Inlogformulier


Zoeken


Website
Internet

De Bijbel

Mijn weg door de kerk Wil je weten over welke gedeeltes uit de Bijbel in deze website informatie staat?

Mijn Facebook

Ga naar: mijn Facebook

Contact

Genesis 17 : 9 - 14 en 23 - 27


Wil je eerst het gedeelte uit de bijbel lezen?
Genesis 17 : 9 - 14 en 23 - 27
Nieuwe Vertaling
  1. Voorts zeide God tot Abraham: En wat u aangaat, gij zult mijn verbond houden, gij en uw nageslacht, in hun geslachten.
  2. Dit is mijn verbond, dat gij zult houden tussen Mij en u en uw nageslacht: dat bij u al wat mannelijk is besneden worde;
  3. gij zult het vlees van uw voorhuid laten besnijden, en dat zal tot een teken van het verbond zijn tussen Mij en u.
  4. Wie acht dagen oud is, zal bij u besneden worden, al wat mannelijk is in uw geslachten: zowel wie in uw huis geboren is, als wie van enige vreemdeling voor geld is gekocht, doch niet van uw nageslacht is.
  5. Wie in uw huis geboren is en wie door u voor geld gekocht is, moet voorzeker besneden worden; zo zal mijn verbond in uw vlees zijn tot een eeuwig verbond.
  6. En de onbesnedene, de man namelijk, die het vlees van zijn voorhuid niet laat besnijden, die mens zal uitgeroeid worden uit zijn volksgenoten: hij heeft mijn verbond verbroken.
  1. Daarop nam Abraham zijn zoon Ismael en allen die in zijn huis geboren waren, ook allen die door hem voor geld gekocht waren, al wat mannelijk was onder Abrahams huisgenoten, en hij besneed het vlees van hun voorhuid op diezelfde dag, zoals God tot hem gesproken had.
  2. En Abraham was negenennegentig jaar oud, toen hij het vlees van zijn voorhuid liet besnijden.
  3. En zijn zoon Ismael was dertien jaar oud, toen hij het vlees van zijn voorhuid liet besnijden.
  4. Op diezelfde dag werden Abraham en zijn zoon Ismael besneden.
  5. En al zijn huisgenoten, zowel die in zijn huis geboren, als die van een vreemdeling voor geld gekocht waren, werden met hem besneden.

Voor 't laatst gehouden op 3 augustus 2003 te Hattem

De besnijdenis

Gemeente des Heren,

Een gevoelig onderwerp vanmorgen. Letterlijk en figuurlijk. Want het gaat over de besníjdenis. Het is létterlijk gevoelig omdat er dan in ons lichaam, ons vléés, gesneden wordt en dat is meestal héél gevoelig, geeft eigenlijk altijd píjn. Bovendien wordt er in een stukje vlees gesneden dat éxtra gevoelig en teer is, en dus hévig pijn doet. En het is figùùrlijk gevoelig omdat het aan een lichaamsdeel gebeurt, dat gevoelsmatig zwaar belast is, omdat het met seks te maken heeft. Het mannelijk geslachtsorgaan. Als je op catechisatie het erover hebt, wordt er natuurlijk echt op gereageerd als je van pubers kan verwachten, met gniffelen, giechelen, soms flauwe grapjes. Want het onderwerp maakt verlegen, geeft valse schaamte, zorgt voor een ongemakkelijke houding van jongens tegenover meisjes en omgekeerd.

Bij ons worden de pasgeboren jongetjes niet besneden, zoals bij de joden nóg en óók bij de islamieten, maar ze worden mét de meisjes gedóópt. Het oude doopformulier zegt zelfs dat de doop in de plááts van de besnijdenis gekomen is. Dat is niet in álle opzichten zo, maar er zit wel een stùkje waarheid in. Het zijn allebei tekenen van God, dat wij zíjn volk mogen zijn, dat Hij een verbónd met ons wil sluiten, ons wil verlóssen. De besnijdenis is dat teken in het oùde verbond, met Israël, de doop is dat teken in het niéuwe verbond, met ieder die het van de Here Jézus mag verwachten. Daarom zullen we, wanneer we nadenken over de besnijdenis, vanzelf ook de betekenis en waarde van de dóóp beter begrijpen.

