover elkaar neerleggen, dat daartussen een soort pad ontstaat. Het maakt op ons een ruige, primitieve indruk. Niet appetijtelijk, zo'n bloederig gebeuren. Dan biedt de doop een plezíeriger aanblik. Maar ja, er zitten véél eeuwen tussen. Het was toen een heel ándere cultuur. De mensen hadden een heel ándere manier van leven. Er waren heel ándere gebruiken in de omgang tussen de mensen én in de omgang tussen goden en mensen, in het maatscháppelijke en het godsdíenstige leven. Voor Abraham, levend in die tijd, was het in ieder geval een gewéldig teken. Best te vergelijken dat van de doop nu. Een teken met een rijke betekenis. En naar die betekenis gaan we op zoek om er ook zelf wat van te leren met het oog op óns leven met Gód en Góds leven met óns in deze tijd.

Hoe begint het? Wel, God komt voor de zóveelste keer naar Abraham toe, stelt zich voor de zóveelste keer aan hem voor, en zegt: Ik ben de Here, die u uit Ur der Chaldeeën heb geleid om u dit land in bezit te geven. En Ur was de plaats, waar men in het duister van het heidendom leefde. Men de Here niet kende. Waar boze machten de mensen uitlokten tot losbandigheid. Waar men verlóren was, zonder hoop, zonder toekomst, zonder vrede en geluk. Geestelijk dóód. Dáár had de Here Abraham uitgeleid. Om hem te leiden ìn het beloofde land Kanaän. Opdat Abraham daar eens met de zijnen onder de overvloed van Gods weldaden in volle vrede en gelukzaligheid zou léven, voor altijd.

Er zijn inmiddels veel eeuwen verstreken. Het verbond tussen God en mens is ook verníeuwd, door de Here Jezus. Maar in wezen is er niet zovéél veranderd. Nóg zegt God tot ons, kinderen van zijn verbond: Ik ben de Here, die jou geleid heb uít een wereld, die verloren ligt in zonde en schuld, waar allerlei boze machten het mensdom ongelukkig maken, uít een wereld, die geen toekomst heeft, waarin alles vastloopt in de crisis, het oordeel van de dood. Ik ben de Here, die jou zal leiden ín de nieuwe wereld van mijn Koninkrijk, een rijk van vrede, recht, vrijheid, vreugde, volmaakt en eeuwig. Er wacht je een land, zo goed, zo mooi, overvloeiende van melk en honing! Wat een geweldige God, gemeente, die tegen jou en mij zegt: Ik, de Here, Ik leid u uít de grootste rámpzaligheid en leid u tót de grootste gelùkzaligheid. Uít de dood ín het leven. Wat een geweldige boodschap. Eigenlijk te mooi om waar te zijn. En daarom kan je er heus wel eens moeite mee hebben om in zo iets moois te geloven.

