Afdrukken

Genesis 16 : 1 - 16


Wil je eerst het gedeelte uit de bijbel lezen?
Genesis 16 : 1 - 16
Nieuwe Vertaling
  1. Sarai nu, de vrouw van Abram, schonk hem geen kinderen, en zij had een Egyptische slavin, wier naam was Hagar.
  2. En Sarai zeide tot Abram: Zie toch, de HERE heeft mij niet vergund te baren; ga toch tot mijn slavin; misschien zal ik uit haar gebouwd worden. En Abram luisterde naar Sarai.
  3. En Sarai, de vrouw van Abram, nam Hagar, de Egyptische, haar slavin, nadat Abram tien jaar in het land Kanaan gewoond had, en gaf haar aan haar man Abram tot vrouw.
  4. En hij ging tot Hagar en zij werd zwanger; toen zij zag, dat zij zwanger geworden was, was haar meesteres verachtelijk in haar ogen.
  5. Toen zeide Sarai tot Abram: De krenking mij aangedaan, komt voor uw rekening; ik heb mijn slavin in uw schoot gegeven, en nu zij ziet, dat zij zwanger geworden is, ben ik verachtelijk in haar ogen; de HERE doe recht tussen mij en u.
  6. En Abram zeide tot Sarai: Zie, uw slavin is in uw macht; doe met haar wat goed is in uw ogen. Toen vernederde Sarai haar, en zij vluchtte van haar weg.
  7. En de Engel des HEREN trof haar aan bij een waterbron in de woestijn, bij de bron aan de weg naar Sur.
  8. En Hij zeide: Hagar, slavin van Sarai, vanwaar komt gij en waarheen gaat gij? En zij zeide: Ik ben op de vlucht voor mijn meesteres Sarai.
  9. En de Engel des HEREN zeide tot haar: Keer naar uw meesteres terug en verneder u onder haar hand.
  10. En de Engel des HEREN zeide tot haar: Ik zal uw nageslacht zeer talrijk maken, zodat het vanwege de menigte niet geteld kan worden.
  11. Voorts zeide de Engel des HEREN tot haar: Zie, gij zijt zwanger, en zult een zoon baren, en hem Ismael noemen, want de HERE heeft naar uw ellende gehoord.
  12. Hij zal een wilde ezel van een mens zijn; zijn hand zal tegen allen zijn en de hand van allen tegen hem, en hij zal ten aanschouwen van al zijn broederen wonen.
  13. Toen noemde zij de naam des HEREN, die tot haar gesproken had: Gij zijt een God des aanziens; want, zeide zij, heb ik hier ook omgezien naar Hem, die naar mij ziet?
  14. Daarom noemt men die put: de put Lachai-roi; zie, hij is tussen Kades en Bered.
  15. En Hagar baarde Abram een zoon en Abram noemde de zoon, die Hagar gebaard had, Ismael.
  16. En Abram was zesentachtig jaar oud, toen Hagar Ismael aan Abram baarde.

Voor 't laatst gehouden op 17 november 2002 te Hattem

Hagar

Gemeente des Heren,

Némen we kinderen of kríjgen we ze? Jonge echtparen zeggen het zonder schroom: met kinderen wachten we nog een paar jaar. We verdienen nu allebei goed in een full-time baan en het zou zonde - zonde? - zijn als dat niet meer kon. Eerst moet de hypotheek op het huis minder zwaar zijn. Moeten we goed in de luxe huishoudelijke apparaten zitten. Eerst nemen we dít, dan dát, en daarná némen we een baby. Het verraadt een materialistische levensinstelling. Het gaat voorbij aan het feit, dat het toch altijd nog de Hére is, die als Schepper vruchtbaarheid geeft en nieuw leven. Vraag het de echtparen maar, die ongewild kinderloos bleven. Hoeveel pijn doet het hen, als anderen praten over gezinsuitbreiding alsof het hetzelfde is als de aanschaf van nieuw meubilair. Zij beseffen tot in het diepst van hun verdrietige ziel, dat je kinderen niet zo maar kunt némen, maar ze een zégen van de Here zijn. Natuurlijk nam met de medische kunde ook de menselijke verantwóórdelijkheid toe. Een kind is nóóit uit de hemel komen vallen buiten zijn vader en moeder om, maar tegenwoordig helemáál niet. En ook in een hùwelijk kunnen we niet doen of we nog in de tijd van Abraham en Sara leven. Kinderen moeten echt gewíld zijn en niet een kwestie van pech hebben of een maandelijks lotje uit een loterij. Maar die menselijke verantwóórdelijkheid doet aan het werk van God níets af. Nog steeds némen we geen kinderen, maar kríjgen we ze. Nog steeds zijn kinderen een erfdeel van de Hére en is de vrucht van de schoot een onverdiende, genadige beloning, zegt psalm 127. Nog steeds opent of sluit de Hére de baarmoeder, om het met woorden uit de bijbel te zeggen.