Maar wat gebeurt er nu bij de besnijdenis precies? De voorhuid, het voorste velletje van het mannelijk lid, dat het topje bedekt, wordt weggesneden. Waarom? Dóm was men vroeger niet. Gebruiken ontstonden niet zómaar. Daarom gaan we ervan uit, dat het médische achtergronden heeft. In de eerste plaats komt het de hygiëne ten goede. Men kan het wat beter schoon houden en zo ontsteking voorkomen. Maar ten tweede kan de voorhuid soms te strak en te nauw zijn, wat pijnlijke problemen oplevert bij het vrijen. Je praat er natuurlijk niet met iederéén over, maar er zijn jóngens genoeg, die door de uroloog in het ziekenhuis om medische redenen besneden zijn met het oog op het naderend huwelijksleven met de vrouw die men liefheeft. En zo is waarschijnlijk óók onder de oude volken de rituele besnijdenis ontstaan, want het gebeurde op de leeftijd, dat men geslachtsrijp was geworden en als voorbereiding op het huwelijk. Het was, met een deftige franse term gezegd, een rite de passage, een teken dat men in het leven een belangrijk station passeerde en men van kínd volwássene werd. Symbolisch werd de belemmering voor een huwelijk weggenomen. De belemmering dus voor een verbond van liefde en trouw tussen man en vrouw, voor een heerlijk samenleven met elkaar, een rijke en fijne eenheid met elkaar, een levenswandel voor elkaars aangezicht.

Als God Mozes er op uit stuurt om Israël uit Egypte te bevrijden, protesteert de laatste. Hoe zou Farao naar mij luisteren? Want ik ben onbesneden van lippen? Waarmee hij bedoelt: ik kan moeilijk spreken, ik ben daarin belemmerd en geblokkeerd. Als Jeremia Gods Woord aan zijn volksgenoten moet brengen, protesteert hij ook. Ze luisteren niet, zegt hij. Ze zijn doof. Hun oor is onbesneden. Er dringt niks doorheen. Maar God zegt via het teken van de besnijdenis: Ik zal tóch zorgen voor een open, communicatieve verbondsrelatie tussen Mij en mijn volk. Een relatie zonder belemmeringen en verstoppingen. Een heerlijke geestelijke verhouding van liefde en trouw, waarin we onbelemmerd met elkaar zullen praten en naar elkaar zullen luisteren. Een openhartig innig omgaan met elkaar zoals man en vrouw in een huwelijk. Zo'n fijn verbond bedoel ik, zegt God. En Ik promoveer de besnijdenis tot een teken daarvan.

En heeft de doop niet dezelfde betekenis? Ja zeker. Daarmee zegt God ook: Ik sluit mijn verbond met jou. Jij bent voortaan onbelemmerd voorwerp van mijn liefde en genade in de Here Jezus Christus. En als ze allebei, besnijdenis en doop, al zo snèl na de geboorte van een nieuw mensenkind, plaats vinden, wil dat tot onze tróóst zeggen, dat de Here ons al dirèct een bijzóndere levensgrens laat passeren. De overgang van het oude verloren leven buiten Hem naar het nieuwe leven in zijn verbond. Dat Hij al aan het prille begin van ons leven álle belemmeringen wegneemt om zich in liefde en trouw met ons te verbinden en ons in staat te stellen zich in liefde en trouw met Hem te verbinden. God wil in Jezus Christus onze Redder zijn, wil van ons houden, voor ons zorgen, over ons waken, ons leiden, ons de zonden vergeven, ons met zijn gaven toerusten, ons reinigen van het kwade, ons voorbereiden op de eeuwige zaligheid. En dat al vanaf onze gebóórte. Al vanaf díe tijd heeft Hij ons zijn heil toegezegd en is Hij liefdevol met ons bezig. Wat een blijde boodschap voor ons allemaal, voor oud en jong. De Here staat aan het begin van ons leven. Niet alleen als onze Schepper, maar ook als onze Verlosser. En we zijn voorgoed met Hem verbonden. We dragen altijd door het teken, dat we bij Hem horen.