Dat heeft Abraham ook. Want hij zegt: Here, Here, waaraan zal ik weten, dat ik het bezitten zal? Abraham vraagt een téken. Een bewíjs van Gods toezegging, dat Hij leidt uít het kwade tót het goede. Uít de dood tót het leven. Mag die dat wel? Op het vragen om een teken reageert de Here verschillend. Als de engel aan Zacharias in de tempel vertelt, dat Johannes geboren zal worden als wegbereider van de verlosser, gebruikt Zacharias dezelfde woorden als Abraham: waaraan zal ik dit weten, want ik ben oud en mijn vrouw ook. Maar hij wordt met stomheid gestraft. Als de farizeeërs en schriftgeleerden Jezus vragen: Meester, wij willen van u wel een teken zien, antwoordt Hij: het boos en overspelig geslacht verzoekt een teken. Maar als Gideon God vraagt: Indien ik nu genade gevonden heb in uw ogen, zo doe mij een teken, krijgt hij dat zonder kritiek. En dat is hier bij Abraham óók zo. Dat komt omdat er verschillende rédenen kunnen zijn waarom we een teken vragen. Is het omdat we twijfelen aan Gods wóórd? We daar niet genóeg aan hebben? Dan zitten we op het verkeerde spoor. Dan wekken we zijn ergernis op, net zoals wíj beledigd zijn als iemand zijn wantrouwen in wat wij zeggen duidelijk laat merken door om keiharde bewijzen te vragen. Óf is het omdat we twijfelen aan ons gelóóf? Is het omdat wij weten hoe zwak ons hárt is en hoe gemakkelijk dat zich door angsten en zorgen laat afbrengen van het vertrouwen in de Here? Dan is het goed. Want welke christen, die zichzelf een béétje kent zegt niet: Here, ik geloof, maar o wat is dat geloof klein en wankel. Help mij in mijn ongelovigheid. Houd Gij zelf mijn geloof maar in stand door de voortdurende bevestiging van uw rijke beloften, met woorden èn tekenen, in táál en téken. Zo, met díe geestelijke gesteldheid in ons hart, mogen we als ouders ons kind laten dopen. En mogen we vragen of de Here ons naar het avondmaal wil leiden. Nu voor óns de tekenen van zijn verbond. Het zou van zelfoverschatting getuigen als we meenden het zónder deze door God gegeven tekenen te kunnen stellen. Als u méér zekerheid wil, ga dan eens eerlijk na. Bent u niet zeker van Gód? Dat is fout en getuigt van slechte Gódskennis. Of bent u niet zeker van u zélf. Dat is goed en getuigt van ware zélfkennis.

En dan zegt God tot Abraham: Haal mij een driejarige jonge koe, een driejarige geit, een driejarige ram, een tortelduif en een jonge duif. Voorwaar geen kleinigheid. Niet één offerdier, maar van álle dieren, die geofferd kùnnen worden één exemplaar. En wel een driejarig, dat wil zeggen op het hoogtepunt van het léven van zulke dieren, als ze heel sterk en vruchtbaar zijn en ook hun vlees het beste is. Als ze het mééste voor de eigenaar betékenen. En naast het offer van de ríjken: een koe, schaap of geit, mag zelfs het offer van de armen niet ontbreken: een tortelduif en jonge duif. Het klinkt ook nogal eisend: haal mij. Het is of God wil zeggen: Abraham, je vraagt mij nu wel of Ik mijn verbond met jou door een teken wil bevestigen, maar geef mij éérst maar eens een teken. Een teken, wat het jou wáárd is om vriend van mij te mogen wezen, om mij als je reddende God te hebben. Want bij elk verbond zijn twee partijen betrokken. Laat óók maar eens zien, wat je voor Mij en de zaligmakende band met Mij óverhebt. Toon in je offervaardigheid, dat het leven met Mij je ernst is. Dat je me als bondgenoot, bondgenoot tégen het kwade en vóór het goede, aanhangt, betrouwt en liefhebt van ganser harte, van ganser ziele, van gansen gemoede en met alle krachten. Begrijpt u? De Here geeft ons in zijn liefde en trouw ontzéttend veel. Maar Hij vráágt tegelijk ook veel aan ons. Ónze liefde en trouw tot Hém. Onze overgave aan Hem met hart en ziel. Het wijden en offeren van al het onze aan Hem. Hij vraagt ons hele léven. Net als Hij het leven van die offerdieren vraagt. En langs díe weg schenkt Hij ons de bevestiging van zijn beloften en de ondersteuning van ons geloof. Hebben we wat voor Hem over? Kunnen we offers voor Hem brengen? Nee, niet van dieren, maar wel het offer van onze tijd, ons geld, onze inzet en gaven in zijn dienst? Voor dingen die Hij tot teken en voorbode van Zijn Koninkrijk kan maken. Is het onze lust en ons léven om bezig te zijn met wat tot eer van God is, tot heil van de naaste, tot opbouw van kerk en samenleving? Wijden we zo ons léven aan de Here? We leven in het ik tijdperk. Het tijdperk van nemen, naar je toe halen. We bemerken die mentaliteit overal om ons heen. Ook bij ons zelf. Wat hebben we veel voor ons zelf over, gunnen en geven we ons zelf veel. Denken we ook nog aan wat de Hére van ons vraagt?