Sara heeft het dus bij het rechte enid als ze zegt: Zie toch, de Here heeft mij niet vergund te baren. Zoals ook Abraham in het vorige hoofdstuk met recht tot God sprak: Zie, mij hebt Gij geen nakroost gegeven.

Een vraag voor ons allemaal, maar vooral voor jonggetrouwden: weten we ons óók in het voortbrengen van kinderen van de Hére afhankelijk? Beseffen we, dat we dan met héilige zaken bezig zijn, met de grootste geheimen en schatten van het leven? Bespreken we deze dingen sámen, en ook in het gebed met Gód, om er op een verantwoorde en christelijke manier mee bezig te zijn? Bereiden we ons gelóvig op ouderschap voor?

En nog een vraag: gaan we vol wijsheid en liefde om met kinderloze echtparen? Hoe vaak wordt hun met tactloze opmerkingen pijn gedaan: "kan jij dat bestuursbaantje niet van me overnemen? Je hebt geen handenbindertjes thuis."

En zo hebben Abraham en Sara het verdriet, dat er geen kinderen komen. Nog vergróót door het feit, dat in de oosterse wereld van toen kinderloosheid een schande was en men met minachting op kinderloze mensen neerkeek.

Maar bij Abraham en Sara komt er nog iets bij, dat het helemáál moeilijk maakt. De Here had hun een kind belóófd, zelfs toegezegd, dat hun nageslacht eens zo talrijk zal zijn als de sterren aan de hemel. Wat komt daar nu van terécht? Hun gelóóf wordt zo aangevochten. Vooral hun geloofsvolhárding, hun gedùld. Hoe lang wachten ze al tevergeefs. Ze zijn al tien jaar in het beloofde lánd Kanaän, doch het beloofde kínd wil God maar niet schenken. Het is zo levensecht, gemeente. We kunnen die twee zo aanvoelen. Vooral als ook wíj zo lang tevergeefs wachten op hulp of uitredding van de Here. Je bent al jaren ziek. Je hoopt nog steeds op genezing. Maar er komt geen verbetering in. Je kind komt na een ruzie al jaren niet meer thuis. Je hoopt zo op het wonder van verzoening, maar wat duurt het lang. Je hoopt al zo lang de ware pártner te ontmoeten, met wie je het leven aandurft, maar tot nu toe werd je teleurgesteld, zelfs bedrogen. Almaar vergeefs wachten. Je zou het geloof verliezen. Misschien wacht u, jij ook wel op iets, dat je als een echt geschenk van God zou ervaren, waarvan de vervulling een reden zou zijn om nooit meer aan Gods bestaan en liefde te twijfelen, maar het gebeurt niet. Laat het ons tot troost zijn, dat ook Abraham, de vader der gelovigen, en zijn vrouw, door zo'n jarenlange geloofsbeproeving heengingen. Ons overkomt niets vreemds. Het hoort blijkbaar bij de gebrokenheid van dit zondige aardse leven en bij de manier, waarop de Here met ons omgaat, ook, ja juist met zijn kínderen. Het kan Gods middel zijn om ons dicht bij Hem te houden, afhankelijk van Hem, verlangend naar Hem, roepend tot Hem: hoe lang, Here? Zouden we nóg zo met de Here bezig zijn, als we niets meer te wensen óver hadden? Het kan ook Gods middel zijn om, als Hij uiteindelijk helpt, zó te laten zien, dat het echt alléén een wonder van Hem is, tot zijn eer, om Hem te aanbidden, en géén prestatie van ons, dat ons in de verleiding brengt om trots te zijn en te denken, dat we het wel zónder de Here kunnen stellen.

