Kop

De website van Arie Tromp

Kies uw taal
Pick your language

Mijn gegevens

      Mijn gegevens

  Adres: Populierenlaan 30,
                 2925 CT Krimpen aan den IJssel
  Vaste telefoon: 0180 522828
  Mobiele telefoon: 06 44046099

  Adres in: Google Printview
  Email: info@dsatromp.nl

ATromp
Het laatst gehouden te: Maassluis
op: 29 april 2018
Handelingen 2 : 11 Vreemde talen

Filippenzen 2 : 9 - 11


Wil je eerst het gedeelte uit de bijbel lezen?   

Hoog verheven

Gemeente des Heren,

Koning Willem Alexander Het was vrijdag koningsdag. Een feestdag van ons Nederlandse volk. Met muziek. Dans. Sport. Kinderspelen. Lampionoptochten. Vuurwerk.

Waarom hebben we zo'n dag? Om het gevoel te beleven, dat we één volk zijn. Met een eigen geschiedenis, een eigen volksaard. We horen bij elkaar.

En onze koning is het symbool daarvan. Zijn geboortedag is koningsdag. En hij is telg uit het huis van Oranje, de familie die een belangrijke rol speelde bij het ontstaan van ons volk en al eeuwen lang nauw met de geschiedenis van ons volk is verbonden. Zo vierden we onze eenheid, maar ook onze vrede, onze vrijheid, onze welvaart, ons welzijn, onze rechtsstaat. Met de koning als spil. Men juichte hem toe. Elke knie boog wel niet voor hem, maar hij is wel de majesteit. Hij staat hoger dan de gewone man.

Zo kun je Pasen een soort koningsdag van koning Jezus noemen. Zijn tweede geboortedag na Kerst. De dag dat Hij uit de dood opstond in een nieuw leven. En alle macht en eer kreeg.

Paulus legt dat verband als hij schrijft dat Jezus als mens is verschenen, zich heeft vernederd, gehoorzaam werd tot in de dood aan het kruis - op Goede Vrijdag - en God hem dáárom bovenmate verhoogd heeft - op Pasen. Pasen is om zo te zeggen de nationale feestdag van Gods volk. Ter ere van de koning van dat volk, Jezus Christus.

Elke koning is bijzonder. Weinig landen zijn een koninkrijk, hébben een koning. En elk koninkrijk heeft er maar één. Een koning is per definitie de eerste en de hoogste van een volk. Dat is er altijd maar één.

Maar koning Jezus Christus is wel héél bijzonder. Hij is het licht der wereld en koning Willem Alexander kan met alle respect alleen maar in zijn schaduw staan.

Dat is al zo wanneer we denken aan hun verschil in komaf. Koningen zijn van hoge komaf. Stammen af van zeer adellijke families. Vroeger werd ook alleen binnen die families getrouwd. Het blauwe bloed moet zo blauw mogelijk blijven. De hoge status moet ook als het even kan nog hoger worden. Zo krijg je ook een opeenstapeling van titels: prins, graaf, baron, hertog, heer van, noem maar een plaats of streek. De ene vorst kan op een nog hogere afkomst bogen dan de andere. Die van Willem Alexander mag er ook wezen.

Maar koning Jezus Christus is toch van nog veel hoger komaf. Hij stijgt zelfs als enige boven de grenzen van ons mensen uit. Want Hij is het die de gestalte van God had. Schrijft Paulus. Dat zijn waarschijnlijk niet zijn eigen woorden, maar hij begint er een oude christelijke hymne mee te citeren. Zeg maar een oud koningslied ter ere van koning Jezus.

Wat kan een koning er hoogstaand uitzien. Vooral als hij een schitterend uniform draagt met veel onderscheidingstekens. Je wordt er als zijn onderdaan trots van als je hem zo tussen andere groten der aarde ziet. Maar zo heeft Jezus zelfs de gestalte van God. Zijn verschijning is als van God. Zo heerlijk, glorieus, oogverblindend licht uit stralend, daar kan je niet eens als mens naar kijken, laat staan er een staatsieportret van maken. Nu kan dat alleen maar de uiterlijke verschijningsvorm zijn. Christus kan alleen maar de gestalte, het uiterlijk van God gehad hebben. Het griekse woord wijst daar ook op. Morphè. Vorm. Iemand kan er wel als koning uitzien, maar het is niet echt. Hij speelt het in een opera of een toneelstuk met toneelkleding.

Maar zo liggen de zaken bij Jezus niet. Hij was echt aan God gelijk, zingt onze hymne verder. Het was niet uiterlijke schijn maar echte werkelijkheid. Hij zag er niet alleen als God uit, maar was het ook. God uit God, licht uit licht, waarachtig God uit waarachtig God, geboren, niet gemaakt, van hetzelfde wezen met de Vader.