En als de besnijdenis gebeurt aan het stukje van ons lichaam, dat met de voortplanting te maken heeft, wil dat óók zeggen, dat de Here zijn verbond van liefde en trouw met ons voortzet van geslacht tot geslacht. Van de ene generatie op de andere. Dat krijgt in Genesis 17 ook álle nadruk. De Here belooft daarin aan Abraham: Ik zal mijn verbond oprichten tussen Mij en u en uw nageslacht in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u en uw nageslacht tot een God te zijn. Maar Hij vráágt ook van Abraham: En wat u aangaat, gij zult mijn verbond houden, gij en uw nageslacht in hun geslachten. Het is de menselijke ervaring, dat ook het kwáád zich bij ons voortplant. Dat is zó diep in ons bestaan doorgedrongen, dat elk nieuw mensenkind daar niet vrij van is. Elke pasgeborene is in een mensengemeenschap terecht gekomen, waarin de zonde welig tiert, en het zal er onherroepelijk door besmet worden. Het heeft ook eigenschappen en begeertes meegekregen van de ouders en het verdere voorgeslacht, die, als ze later openbaar worden, niet zó best zijn. Er wordt een hoop kattenkwaad afgekeken van anderen, maar ouders vragen zich ook wel eens zuchtend af: waar háált dat kind het vandaan? Het kwaad gaat van buitenaf naar binnen, en het komt van binnenuit naar buiten. Het heeft in ieder geval zijn wortels heel diep in ons menselijk geslacht. Toen David verslagen en beschaamd nadacht over zijn overspel met Bathseba moest hij óók erkennen hoe diep het kwaad wel in zijn hart zat. Het zat al bij de bronnen van zijn bestaan. Zie, in ongerechtigheid ben ik geboren, in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen. Het zit er niet in geschápen, want dan zou God de máker van het kwaad zijn, en Hij schiep alles juist goed, maar het zit er wel in vóórtgeplant. Het hoort helemaal bij ons huidige bestaan. We kunnen er ons zelf niet los van zien. Wat een verdriet.

Maar wat een troost, dat de Here met zijn goedheid en trouw óók zo diep in onze mensengemeenschap wilde neerdalen. Bij wijze van spreken ook zijn verbond van genade wil doen voortplanten bij ons, zodat elk nieuw mensenkind in zijn heil mag delen. Het verbond met Abraham, zijn vrind, bevestigt Hij ook van kind tot kind. Dat zegt de besnijdenis. Dat zegt ook de doop, vooral de kinderdoop. God zegt zo via die tekenen: mijn belofte van vergeving en verlossing, van eeuwig heil, geldt niet alleen voor jou zelf, maar ook voor je kinderen. Ik wil niet minder hèn vasthouden in mijn trouw en liefde. Ik wil niet minder mijn zegenende handen over hèn uitspreiden. Ik wil niet minder hùn Zaligmaker zijn door de Here Jezus Christus. Maar Hij vraagt aan de andere kant ook van ons om dat verbond te houden van kind tot kind. Om elk nieuw geslacht in aanraking met Hem en zijn Zoon, de Here Jezus, te brengen. Om elk nieuw geslacht op te voeden in geloof, hoop en liefde. Om elk nieuw geslacht te leren wat het is om de Here te dienen en daarin voor te gaan. "Ik zal Uw Naam bij elk geslacht doen kennen. Van kind tot kind zal het zich aan U gewennen". Wat heerlijk als zo het estafettestokje van het evangelie, van Gods heil, wordt doorgegeven in de loop der geslachten. Bovenal door het werk van God, maar waarbij Hij ons mensen toch ook inschakelt, want het verbond is wel eenzijdig door Hem opgericht, en Hij staat ervoor in, dat het eeuwig stand houdt, maar er zit toch ook een menselijke kant en verantwoordelijkheid aan. En zo meldt geslacht aan geslacht Gods goedheid en Gods kracht, de grootheid van Gods daden. Zo gaat een blinkend spoor van lof de eeuwen door en prijzen we Gods genade.

