Afdrukken

Genesis 14:1-17 en Genesis 14:21-24


Wil je eerst het gedeelte uit de bijbel lezen?
Genesis 14 : 1 - 17 en 21 - 24
Nieuwe Vertaling
  1. Het gebeurde nu in de dagen van Amrafel, de koning van Sinear, Arjok, de koning van Ellasar, Kedorlaomer, de koning van Elam, en Tidal, de koning der volken,
  2. dat dezen oorlog voerden tegen Bera, de koning van Sodom, Birsa, de koning van Gomorra, Sinab, de koning van Adma, Semeber, de koning van Seboim, en de koning van Bela, dat is Soar.
  3. Deze allen kwamen in bondgenootschap naar het dal Siddim, dat is de Zoutzee.
  4. Twaalf jaar hadden zij Kedorlaomer gediend en in het dertiende jaar waren zij in opstand gekomen;
  5. en in het veertiende jaar kwam Kedorlaomer met de koningen die bij hem waren, en zij sloegen de Refaieten te Asterot-karnaim, de Zuzieten te Ham, de Emieten te Sawe-kirjataim
  6. en de Chorieten op hun gebergte Seir tot El-paran, dat aan de rand der woestijn ligt.
  7. Daarna keerden zij terug en kwamen te En-mispat, dat is Kades, en sloegen het gehele gebied van de Amalekieten, en ook de Amorieten, die te Chaseson-tamar woonden.
  8. Toen rukten de koning van Sodom, de koning van Gomorra, de koning van Adma, de koning van Seboim en de koning van Bela, dat is Soar, uit en zij stelden zich tegen hen in slagorde in het dal Siddim,
  9. tegen Kedorlaomer, de koning van Elam, Tidal, de koning der volken, Amrafel de koning van Sinear, en Arjok, de koning van Ellasar, vier koningen tegen vijf.
  10. Het dal Siddim nu was vol asfaltputten. Toen de koning van Sodom en die van Gomorra vluchtten, vielen zij daarin, en de overgeblevenen vluchtten naar het gebergte.
  11. En zij namen al de have van Sodom en Gomorra en al hun voedsel en trokken af.
  12. Ook namen zij Lot mede, de zoon van Abrams broeder, en zijn have, en trokken af; hij nu woonde te Sodom.
  13. Toen kwam een vluchteling en deelde dit mede aan de Hebreeer Abram; hij nu woonde bij de terebinten van de Amoriet Mamre, de broeder van Eskol en Aner, die Abrams bondgenoten waren.
  14. Toen Abram hoorde, dat zijn broeder als gevangene was weggevoerd, bracht hij zijn geoefenden, degenen die in zijn huis geboren waren, in de strijd, driehonderd achttien man, en achtervolgde hen tot Dan toe.
  15. En zij verdeelden zich des nachts tegen hen in troepen, hij en zijn slaven, en versloegen hen en achtervolgden hen tot Choba toe, dat ten noorden van Damascus ligt.
  16. En hij bracht al de have terug, en ook zijn broeder Lot en diens have bracht hij terug, evenals de vrouwen en het volk.
  17. Toen ging de koning van Sodom uit, hem tegemoet, nadat hij teruggekeerd was van het verslaan van Kedorlaomer en de koningen die met hem waren, naar het dal Sawe, dat is het Koningsdal.
  1. De koning van Sodom nu zeide tot Abram: Geef mij de mensen, en behoud de have voor u.
  2. Doch Abram zeide tot de koning van Sodom: Ik zweer bij de HERE, bij God, de Allerhoogste, de Schepper van hemel en aarde:
  3. Zelfs geen draad of schoenriem, ja niets van het uwe zal ik nemen, opdat gij niet kunt zeggen: Ik heb Abram rijk gemaakt!
  4. Geenszins, alleen wat de knechten hebben verteerd en het aandeel der mannen die met mij gegaan zijn, Aner, Eskol en Mamre, laten die hun aandeel ontvangen.