Ach, zegt u misschien, wat kan ik die grote rijke God nu geven? Met mijn gering bezit en geringe gaven. Maar de Here vroeg aan Abraham ook weer niet álles. Eén exemplaar van een offerdier. Als teken van Abrahams liefde tot zijn God. En het offer van de armen is bij de Here nèt zo belangrijk als dat van de rijken. De tortelduif en de jonge duif horen er ook bij. Het penningske van de weduwe was maar een gering bedrag, maar omdat het alles was wat ze bezat, gaf ze het met heel de liefde van haar hart, en dáár ging het om. Het zit hem ook nù niet altijd in geweldige dingen. Als het maar tekenen zijn, dat we de Here willen dienen. Die boodschap voor een zieke buurvrouw. Dat opknappen van een tuintje voor wie het zelf niet meer kan. Dat leiden van een club, het hoort er allemaal bij. Het belangrijkste is onze bereidheid, onze inzet, ons enthousiasme. De Here wil een volk tot zijn dienst bereid. Van Abraham lezen we: Hij haalde die alle voor Hem. Tot al deze offers, die de Here vroeg, is Abraham direct bereid. Is die bereidheid er ook bij óns?

En dan deelt Abraham de offerdieren middendoor en legt de stukken tegenover elkaar. Het gevogelte deelt hij niet, maar het ligt voor de hand, dat hij de tortelduif tegenover de jonge duif heeft gelegd. Voor ons gevoel een vreemde, bizarre manier van doen. Maar in die cultuur niet ongebruikelijk. Wanneer twee mensen, twee families of twee partijen een verdrag of verbond sloten, deed men hetzelfde. Men liep dan allebei tussen de offerstukken door en zwoer plechtig de eed: Zo zeker als de helften van deze dieren bij elkaar horen, ze slechts aan elkáár gevoegd kunnen léven en ze van elkaar gesneden dóód zijn, zó zeker horen wíj voortaan bij elkaar, vormen we als bondgenoten één levend geheel, en zo zeker mag de dood ons komen halen als we het verbond verbreken. Men beloofde dus met de inzet van het hele leven de ander trouw te blijven, zich aan de afspraken te houden. En men sprak over zichzelf de straf van de dood uit als men aan het gesloten verbond ontrouw zou worden. Het lijkt er dus op, dat zo'n plechtig ritueel van een verbondssluiting hier tussen de Here en Abraham plaats vindt. Dat zal dan inderdaad een geweldig teken worden, dat Abraham veel troost en zekerheid geeft, een vast vertrouwen in Gods beloften.

Maar het gaat allemaal níet vanzelf. De Here laat Abraham nog een heel tijdje wachten, stelt zijn geduld flink op de proef. Abraham mag best om een teken vragen, maar moet tegelijk leren, dat hij door de Here níet één twee drie op zijn wenken wordt bediend. Zó werkt God niet. Daar is Hij te hoog en te heilig voor. Wij kunnen Hem niet claimen. Niet van Hem eisen dat Hij dit of dat op ónze tijd doet als teken van zijn reddende liefde. De Here is geen middel in ónze handen, maar wij zijn middel in Góds handen. En het is geen verbond als tussen mensen, tussen gelijkwaardige partners. De Here is nummer één en blijft dat. En wij zijn totáál van Hem en zijn gunst afhankelijk. Het is een genádeverbond. En Hij laat ook óns wel eens wachten om ons dat te leren. Dan merken we even niets van Hem. Dan lijkt het of Hij zich van ons heeft teruggetrokken. Dan gebeurt er niets, waarin we een teken van zijn verlossende liefde zien. Misschien zegt u wel: waaraan zal ik het weten in mijn leven? Alle zorgen en noden blijven dezelfde. Alle reddingen blijven uit. Dat is niet gemakkelijk. Maar houd dan toch maar aan de Here vast. Het is misschien juist wel zijn testcase of het ons werkelijk om Hem gaat.