En dat het verbond vooral een gééstelijke zaak is en geen kwestie van simpel van óuders erven alleen, heeft Israël nogal eens moeten leren. Menigeen dacht als besnedene automatisch in dat verbond opgenomen te zijn en automatisch onder Gods bescherming te staan en vergat voor het gemak, dat er bekéring en een leven van geloven en gehoorzamen voor nodig was. Het moet een zaak van ons hárt wezen. Vandaar dat Jeremia zijn volksgenoten ook oproept: Besnijdt u voor de Here en doet weg de voorhuid van uw hárt. En zo moeten ook wíj ervoor blijven waken, dat het teken van de doop niet een soort polis van een geestelijke levensverzekering wordt, die we diep in de kast stoppen en waar we verder niets mee doen. Waarbij we ons leventje op de oude zondige voet voortzetten. Besnijdenis en doop zijn geen tekenen die ons willen stijven in ons onbekeerd zijn, daar zelfs nog een vroom dekmanteltje voor leveren, maar integendeel. Het zijn juist symbolische handelingen die ons er op wijzen, dat onze oude leven er hélemaal aan moet. Immers bij de besnijdenis wordt er in ons vlees gesneden en nog wel in dat stukje vlees dat toch altijd symbool is geweest van onze menselijke mácht, potèntie, lévensdrang, levensdrift en begeerte. Op dat laatste heeft God het namelijk niet zo begrepen. Dat is de oorzaak geweest van onze vervreemding van Hem, onze afwijzing van Hem, van onze drang om het zelf allemaal te doen en te regelen op deze aarde, zonder Hem. Dat is de oorzaak geweest van allerlei kwaad en onrecht, van verdrukking en geweld, van haat en oorlog. Van liefdeloosheid en egoïsme. Die pure levensdrift. Dat leven in het vlees, zoals het in de bijbel ook wel genoemd wordt. Dat leven dat louter door begeertes gedreven wordt. En dat zo vaak ontaardt in machtswellust en andere wellust. Kijk, dáár moet het mes in, wil het komen tot een goede en fijne verbondsrelatie met God. Dat doet pijn, maar het moet. Dat loslaten, dat afleggen van ons oude leven. De doop, door de Here Jezus ingesteld en bevolen, is daar zelfs een nóg radicáler teken van. Vooral de doop door onderdompeling. Want die is er een symbolische uitbeelding van, dat ons oude leven helemaal sterft en verdwijnt. In het oordeel van God óndergaat. Met en in Christus wordt gekruisigd en begraven. Zegt Paulus dat ook niet in een wat moeilijk stukje van zijn brief aan de Kolossenzen? In Hem, Jezus, zijt gij ook met een besnijdenis, die geen werk van mensenhanden is, besneden door het afleggen van het lichaam des vlezes, in de besnijdenis van Christus, daar gij met Hem begraven zijt in de doop. Kortom, is onze doop allereerst al in díe zin een geestelijke werkelijkheid voor ons geworden, dat ons oude leven met ons zelf en onze verlangens in het middelpunt, ons oude leven buiten en zonder God, er is áángegaan? Dat we daarmee zijn vástgelopen? Het ons is áfgenomen? Dat het misschien nog vaak genoeg de kop op steekt, maar het niet meer onze vriend is, doch onze vijand is geworden? Dat is dan gelijk de geboorte van het nieuwe leven. Het leven in een open liefdevolle verhouding met God. Het leven in zijn verbond met ons. Het verloste leven. Het leven achter de Here Jezus aan. Het leven, waarin we niet meer onze eigen begeertes gehoorzamen, maar Gods wil en Woord doen.