Toch kent dit wachten ook gevaren. Niet alleen dreigen we ons geloof in Gods beloften te verliezen, wat in het vórige hoofdstuk werd verteld, waar Abraham ging twijfelen en de Here zijn beloften met tékenen moest bevestigen, maar we komen óók in de verleiding om de Here een handje te helpen en dáárvan lezen we in het hoofdstuk van vanmorgen. Sara geeft haar slavin Hagar aan Abraham. Wij vinden dat raar en zondig, omdat wij slechts het monogame huwelijk kennen, dat van één man met één vrouw, en de slavernij is afgeschaft, maar gezien de gewoontes en rechtsgebruiken uit díe tijd was het níet zo vreemd en afkeurenswaardig. Iedere welgestelde man had slavinnen, over wie hij volledig kon beschikken, maar van de slavin, die zijn vrouw in het huwelijk had meegebracht, moest hij áfblijven. Die bleef het vólle bezit van de vrouw alléén. Wanneer Sara echter haar huisslavin Abraham ter beschikking stelt, geeft zij als het ware iets van haar zélf. Daarom is het kind, dat eventueel geboren wordt, óók van haar. Het was een in die tijd vaker voorkomende manier van adoptie. Het heette dan dat de slavin baarde op de knieën van haar meesteres.

Maar wat normáál gebruik is, zélfs rechtsgebruik, hoeft nog niet góed te wezen in de ogen van de Hére. Want intussen sleutelen Abraham en Sara aan de instelling van het huwelijk en het gezin, zoals dat in de bijbelse scheppingsverhalen te vinden is. Ze rekken het op in de door hen gewenste richting. En dat kennen we ook wel in déze tijd. Ook in de huidige maatschappij is er genoeg, dat intussen bijna normaal wordt gevonden, maar tóch verkeerd is, níet volgens de scheppingsregels. Samenwonen, lat-relaties. Intieme relatie tussen mensen van hetzelfde geslacht. Het moet zelfs óók een huwelijk genoemd worden volgens het huidige Nederlandse recht. Twee vrouwen in een homoseksuele relatie met een kind, verwekt met het zaad van een onbekende of bekende man. Twee mannen in zo'n relatie met een kind van een draagmoeder. Het moet een gezin betekenen. Vreemde in de richting van de moderne mens opgerekte huwelijken en gezinnen.

En Abraham en Sara gaan niet alleen knoeien met Gods ínzettingen, ook met zijn belóften. In de eerste plaats halen ze die geweldige beloften omláág, nemen ze genoegen met wat mínder en met redeneren kom je dan een héél eind. Het kind is wel aan Ábraham beloofd, maar nog niet duidelijk aan Sára. Waarom kan een ander de moeder niet wezen? En volgens het adoptierecht zal het toch éigenlijk van Sara zijn al is een slavin de natuurlijke moeder. En in de tweede plaats maken ze van Góds daden ménsenwerk. Ze proberen die zélf waar te maken.

Ach, wat zijn ze blind. Ze denken er góed aan te doen, maar ze verprùtsen het. Ze denken de Here een handje te helpen, maar ze rijden Hem in de wielen. Ze denken een probleem op te lossen, maar de problemen worden alleen maar groter. Met al hun menselijke activiteiten, goed bedoeld en vergezeld van een bewonderenswaardige spitsvondigheid en zelfopoffering, raken ze tóch dieper in het slop. Omdat het gelóóf er eigenlijk niet meer is. Natuurlijk mogen we niet líjdelijk en wérkeloos wachten op Gods verlossing, op zijn vrede, zijn vrijheid, zijn recht. Natuurlijk moeten we de weg van de míddelen bewandelen, maar dan wel de weg die Hij ons in zijn gebóden heeft gewezen, en níet daarnaast. En het is ook niet de bedoeling, dat we zijn enorm rijke beloftes degraderen en verarmen tot wat menselijk háálbaar is, door ons mensen te realiseren.

Dat kan bijvoorbeeld ook door de politisering van het evangelie, waar we in de kerk soms toe geneigd zijn. Gods heil wordt dan een politiek doel, dat we met politieke middelen proberen te bereiken. De vrede van God kun je verarmen tot een wereld zonder oorlog, die je met een idealistische politiek van pacifisme probeert te bereiken. De bevrijding van God kun je verarmen tot de bevrijding van de arbeidersklasse van de kapitalistische bazen, die je met een communistische revolutie probeert te bereiken. Gods recht kun je beperken tot mensenrechten. Gods Koninkrijk der hemelen tot een aards Rijk van welvaart en welzijn. Dat je met allerlei middelen probeert te realiseren.