Voor 't laatst gehouden op 18 augustus 2002 te Hattem

Abraham redt Lot

Gemeente des Heren.

Abraham op het oorlogspad. Dat is misschien níeuw voor ons én valt ons tégen. Wie had dát van de vader der gelovigen gedacht? We zien hem als een in tenten rondtrekkende vééboer, maar als légeraanvoerder? Tóch is hij in een zware strijd gewikkeld.

In ons hoofdstuk is het trouwens één en ál wapengekletter. Struikelde u over de vreemde namen van al die koningen, landen en steden? Geeft niet. Het komt in het kort op het volgende neer.

De grote rijken in het uitgestrekte gebied ten oosten van Israël, waar nu Iran en Irak liggen, hadden een verbond, een coalitie, gesloten. Te vergelijken met de NAVO of de Europese Unie. Dat gaf hen gróte macht tot vèr naar het westen. En zo waren de kleine stadstaatjes in de omgeving van de huidige Dode Zee, waaronder Sodom en Gomorra, vazalstaatjes van hen geworden. Ze moesten hen díenen, een mooi woord voor: ze werden door hen uítgebuit. Te vergelijken met de macht van de voormalige Sovjet-Unie over de Oost-Europese vazalstaten: Polen, Tsjecho-Slowakije, Hongarije, Bulgarije. Óf eerlijk gezegd en wat dichter bij huis, ook wel wat te vergelijken met de macht, die wij vroeger over onze koloniën hadden: Indië, Suriname, de Antillen, waar we ook goed van hebben geprofiteerd.

Maar na 12 jaar dienst, oftewel onderdrukking, komen de stadvorsten in opstand. Te vergelijken met de Hongaarse opstand en de Praagse lente. Toch ook wel met de vrijheidsstrijd van Indonesië. Reden waarom de koningen uit het oosten een strafexpeditie naar hen ondernemen. Te vergelijken met het binnenrijden van de tanks van het Warschaupact in Boedapest en Praag. Of - ik zeg het met respect voor de Nederlandse soldaten die daarbij waren betrokken - eígenlijk ook wel met onze politionele acties in Indië. Ze trekken met hun legers eerst langs hen heen, verder naar het zuiden, om vóór alles de handelswegen naar Egypte veilig te stellen. Handel en economie zijn vaak de drijfveren om oorlog te voeren. Te vergelijken met de Golfoorlog die je niet los kan zien van de olierijkdommen in dat gebied. Maar op de terugweg maken ze met hun overmacht tóch korte metten met deze zwakke vazalkoningen. Al hebben die tijd genoeg gehad om zich op de aanval voor te bereiden en zich in slagorde op te stellen, ze worden uiteengedreven. En op hun vlucht het gebergte in, waar de schuilplaatsen zijn, komt menigeen in de dalen daarvóór in verraderlijke asfaltputten terecht. Een stroperige massa, verborgen onder een dun laagje zand, die je onherroepelijk de dood in zuigt.

Prediker heeft gelijk. Niets nieuws onder de zon. Het is het aloude liedje in de héle wereldgeschiedenis. Tot nu toe. Aan de ene kant bondgenootschappen aangaan, coalities, allianties, verdragen, om macht en rijkdom te vergroten. Zwakke vijanden vernietigend verslaan. Mensen en hun eigendom bruut in bezit nemen. Aan de andere kant onderdrukt worden, uitgebuit, gekolonialiseerd. In opstand komen. En neergeslagen worden. Op de vlucht gedreven worden. Omkomen in oorlogsgeweld.

In zó'n wereld leeft Abraham al, de eerste, die de weg van het gelóóf mag gaan. In zo'n wereld leven wij óók nog, als gemeente van Jezus Christus, duizenden jaren later. Ja, het is nóg erger geworden, want de wapens werden veel doelmatiger en vernietigender. Het Geweer kwam. Het kanon. Het geleide projectiel. De scudraket. De atoombom.