Verder is dat wachten voor Abraham geen wérkeloos wachten. Integendeel. Het is een gezwoeg, de hele dag, om de aasgieren van de offerstukken weg te jagen, want wordt het vlees door hen opgepeuzeld, dan kan de ceremonie van de verbondssluiting niet plaats vinden. Deze vogels golden als zeer onrein en ook als onheilspellend, als symbolen van de dood en andere boze machten. Zulke machten zijn er nog steeds. Machten, die de heerlijke, reddende band tussen God en ons tégenwerken. Machten, die we echt rusteloos van ons weg moeten jagen en we geen kans mogen geven om hun afbrekend werk te doen. Wat vliegt er niet allemaal als aasgieren om ons en onze gezinnen heen, elke kans benuttend om aan onze gemeenschap met God afbreuk te doen? De hebzucht, die alleen voldoening zoekt in geld en goederen. De genotzucht, dat we het leven alleen maar vullen met pleziertjes. Sport die sportverdwazing wordt. Drank die drankverslaving wordt. Goklust, die gokverslaving wordt. Enz. Ach, een kind van God, dat vanuit het verbond probeert te leven, weet welke gieren, welke gevaren en verleidingen op hem afkomen, daaraan ontdekt door de Heilige Geest. Weet ù dat en vraagt u er steeds geopende ógen voor? Een kind van God voert ook de dagelijkse strijd om die gieren van zich af te houden en beseft, dat hij geen ogenblik mag verslappen. Is dat ook zo bij ù? Voeren we zo serieus de strijd tegen de zonden? En als we in zonde vallen, blijven we er dan niet in liggen, maar staan we weer op en jagen we het kwaad weer weg?

En zo is Abraham de hele dag bezig om de gieren van het vlees weg te houden. Tot de zon op het punt staat onder te gaan. Dan valt er een diepe slaap op hem en zie, hem overvalt ook een angstwekkende, dikke duisternis. Het is of Abraham door oververmoeidheid is overmand en daardoor in een diepe, maar náre slaap valt waarin hij die vreselijke vogels nóg voor zich ziet, het gevoel heeft ze te moeten blíjven bestrijden, maar het niet langer meer te kùnnen. Hij beleeft zijn falen. Hij voelt zich klein en nietig tegenover de macht van het kwade. Hij ligt machteloos neer, door schrik en duisternis overvallen. Uiteindelijk blijft er van de kant van ons ménsen in het verbond niets anders als machteloosheid over, knappen wij er op af, hoe goed we het ook proberen te doen. Uiteindelijk is het Gods eenzijdig werk en ligt de mens daarbij in de onmacht als van een diepe slaap zoals een slapende baby bij zijn doop.

Maar dan, als wíj aan het eind van onze lichamelijke en geestelijke krachten zijn, als we hebben geleerd, dat wij in dat heerlijke verbond zelf níets in kunnen brengen, als we in de nachtmerrie van onmacht en schuld verkeren, ja dán is het Góds tijd. Dan bevestigt de Here zijn verbond eenzijdig en uit genade. Dan geeft Hij het zijn beminden als in de slaap.

En zo krijgt Abraham in de slaap te horen welke weg de Here in de toekomst gaat bewandelen met zijn volk. Het zal door lijden tot heerlijkheid gaan. Het volk van God zal geboren worden onder de druk van vier eeuwen vervolging in Egypte. Ze zullen pas bevrijd worden, met grote have uittrekken en het beloofde land in bezit nemen op Gods tijd. Als Hij het tijd vindt om de Egyptenaren te oordelen en ook als de maat van de ongerechtigheid der Amorieten - een verzamelnaam voor de heidense volken in Kanaän - vol is. Zo passen Gods raderen in elkaar, die van óórdelend recht voor zondaren en bevríjdend recht voor zijn volk. En het beloofde land zal groot zijn, van de rivier van Egypte af - niet de Nijl, maar een oostelijker gelegen grensrivier - tot aan de grote rivier de Eufraat. Abraham zelf zal, al zal hij dat niet allemaal zelf beleven, in vrede en hoge ouderdom te ruste gelegd worden. Zo openbaart de Here hem de verlossende weg, die Hij met zijn volk zal gaan.