Het zijn nog best mooie idealen. En men offert er zich vaak op een bewonderenswaardige manier voor op. En toch zit men op het verkeerde spoor. Zoals ook Abraham en Sara op het verkeerde spoor zaten. En zoals ook de Here Jezus begreep, dat Hij op het verkeerde spoor zou zitten, als Hij een aards vrederijk ging vestigen en zich voor dat doel tot koning zou laten uitroepen door de massa, die hem alleen maar zocht om de broden.

Maar laten we niet vergeten naar ons zelf te kijken. Zijn ook wíj al niet gauw tevreden met wat op deze aarde haalbaar is? Als je goed verdient, gezond bent, een fijn gezin hebt, wat wil je nog meer? En proberen we dat óók niet met eigen prestaties te halen? Wat is het moeilijk, ja van ons uit onmogelijk om in God te geloven. Te geloven in niets minder dan wat de Here beloofd heeft aan wonderen van eeuwig heil. En te geloven, dat Hij het zal doen. En niet wij. Want mensenwerk loopt altijd vast. Hoe mooi ons doen en laten ook lijkt, de lelijke aard van ons, zondaren, komt vroeg of laat toch weer boven.

Hoe offert Hagar zich op door een kind voor haar meesteres te dragen en die daarna aan haar af te staan. Doch ze blijkt maar méns. Ze verheft zich trots boven haar meesteres, minacht die, kent haar plaats niet meer als slavin, omdat zij wèl vruchtbaar is. Hoe cijfert Sara zich weg, door Hagar als tweede vrouw aan Abraham te geven zodat zijn liefde niet meer onverdeeld op háár gericht is. Ze stelt dit adoptieplan zélf voor. Doch ze blijkt maar méns. Want als gebeurt wat de bedoeling is, wordt ze jaloers, kan ze de plagerijtjes van Hagar niet verdragen. Zelfverloochening en edelmoedigheid zijn gewéldige zaken, maar duren gewoonlijk níet lang. Maken gauw plaats voor trots en jaloezie. Een mens kan zedelijk en geestelijk niet zo láng op zijn tenen lopen. We blijken soms snel weer ordinaire, kinderachtige zondaren, die elkaar het leven zuur maken. We kunnen ons eigen ik een tíjdje wegcijferen maar het steekt tóch de kop weer op, in hoogmoed over wat wíj hebben en een ánder mist, in jalóezie over wat wíj missen en een ánder heeft. Als we naar Hagar kijken, hoe is het dan met ónze trots, zelfvoldaanheid, opschepperijtjes over wat we uiteindelijk maar gekregen hebben? Want alles is een gave, ook onze capaciteiten en wat we er mee hebben bereikt. Alles is vergeefs als de Here er zijn zegen niet aan geeft. Het gevaar is zo groot, dat we Gods zegeningen niet tot zíjn eer en tot heil van de nááste gebruiken, maar tot éigen eer en macht en om de naaste daarmee ónder ons te houden. Als we naar Sara kijken, hoe is het dan met ónze jaloezie? Kunnen we het hebben als een ander ons voorbijstreeft, wat gezonder is dan wij, wat ruimer in de middelen zit, wat hoger klimt op de maatschappelijke ladder? Of wordt dan bij ons ook het duiveltje van de afgunst wakker? Opgekropte jaloersheid heeft vaak tot de domste en afschuwelijkste daden geleid. Kaïn is daar al een voorbeeld van.

En dit alles speelt zich in het gezín van Abraham af. Het gezin, waar we dagelijks met elkaar omgaan, dicht bij elkaar leven. Daarom is het gezín vooral het proefstation van de menselijke verhoudingen. Daarbuiten kunnen we ons nog anders voordoen dan we zijn, maar daarbinnen niet. Soms verbaas je je over de verschillen. Een vader, die tegenover zijn collega's de vriendelijkheid en tegemoetkomendheid zelve is, blijkt thuis een norse mopperaar. Een jongen die zo netjes schijnt op te passen, is thuis een treiterende dwarsligger. Hoe gaan we met elkaar om als man en vrouw, ouders en kinderen, kinderen onder elkaar? Ja ook als broer en zus? Hebben we vaak ruzie omdat we bang zijn tekort te komen, achtergesteld te worden? Kunnen we wat met elkaar delen of niet? Erg, als er soortgelijke wanverhoudingen groeien als die tussen Hagar en Sara, een verziekte sfeer met vernederingen, plagerijtjes, streken en jaloerse haat. Gezinnen zijn er compleet door stuk gegaan. Ook voor een goed gezinsleven hebben we het allemaal, jong en oud, nodig, dat we bekéérd worden, dat de Here Jezus ons een nieuw hart geeft, vol liefde. Vragen we Hem erom, afzonderlijk en met elkaar?