Het zijn de tekenen der tijden, waar Jezus op wees. Je zult horen van oorlogen en geruchten van oorlogen. Volk zal tegen volk opstaan en koninkrijk tegen koninkrijk. Het zijn de tekenen van onze zondeval met zijn enórme gevolgen. De tekenen, die ons vertellen, dat deze wereld zó vroeg of laat zichzélf aan zijn eindje helpt. Niet voor niets spreekt Jezus over deze tekenen der tijden in zijn rede over de láátste dingen. Het zijn de tekenen, die roepen: Uw Koninkrijk kome, ja die schrééuwen om een Koninkrijk van vrede en gerechtigheid.

Dagelijks lezen we in de krant van oorlog, geweld, onderdrukking, uitbuiting. Van de talloze slachtoffers, die zo worden gemaakt. We zien het ook op de beeldbuis. Zijn we afgestompt? Is het een soort ver van mijn bedshow geworden? Óf schamen we ons en worden we verdrietig over het kwaad, dat we bedrijven en waar we collectief de schuld van dragen? Wekken ze ons op om des te méér ons heil te zoeken bij de Here Jezus, de ware koning van vrede en recht, omdat Hij de énige is, die ons aan de zelfdestructie van deze wereld kan laten ontkomen?

Én trekken we ons he lót van de slachtoffers aan, door voor hen te bidden én de helpende hand uit te steken? Abraham gaat dat immers ook doen, als hij hoort, dat Lot door de koningen uit het oosten als buit is meegenomen. Want denk niet dat het grote verschrikkelijke wereldgebeuren ons, individuutjes, altijd voorbíj gaat. Het rólt soms over ons heen. Zoals de tweede wereldoorlog over ons volk heen rolde en enorme gevolgen had voor talloze persoonlijke levens. De ouderen weten he nog goed. We raken er onherroepelijk in betrokken. We worden Lot-genoten, u begrijpt wat ik bedoel. Alleen kan de manier, waaróp dat gebeurt kan verschillen. Zoals er ook een verschil is tussen Lot en Abraham op dit punt.

Want Lot had de vruchtbare Jordaanvlakte gekozen met de welvarende steden daar. Lot was in Sodom gaan wonen, de goddeloze stad. Hij was afgeweken van Gods weg. En had zich midden in de wereld gevestigd, aangetrokken door de wéélde, het comfórt daar. Zonder zich bewust te zijn van de geváren daar. En eigenlijk sollicitéér je er dan naar, dat je een keer slachtoffer wordt van de harde wetten van heerszucht en geweld die in deze wereld gelden. Al denk je nóg zo sterk te zijn, een kéér kom je een sterkere tegen, tegen wie je het loodje legt. De koningen rond de jordaanvlakte dachten óók sterk genoeg te zijn om zich van het juk van de oosterse koningen te bevrijden. En sommige van hun stammen zijn zelfs reuzen volgens bijbelse gegevens elders: de Refaïeten, de Zuzieten en de Emieten. Maar ze worden verslagen. En Lot, die zich tussen hen in had gevoegd, wordt erin meegesleurd. En híj niet alleen, maar ook zijn have, en dat betekent niet alleen zijn bezit, maar ook zijn familie en personeel. Een extra verantwoordelijkheid, die we dragen. We brengen niet alleen ons zélf in gevaar, wanneer we ons té nauw met de kwade machten verbinden, maar óók degenen, die ons ná staan. Onze vrouw, man, kinderen, ons personeel en bedrijf. Zeker, ook Gods kínderen kunnen er ongewild in meegesleurd worden. Ze wonen niet op een onbewoond eiland. Maar als we ons midden in deze wereld vestigen, ons hélemaal aanpassen aan het leven van de óngelovigen moeten we er helemáál niet vreemd van opkijken, dat het een keer tégen ons gaat werken. Dat we net als Lot, als Lot-genoten van hem, door de machten van deze wereld, economische, politieke, militaire, méégesleept worden. We onze vríjheid kwijt raken. Gevángene worden van die machten. In de wereld schíjnt het vrijheid blijheid te wezen, maar het wórdt uiteindelijk droeve gevangenschap. Als slaaf meegesleurd worden. Steeds verder weg. Verder van het land van Gods beloften. Opgepast. Het leven in deze wereld buiten God lijkt zo mooi, maar het kon je wel eens díep ongelukkig maken en je van álles beroven. Lot is het waarschuwend baken in zee.