Wat een bijzondere komaf. Ik kan me voorstellen, dat het een trots gevoel geeft als je Willem Alexander echt ontmoet. Of dat de tranen je in de ogen springen als je het Wilhelmus plechtig hoort spelen. Maar als deze christelijke hymne koning Jezus Christus bezingt als God in zijn uiterlijke heerlijkheid en in zijn innerlijke wezen, dan springen je als christen toch de tranen helemaal in de ogen!

Onze tong mag belijden: Ik heb een koning, die meer is dan een mens. God zelf. Een die ver boven alle menselijke adel uitstijgt. Verhevener is en rijker dan wie ook. De hele aarde is zijn rijksdomein. Ja niet alleen op de aarde, maar ook daarboven in de hemel en daaronder in het donkere rijk van de boze zal eens elke knie zich voor hem buigen. Ook zijn paleis vol schatten staat niet op aarde maar in de hemel. Ik heb een koning, die overal en altijd de baas is. En als een koning zijn onderdanen beschermt tegen de vijand, hun vrede, vrijheid en welvaart biedt, gerechtigheid en barmhartigheid onder zijn volk bevordert, wat een goede koning toch doet, wat ben ik dan rijk met een hemelse koning, die alle macht heeft om mij dat werkelijk te geven. Onder koning Jezus ben ik echt vrij, gelukkig. Ik kan er niet beter aan toe zijn dan met zo'n koning. Halleluja.

Hoe word je trouwens koning? Hoe werd Willem-Alexander dat? Hoe bereid je je daarop voor? Door ernaar toe te groeien en op te klimmen. Je studie is er op gericht. Je praktijk lopen in allerlei sectoren van de samenleving. Je krijgt steeds meer functies en verantwoordelijkheden, die erop zijn gericht. En na zo'n groei, in karakter, kennis, ervaring, zeggen kenners en schrijft de pers op een gegeven moment, dat je het wel aankunt. Eerst noemen is ze je prins pils, en dan schrijven ze over je: hij is er klaar voor! Het is een gestage lijn naar boven.

Maar hoe werd Jezus Christus koning? Door een enorme duik naar beneden. Hij houdt niet krampachtig aan zijn gelijkheid met God vast. Maar doet daar afstand van. Hij wordt gelijk aan ons mensen. Hij duikt de diepte van ons bestaan in. Zo neemt hij de gestalte van een slaaf aan. Eigenlijk net andersom. Let op de volgorde in onze hymne. Jezus wordt niet eerst mens. Waarmee hij toch eigenlijk nog een aardige positie inneemt. Als het hoogste schepsel, begaafd met verstand, gevoel, taal, handigheid. De koning van de schepping. Die van God de taak kreeg om over de hele aarde te heersen. Waarná Jezus nog dieper neerdaalt om de laagste mens te worden: slaaf. Nee, mens geworden, is hij per definitie al slaaf. Zo erg haalden wij ons zelf omlaag. We zijn arme slaven van onze zucht naar macht, eer, rijkdom, zingenot. We heersen niet over onze driften, maar worden erdoor overheerst. We zijn slaven van de economie, de welvaart. We bezitten de aardse goederen niet, maar worden erdoor bezeten. We zijn als slaven onderworpen aan misbruik door anderen, machtiger dan wij. We zijn ook onderworpen aan natuurgeweld, ziekte, de dood. Zo zeer zijn we door het kwaad aan lager wal geraakt. Maar zo laag daalt koning Jezus ook direct naar ons neer, hij wordt slaafse mens. En dat echt. Hij is echt als mens zichtbaar verschenen op aarde, aangetroffen, gevonden staat er letterlijk. Al blijft hij wezenlijk God.