Zo gaat het mís in Abrahams gezin en we krijgen het gevoel, dat hij daar zélf óók schuld aan heeft. Door een slappe rol te vervullen en zijn gezag als gezinshoofd niet te gebruiken. Want het is Sara, die haar beklag bij hem doet en onder aanroeping van God als de hoogste Rechter eist, dat Abraham recht doet in deze wantoestand. Er is een boek, met als titel: de vaderen zijn niet meer. We leven volgens de schrijver in een vaderloze cultuur. Het gezag van de vaders als gezinshoofden is uitgehold. En de schrijver somt de gevolgen daarvan op. Niet allemaal even goede. Mannen en vaders mogen níet met een beroep op de bijbel de báás spelen, eigen zín doordrijven, wat helaas óók nog wel gebeurt. Maar ze mogen evenmin de hun door God gegeven plichten als hoofd van het gezin verzaken. Ze moeten in hun gezinnen zorgen voor de rechte verhoudingen en dat niet pas als het eigenlijk al te laat is. We krijgen het gevoel, dat Abraham te laat en te slap is in zijn maatregelen. Hoe functioneren wíj als mannen en vaders in onze gezinnen? Of functioneren we er nauwelijks in met het excuus, dat we in ons werk al zorgen genoeg aan ons hoofd hebben?

Abraham verbreekt de relatie met Hagar en geeft haar aan Sara terug, zodat de verhoudingen weer hetzelfde worden als voorheen: zie, uw slavin is in uw macht. Doe met haar wat goed is in uw ogen. Maar Abraham moet niet alleen aan Sára recht doen, ook aan Hágar. Hij is bijzónder verantwoordelijk voor haar nu zij van hem een kind verwacht. Maar daar merken we niets van. Hij geeft haar hélemaal weer in de macht van Sara alsof er niets is gebeurd en levert haar zo ook aan de willekeur van Sara uit. En die geeft haar jaloezie en gekwetste trots alle ruimte door Hagar flink omlaag te halen, haar de nederigste slavenbaantjes te geven en te straffen als er ook maar íets niet in orde is. Hagar kan dat niet verdragen. Ook zíj heeft haar trots. Ze had zo van haar eervolle positie als tweede vrouw genoten en nu wordt ze nog erger vernederd dan voorheen.

Ze slaat op de vlucht. Waarschijnlijk probeert ze terug te keren naar haar land van herkomst, Egypte, want, zo staat er, de engel des Heren trof haar aan - vond haar, staat er eigenlijk - bij een waterbron in de woestijn, aan de weg naar Sur en Sur lag op de grens tussen Israël en Egypte. We zien haar daar zitten in onze gedachten. Moe van de tocht. Verdrietig om alles wat is gepasseerd. Onrustig van de spanningen. Zonder gezelschap. Zonder bescherming. Geen rooskleurige toestand. Vooral niet als je een kind in je schoot draagt. Dat geeft je extra zorg en kwetsbaarheid. Toch is ze niet aan haar lot overgelaten, want de engel des Héren vindt haar.

Zo kan het óók met óns gaan. Ineens ligt buíten je schuld of dóór je schuld het oude vertrouwde leventje achter je. Ineens heb je noden en zorgen, angst en verdriet. Ineens lijk je eenzaam en verloren, is het of je alle grond onder de voeten kwijt bent. Ineens is het verleden afgesneden en zie je geen toekomst. Je kent een dieptepunt in je leven, als Hagar bij de bron in de woestijn. Maar juist in zùlke omstandigheden weet de Here ons te vinden, zoals de engel des Heren Hagar vond. Juist op zùlke momenten arrangeert de Here zijn ontmoetingen met verloren mensen. Komt Hij hen reddend nabij. Zullen we dat niet vergeten? En de engel des Heren vond haar. En dan mogen wij gerust aan de engel, de bode des Heren bij uítstek denken. Jezus Christus. Heerlijk om zo op de vlucht gevonden te worden. Op de vlucht voor mensen, voor vastgelopen toestanden, voor vernederingen en narigheden, zonder te weten misschien wel op de vlucht náár nog méér narigheden, en dat je dan wordt stil gezet en wordt aangesproken door de God van liefde en trouw in Jezus Christus, die je toch nóóit uit het gezicht verliest en dat Hij je dan bij je naam noemt en je door en door blijkt te kennen, ook al vraagt Hij indringend naar je verleden en je toekomst, zoals bij Hagar.