En Abraham? Het gaat eerst aan hem voorbij, omdat hij als vréémdeling vertoeft in het land van Gods beloften, in voor de wereldmachten niet interessant woestijngebied. Men laat hem met rust. Het lijkt al een zégen van Gód op de goede keus die Abraham maakte. Hóuwen zo, zouden we zeggen. Blijf zitten, waar je zit en verroer je niet. Toch heerlijk om zo de dans van de wereldmachten te ontspringen. Misschien denken wij dat óók wel heimelijk. Verschrikkelijk, die wantoestanden die er in de Balkan waren, deels nóg wel zijn, in Israël en Palestina, in Tsjetsenië, Colombia, misstanden in véle gebieden van deze wereld. Maar toch een zégen, dat het ons deurtje tot nu toe voorbijgaat. Het moet maar zo blíjven. Vréselijk al die vluchtelingen en asielzoekers in deze wereld, net als Lot door de machten weggesleept van waar ze zich thuis voelen, en er moet wat aan gedaan worden, maar als ze in gróte aantallen in je dorp of stad worden ondergebracht is he toch even slikken of protesteren. Zo gaat het toch?

Maar wat doet Abraham, als een vluchteling hem komt vertellen, dat Lot als gevangene is weggevoerd? Hij schiet zijn neef te hulp. Hij zegt niet: eigen schuld, dikke bult, Lot. Had je maar niet de verkeerde keus moeten maken en in Sodom moeten gaan wonen. Had je maar op Góds wegen moeten blijven. Hij zegt ook niet: ik wil best helpen, hoor, maar wat moet ik in mijn eentje tegen die gróte legers? Het zou een zelfmoordactie zijn. Abraham heft excuses genoeg om neutraal te blijven, zich afzijdig te houden, zich niet in een wespennest te steken. En die redenen vinden wíj óók wel, serieuze, of flauwe smoesjes. Moeten ze het niet zélf weten als ze elkaar daar dood willen vechten? En wat heeft mijn hulp voor zin bij zóveel nood, het is toch maar een druppel op een gloeiende plaat?

Maar Abraham doet het anders. Hij trekt er op uit om Lot te redden. Hij stort zich vrijwillig in het gevaarlijk gewoel van de wereldmachten. Om iemand die tussen die machten bekneld is geraakt te bevrijden. Want neef Lot is ondanks alles geestelijk zijn broeder. Zijn wel wat áfgedwaalde broeder, maar tóch zijn broeder, zoals er staat. En dan kán het niet anders, of als christelijke gemeente denken we niet alleen aan Abraham, maar ook aan de grote zoon uit het geslácht van Abraham, de Here Jezus. Hij had zich ook afzijdig kunnen houden. Bij zijn Vader in de hemel. Hij had kunnen denken: die eeuwige hemelse heerlijkheid heb ik toch maar als buit te pakken en die laat ik me niet ontnemen, om woorden van Paulus vrij te vertalen. Hij had kunnen zeggen: eigen schuld, mensen, had je maar niet in zonden van je God af moeten vallen. Eigen schuld, dat je gevangene bent van de kwade machten, die je zelf in het leven hebt geroepen. Het is Gods oordeel over jullie. Nee, Hij daalt in zijn grote liefde en trouw in het strijdgewoel van deze aarde neer. Hij begeeft zich midden tussen de machten. Tussen Pilatus, Herodes, de Farizeeërs. Hij stelt zijn leven daar voor ons in de waagschaal. Hij achtervolgt de machten van het kwaad op zíjn bijzonder wijze, stelt ze aan de kaak, ontwapent hen, overwint hen. Om óns daar tussenuit te redden. Hij schaamt zich óók niet ons zijn broeders te noemen, en natuurlijk ook zijn zusters. En bevrijdt ons als de grote broeder in de nood door zijn kruisdood en opstanding. De machten lijken ook hém fijn te drukken en te doden, maar Hij komt zo juíst als Overwinnaar en Bevrijder te voorschijn. Wat heerlijk dat Lot Abraham nog heeft, en in broederlijke solidariteit zijn leven voor Lots bevrijding op het spel wil zetten. Wat heerlijk, dat wíj, van God afgedwaalden, ook zo vaak speelbal van de wereldse machten, de Here Jezus nog hebben als onze Bevrijder. Door eigen schuld beknéld geraakt in het kwaad, Lotgenoten van Lot, meegesleurd door de overste van deze wereld, maar door Jézus genadig geréd van het kwaad. Door eigen schuld méégesleept door de zonden, door Jezus genadig terùggevoerd om opnieuw te mogen beginnen. Wat een Verlossing.