Willen we dat nieuwe leven gaan leiden? Positief reageren op de oproep van de Here God: Leef uit mijn verbond? Het valt op hoezeer Abraham daartoe bereid is. Hij doet direct letterlijk wat God hem vraagt. Om dat extra accent te geven gebruikt de schrijver precies dezelfde woorden, wanneer Hij Gods opdracht om te besnijden beschrijft én Abrahams gevolg geven daaraan. Wat een heerlijke hartelijke gehoorzaamheid. En dat natuurlijk niet alleen aan de opdracht om zich zelf en de zijnen te besnijden, maar om helemaal, in alle opzichten, vanuit Gods verbond te leven. De záák van het verbond houdt oneindig veel meer in dan het téken van het verbond alléén. Het teken is er juist alléén maar om op die záák te wíjzen. De gedeeltes in Genesis 17 die over de besnijdenis gaan, zijn deel van het hele hoofdstuk, waarin God zijn verbond met Abraham opnieuw sluit en waarin de Here Abraham begint toe te spreken met de woorden: Ik ben God, de Almachtige, wandel voor mijn aangezicht en wees onberispelijk, oprecht, uit één stuk. Dan zal Ik u zegenen met een talrijk nageslacht en met het beloofde land Kanaän. Zo is het laten dopen van onze kinderen niet het énige wat God van ons vraagt in zijn verbond met ons en is ons gevolg geven daaraan ook niet het énige dat van onze kant moet komen. 't Is slechts het symbóól van een héle levenswandel voor het aangezicht van God de Almachtige. Vertrouwend op al zijn beloften. Gehoorzamend aan al zijn geboden. Alle delen van ons lichaam, ja ons hele leven aan Hem verliezend, aan Hem wijdend en offerend. Zullen we dat doen? Daar komt het op aan. Dat alleen is de ware weg tot ons eeuwige behoud. Stellen we ons daar bùiten, dan loopt het mís. De ernst daarvan horen we óók in ons schriftgedeelte. En de onbesnedene, de man namelijk, die het vlees van zijn voorhuid níet laat besnijden, die mens zal uitgeroeid worden uit zijn volksgenoten: hij heeft mijn verbond verbroken. Het klinkt hard en wreed. Alsof God de voltrekking van de doodstraf eist voor wie weigert zich te laten besnijden. Je voorhuid of je leven. Zoals het in de middeleeuwen door de kerk wel eens aan joden is voorgehouden: je doop of je leven. Maar dat is natuurlijk niet de bedoeling. 't Wil zeggen, dat iemand die bewust níet tot het volk van God wil horen, die zich bewust bùiten Gods verbond houdt, die de pijnlijke maar reddende ingreep van de bekering níet wenst, die zijn oude leven níet wil verliezen om een nieuw leven te krijgen, en daarom ook achteloos het teken van het verbond afwijst, dat zo iemand zichzelf in de ban doet, zichzelf buitensluit buiten de zaligmakende gemeenschap met God, zichzelf uitsluit uit het volk, waarmee God zijn heerlijke verbond heeft gesloten. En buiten God is het nergens veilig. Buiten God volgt vroeg of laat de ondergang, de uitroeiing.

En daarom is het zo belangrijk, zo noodzakelijk met het oog op ons heil, maar ook zo heerlijk, om bij God te leven. Voor zijn Aangezicht. Persoonlijk. En als gezinnen. Zullen we dat doen?

En als we tekort schieten, terugvallen in het verkeerde, van onze kant het verbond met God even breken? Denk er dan aan, dat Jezus achter ons staat, ons wil vergeven en opnieuw met ons wil beginnen. Hij is helemaal solidair met ons. Want Hij is op de achtste dag van zijn leven besneden en Hij is door Johannes de Doper in de Jordaan gedoopt. Een gevoelig onderwerp. De besnijdenis. Toch ook een onderwerp, waar een bijzondere boodschap van uitging. Naar ons toe vanmorgen. Heeft het ons geraakt op een gevoelig plekje ... in ons hart? Amen.



Plaats reactie


Beveiligingscode
Vernieuwen

Leer mij uw wil te volbrengen,
u bent mijn God,
laat uw goede geest mij leiden
over geëffende grond.
Psalm 143 : 10