Hagar, slavin van Sara, vanwaar komt gij en waarheen gaat gij? Dat zijn de belangrijkste vragen in ons leven, vooral wanneer de Here God ze stelt: vanwaar? Waarheen? Waar kom je vandaan en waar is de reis naar toe? Wat is je verleden en wat voor toekomst denk je voor je te hebben? Het zijn beschamende en ontdekkende vragen. Want het is een verleden dat beladen is met zonde en schuld, waarvoor we wel op de vlucht kunnen gaan, maar dat ons altijd zal blijven achtervolgen, als we er niet mee in het reine komen door middel van vergeving. En het is een donkere, uitzichtloze toekomst, het gaat naar de dood en de eeuwige verlorenheid als we niet door de Here Jezus gered worden. Maar gelukkig zijn die vergeving en redding te vinden bij Hem, die die vragen stelt. Hij heeft zijn Zoon, Jezus Christus, gegeven om het verleden genadig uit te wissen, om onze zonden te werpen in de diepte van de zee en om ons een hoopvolle toekomst te geven over de donkere muur van de dood heen.

Zo wordt Hagar door de engel des Heren gevonden. En ze belijdt eerlijk: ik ben op de vlucht voor mijn meesteres Sara. Immers voor de Here valt niets te verbergen, valt alleen maar alles eerlijk en uit het diepst van onze ziel te belijden. En haar toekomstplannen durft ze niet eens uit te spreken.

De engel stuurt haar terug naar de haar door God gegeven plaats. Daar trots en opstandig uit wegvluchten is niet de juiste weg, al is het te dragen kruis zwaar. Niet elk kruisje in het leven kunnen en mogen we eigenwillig ontvluchten. Het kan Gods bestémming zijn dat we het drágen en Hij zal ons daar dan wel bij helpen en ons zijn zegeningen niet onthouden.

Hagar krijgt ook troostende beloften mee. Ze zal een zoon krijgen. Ismaël, dat betekent: de Here hoort, omdat de Here naar haar ellende gehoord heeft. Haar nageslacht zal talrijk zijn. Wel zal het een volk zijn, even trots en ontembaar als de wilde ezel, een volk van eigenzinnige Arabische bedoeïenen, dat de andere volken tegen zich heeft, vooral het broedervolk Israël. Het voert te ver over deze profetie van de engel uit te weiden, een profetie, die nù nog in het midden oosten bezig is in vervulling te gaan. Het gaat ons vooral nog even om de náám, die zij aan de Here geeft: God des aanziens en om de naam van de pùt, waarbij die ontmoeting plaats vindt: Lachai Roï, bron van de levende, die mij ziet. Want, zei zij, heb ik hier ook hier omgezien naar Hem, die naar mij ziet? Zelf ziet ze niets en niemand om zich heen, waant ze zich volstrekt eenzaam, doet haar verdriet haar alleen maar aan zichzelf denken, ziet ze ook niet om naar de God van Abraham en Sara, die ze heeft leren kennen, maar Hij kijkt wèl naar haar om. Het maakt haar beschaamd en blij.

Gemeente, ook wij hebben een levende God des aanziens, een God, die naar ons ziet, ook als wij niet naar Hem opzien, als we het zicht op Hem zijn kwijt geraakt, door verdriet en tegenslagen, misschien wel zelfmedelijden. Een God die naar ons kijkt met tedere ogen vol ontferming, met ogen van barmhartigheid en liefde. Een God, die naar ons, voortvluchtige, opgejaagde zondaren kijkt met de ogen van Jezus Christus. Is dat niet geweldig? Ismaël - de Here hoort aan. Lachai Roi - de Here ziet aan. De Here hoort en ziet ook u, jou aan. Heus. Amen.