Zien we ons zélf zo achter Lot? Beseffen we dat we zo zijn 'Lot'genoten zijn? Maar zien we ook de Here Jézus zo achter Abraham? Dát is toch het evangelie? Het evangelie van de verlossing van ons zondige, verloren, aan kwade machten prijs gegeven mensen door de liefdevolle, trouwe, alle machten overwinnende Jézus. Gelóven we in dit evangelie? Léven we eruit? Héérlijk is dat. Het geeft ons échte troost en rust.

Maar als we ons zó door de Here Jezus gered weten, verandert dat dan niet ons héle leven? Oók onze opstelling tegenover mensen, die tussen de kwade machten worden fijn gedrukt? Gaan wij dan óók niet de weg van Abraham, ja de weg achter Jezus aan, door niet werkeloos aan de kant te blijven, allerlei excuses verzinnend, maar helpend en reddend in te springen als de naaste in nood zit? Het is toch onze bróeder, onze zùster, die we níet in de steek kunnen laten? Net zo min als Jezus óns in de steek liet? Ja, dan gaan wij er óók op af. Ondanks de bezwaren. En de gevaren. Het mogen dan afgedwaalde schaapjes zijn van de kudde, die kerk heet en de herder die God heet, zoals ook Lot was afgedwaald. Ze mogen dan te veel in de wereld zijn opgegaan, waardoor ze in de narigheden zijn terecht gekomen, zoals ook met Lot het geval was. We gaan ze tóch te helpen. Degene die dreigt om te komen door de honger, niet zo zeer door droogte ontstaan, maar veel meer nog door een oorlog of een corrupte misdadige regering. Ik denk aan Zimbabwe. Degene, die als vluchteling in een kamp verkommert. Ik denk aan de vele Afghanen, die nog steeds in kampen zitten en miljoenen anderen in de wereld. Ik denk aan de asielzoekers. Maar het kan ook die zieke buurvrouw zijn of die eenzame buurman.

Maar je kunt in je eentje toch niet de hele wereld aan? Nee, maar dat hóeft ook niet. Het gaat om die éne of énkelen, die Gód op onze weg plaatst. Zoals Abraham zich met name voor Lót verantwoordelijk voelt. En het gaat erom, dat we ook ánderen inschakelen. Zoals Abraham zijn trouwe knechten meenam én hij ook in bondgenootschap met zijn buren, de Amorieten Aner, Eskol en Mamre er op uit trok. Samen met ánderen kan veel goeds gebeuren. Kunnen veel hélpende en bevríjdende daden worden verricht. Het kan samen met mensen, met wie je he gelóóf deelt. Door zomaar spontaan de koppen bij elkaar te steken om ergens nood lenigend in te springen. Ik denk aan de hulpacties voor mensen in Oost-Europa, Roemenië, de Oekraïne. Of in het meer gestructureerde verband van een gemeentelijke commissie, een kerkelijke stichting. Diaconaat en werelddiaconaat. De dienst van barmhartigheid en gerechtigheid. Het hoeft daarbij zélfs geen schande te zijn om samen te werken met mensen van een ándere levensovertuiging, die zich tóch voor hetzelfde inzetten. Abraham werkt ook samen met zijn Amoritische buren. Ik denk aan artsen zonder grenzen, het Rode Kruis, Amnesty International.