En dat verbond bevestigt Hij vervolgens ook met een indrukwekkend teken. Als de zon is ondergegaan en er dikke duisternis is, zie, een rokende oven met een vurige fakkel, die tussen die stukken doorgaat. Tekenen van Gods aanwezigheid. In het oude testament lezen we váker, dat de Here in vuur en rook verschijnt, bijvoorbeeld op de berg Sinaï, toen Hij via Mozes opnieuw het verbond met zijn volk sloot en zijn geboden gaf. De Here zélf gaat nu tussen de stukken door. De Here zélf bevestigt zo zijn verbond met Abraham. Onder de mensen was deze ceremonie toen de meest bindende vorm om een verdrag te sluiten. Dat doet de Here nu met Abraham. Wat moet dat een geweldige troost en zekerheid gegeven hebben. Al kwam de Here in het duister, wég was nu de duisternis en schrik. De Here heeft zich in goedheid met zondaren verbonden. En geeft daar een enorm teken van. De Here zei het tot Abraham en zegt het nu nog tot ons: zo zeker als die twee helften van de dieren bijeen horen, zo horen jij en ik bijeen. Ik kán wel een God zijn zonder mensen, maar ik wíl het niet. Ik wil leven met mijn kinderen op aarde. Laat ik hen los, dan ben ik eigenlijk de levende God niet meer. Ik wil voorgoed met hen verbonden zijn.

En deze hechte band met ons, deze solidariteit met ons, dit vasthouden aan zijn beloften van heil en zegen voor verloren zondaren, dat alles heeft God ten volle zichtbaar gemaakt door zijn Zoon, de Here Jezus Christus. In Hem is God helemaal Immanuël geworden, God met ons, onzer één, in lief en leed, tot in de grootste nood, ja tot in de dood. In Hem is Gods verbond echt onverbrekelijk gebleken.

En weet u, wat helemáál zo geweldig is? Denk nog eens aan de vloek, die de partijen over zichzelf uitspraken wanneer zij het verbond zouden breken. Ik heb de dood verdiend, ik moge sterven, zoals deze vaneen gescheiden dieren gestorven zijn, als ik scheiding breng tussen ons. Nu, de Here is nooit ontrouw, maar wij breken dat verbond dagelijks door onze zonden, door onze ongehoorzaamheid aan Gods geboden en ons ongeloof in zijn beloften. En nu neemt de Here zelf door zijn Zoon de dood, die wij daardoor verdiend hebben, op zich. Jezus Christus droeg aan het kruis plaatsvervangend uw en mijn vloek over onze ontrouw, uw en mijn straf over onze zonden. Daar, op Golgotha, werd zijn lichaam verbroken. Daar was het: God van God gescheiden. Daar heeft Hij de vervloeking van ons op zich geladen, opdat Hij ons met zijn zegening vervullen zou. Daar is zo het verbond vernieuwd en hersteld en daar is heerlijke vergeving verworven voor elke nieuwe zonde, elke nieuwe verbondsbreuk van onze kant. Daar is het ten volle een eeuwig verbond van genáde, van zuivere, eenzijdige, onverdiende genáde geworden. Want daar stond God zelf in voor onze ontrouw, leed Hij daarvoor, stierf Hij daarvoor. Waarbij zal ik weten, Here, dat u mij liefhebt en mij trouw blijft? Ach, gemeente, een heerlijker, rijker, troostvoller teken is er niet dan het kruis van Golgotha. Aan dát teken hebben u en ik toch meer dan genoeg? Geloofd zij de God van Abraham, van Israël, de Vader van onze Here Jezus Christus, die het heeft gezegd en waar gemaakt: Bergen mogen wijken en heuvelen wankelen, maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken en mijn vredesverbond zal niet wankelen, zegt de Here, uw ontfermer. Amen.