En zo gaat Abraham op het oorlogspad. Met driehonderd achttien man. De uitleggers taxeren dit getal heel verschillend. Volgens sommigen wekt vergelijking met buitenbijbelse gegevens uit die tijd het vermoeden, dat het voor toen om een respectabel leger ging. De bevolkingsdichtheid was toen immers nog gering. Anderen noemen het een klein zwak groepje, een soort gideonsbende - Gideon trok immers ook maar met 300 man op de veel sterkere vijand af - en zien het als een wonder van God, dat Abraham daarmee de strijd wint. Het lijkt mij in ieder geval óók, dat Abraham vér in de minderheid moet zijn geweest. Want grote uitgestrekte oosterse rijken moeten bij een goed voorbereide strafexpeditie toch méér volk op de been hebben gehad dan Abraham, die slechts op korte termijn wat woestijnbewoners bij elkaar kon trommelen.

Abraham gaat tactisch slim te werk. Hij splitst zijn legertje in groepen, die 's nachts vanuit verschillende kanten verrassingsaanvallen uitvoeren op de vijand. En zo wordt Lot met anderen bevrijd. Er wordt zelfs bij vermeld dat de vijand tot ver, tot noordelijk van Damascus achterna wordt gezeten. Abraham wordt zo duidelijk afgeschilderd als de héld, die de kwade machten een smadelijke nederlaag toebrengt. En ik zie daar toch de wonderlijke, reddende hand van Gód in, die Abrahams daad van solidariteit met succes bekroont. Heeft het ook niet alles met Abrahams roeping te maken? Die roeping hield de belofte in: Ik zal u zegenen, maar tegelijk ook de opdracht: wees een zegen. En nu Abraham deze opdracht vervult, maakt de Here zijn belofte ook waar. Wie de weg van de solidariteit gaat, van liefde en trouw, de weg van de bevrijdende hulp aan wie door wereldse machten worden fijn gedrukt, die is in zijn zwakheid tóch sterk, omdat de Hére aan zijn kant staat. Die zal uiteindelijk overwinnen, zowaar als Jezus Christus heeft overwonnen en als sterke held opstond uit de totale zwakte van de dood. Het is niet vergeefs, als we ons in zetten voor de redding van onze naaste uit de klauwen van het kwaad. We mogen dan alle moed en vertrouwen hebben. We volgens zo immers de Here Jezus na.

Maar ik houd tóch met één ding grote moeite, denkt u misschien. Abraham gaat dan tóch maar op het óórlogspad. Met wápens in de hand. Bereid om medemensen te dóden. Hij strijdt wel voor een goede en rechtvaardige zaak, maar moet je je daar op díe manier voor inzetten? Bestáát er wel een rechtvaardige oorlog? Een moeilijk ethisch probleem. Eigenlijk het aloude vraagstuk van het pacifisme. Zeker, in het komend vrederijk van God zullen de volken hun zwaarden tot ploegscharen omsmeden en hun speren tot snoeimessen en ze zullen de oorlog niet meer leren. Oorlog ís en blíjft een kwaad, maar is het soms tóch een noodzákelijk kwaad om de boze machten op hun alles kapotmakende weg te stuiten? Wát als de geallieerden het Hitlerrijk van Duitsland niet hadden aangevallen om ons te bevrijden? En al is het in Sebrenica misgegaan, de vredessoldaten van de Verenigde Naties in tal van brandhaarden in deze wereld deden en doen toch belangrijk werk. Al hebben ze geen bevoegdheid om zware wapens te gebruiken.

Aan de andere kant moet je ook altijd weer oppassen voor de verleiding om je helemaal aan het levenspatroon van deze wereld áán te passen. Afzijdig blijven is niet goed. Reddend inspringen is geboden. Maar dan is het óók zaak om weer de nodige áfstand te bewaren. En niet te proberen om onder het mom van het zoeken van vrede en recht, je eigen politieke en economische macht uit te breiden en je te verrijken. Ik denk aan Abrahams ontmoeting met de koning van Sodom. Het is niet duidelijk of het om dezelfde gaat, die de strijd tegen de oosterse koningen verloor en met de zijnen in de asfaltputten terecht kwam. Wist hij zich daar nog uit te redden of gaat het om zijn opvolger? In ieder geval wil hij het met Abraham op een akkoordje gooien. Zeker, naar wereldse maatstaven heeft de overwinnaar recht op de héle buit. Op de ménsen, die als slaven dienst kunnen doen, en de háve, alles wat verder aan voedsel, gereedschap, wapens enz. van de vijand kon worden afgepakt. Maar alles kwijt zijn is óók wat. Is het ergste dat een mens, die het alleen van déze wereld verwacht, kan overkomen. En wat moet Abraham met zoveel mensen in de woestijn? Geef míj de mensen en behoud de háve voor u. Maar Abraham geeft alles terug en zweert daarbij bij zijn God. Hij wil zich niet aan de wereldmachten verbinden en verplichten. Hij wil helemaal vríj van hen blijven en voorkomen, dat ze ook maar énige morele druk op hem kunnen uitoefenen en hem voor het een of ander kunnen claimen. Hij wil niet door hèn rijk gemaakt worden, alleen door zijn Gód, de Here, de Allerhoogste. Want de rijkdom van de wéreld maakt je tot slááf maar de rijkdom van Gód maakt je vríj. Abraham verliest zijn verantwoordelijkheidsgevoel voor anderen daarbij niet uit het oog. Hij denkt aan zijn knechten en zijn bondgenoten. Die mogen hun aandeel bèst ontvangen. Die moeten óók door de wereld en hebben zich tenslotte móedig gedragen. Maar voor zichzélf eist hij niets op. Zelfs geen draad of schoenriem. Hij was best bereid om vuile handen te maken bij de bevrijding van wie door de wereldmachten werden meegesleurd, hij was daar zelfs heel ver in gegaan, maar Hij wil tegelijk zijn handen vríj hebben tegenover de wereld en zijn machten om, nergens aan gebonden, zijn Gód te kunnen dienen en van Góds zegeningen en gaven te kunnen leven. De zomaar voor het grijpen liggende macht over mensen en rijkdom van have geeft hij prijs ter wille van zijn gééstelijke vrijheid, de vrijheid om zijn Gód te kunnen dienen. De vrijheid om zijn God alle eer te kunnen geven voor diens rijke gaven en zegeningen. Niemand mag ooit zeggen: ik heb Abraham rijk gemaakt. Dat blijft alleen aan de Hére voorbehouden. Kennen wij ook deze instelling? Dat bij ons alles om de Here gaat, niet om de eer van andere mensen, de eer van ons zelf, maar om de eer van Gód? Beste mensen, de Hére heeft mij rijk gemaakt. Wat dat betreft ben ik Abrahams genoot.

Ja, het is een hele kunst om hélemaal in de wereld te duiken, niet afzijdig te blijven, maar zich bevrijdend in te zetten voor wie door de wereldmachten worden fijngedrukt, daarvoor zelfs vuile handen te durven maken en tegelijk zélf de handen helemaal vrij te houden en niet met het patroon van denken en handelen, dat deze wereld heeft, mee te doen. Moge God zelf ons deze kunst geven door Zijn Heilige Geest. Dan ervaren we ook die wonderlijke combinatie, dat we voor anderen tot een zegen zijn én daarbij zelf rijk gezegend worden. Amen.