Dat is het bijzondere van Jezus' koningschap. Hij klimt niet op maar daalt neer. Hij was rijk maar werd omwille van ons arm. Hij stond hoog maar ging omwille van ons laag staan. Hij blijft niet ergens in de hogere regionen steken, maar vernedert zich, zelfs tot een ter dood veroordeelde toe. Hij is geen koning, zo las ik, die eruit springt maar die er in sprong. Hij blijft niet boven zijn volk staan, maar gaat onder zijn volk staan. En in die lage stand wordt hij gehoorzaam en blijft hij gehoorzaam ondanks alle weerstand en haat, tot de dood toe. Gehoorzaam aan waar een koning gehoorzaam aan moet zijn en waarin hij zijn volk moet voorgaan: gehoorzaam aan Gods wil dat een samenleving rechtvaardig is, we eerlijk met elkaar omgaan, we zorg voor elkaar hebben, we niemand laten creperen in armoede, we de machtigen de zwakken niet laten uitbuiten, we de vluchtelingen een plaats geven, we opkomen voor zieken, eenzamen. Heerlijk. Onze tong mag belijden: Ik heb een koning, die wel aan God gelijk is, oneindig veel meer macht en glorie heeft als een aardse koning. Maar een, die naar de aarde kwam niet om gediend te worden maar om te dienen en zijn leven te geven als losgeld voor velen, ook voor mij. Een, die mij lief had tot het einde. Een, die helemaal naast mij staat, zelfs dragend onder mij. Een, die mij begrijpt in mijn zwakheid, mijn slaaf zijn. Een, die mij aanvoelt in mijn pijn, verdriet, eenzaamheid, mijn angst voor de dood. Een, die mijn falen, mislukkingen, grove misstappen, mijn schuld, verlorenheid, met mij mee draagt en voor mij wegdraagt. Immers, ook een, die in deze lage staat naast mij aan Gods wil gehoorzaam blijft, terwijl ik schrijnend en schreeuwend ongehoorzaam ben. Ik heb een koning die mij bevrijdt van mijn vijanden, de boze, de dood. Ik heb een koning die mij vrede geeft, rust, vreugde, geluk. Dank je, koning Willem Alexander, voor wat je voor ons volk, zo ook voor mij, bent. Maar, met alle respect, je kunt toch niet tippen aan koning Jezus Christus, mijn koning tot in het diepst van mijn hart.

En daarom, omdat hij zo'n bijzondere koning voor de wereld wilde zijn, heeft God hem ook verhoogd. Op het paasfeest. Bij zijn opstanding uit de dood.

Hoe word je als koning geïnstalleerd? Dat is op verschillende manieren gebeurd in de geschiedenis. In de middeleeuwen werd een koning soms door de paus gekroond. Waardoor die met een soort goddelijke sanctie regeerde. Napoleon zette in het bijzijn van de paus zelf de keizerskroon op zijn hoofd. Hij had de sanctie van niemand nodig. Alleen van zichzelf. Koning Willem Alexander werd niet gekroond, maar ingehuldigd. Door de leden van de Eerste en Tweede Kamer, de volksvertegenwoordigers. Want wij leven in een democratisch land met volkssoevereiniteit. De koning regeert alleen met de sanctie van ons volk. Willem-Alexander kan een roemrijk voorgeslacht hebben, en bij de ondertekening van wetten kan hij zich naar oud gebruik wel koning bij de gratie Gods noemen, als de meerderheid hem niet meer als koning wil, is het voor hem einde oefening.

En koning Jezus Christus? Hoe is hij als koning geïnstalleerd? Daarom heeft God hem bovenmate verhoogd. Over het wonder van Pasen spreekt de bijbel altijd met twee woorden: Christus is opgestaan en Christus is opgewekt. En dat laatste deed God, zijn Vader. Jezus kreeg voor zijn reddend werk alle hulde van niemand minder dan God zelf. Hij is als dank voor dat werk door niemand minder dan God zelf koning gemaakt. Niemand minder dan God zelf zette hem de kroon op het hoofd. Jezus is werkelijk de koning bij de gratie van God, dankzij de gunstige wil van God.

Daarom kan niemand Jezus ook meer afzetten als koning. Geen paus. Geen president. Geen volk. God zelf heeft Jezus hoog tot koning verheven op het paasfeest. En dat maakt niemand ongedaan. Daarom leeft hij ook eeuwig, heeft hij de dood voorgoed achter zich. En daarom leeft hij ook in de hemel, onaantastbaar voor aardse machten en voor duistere onderaardse machten.

Geweldig. Onze tong mag belijden: Ik heb een goede koning, die altijd over mij regeert. Niemand draait het terug dat hij voor het aangezicht van God mijn schuld heeft weggedragen, ook de duivel niet. Niemand berooft mij van de diepe innerlijke vrede en vrijheid, die koning Jezus mij geeft, ook niet de meest brute en machtige dictator. Niemand pakt de geestelijke rijkdom van mij af die ik elke dag opnieuw van hem ontvang. Niemand rukt mij uit zijn hand, ook de dood niet aan het einde van mijn bestaan. Hij raakt mij nooit kwijt als zijn onderdaan. Want hij is koning bij de gratie Gods, door God zelf verhoogd. Door God zelf gekroond en wie door God gekroond is, krijgt alle macht in hemel en op aarde. En zo min als hij ooit nog onttroond wordt, zo min kom ik ooit nog buiten hem in de duisternis en verlorenheid terecht. Wat een kolossale troost!

En God heeft hem zelfs bovenmate verhoogd. Hoger kan niet. In het Grieks staat er: God heeft hem super verhoogd. En er volgt: God heeft hem de naam geschonken boven alle naam. En ook hier lezen in het Grieks het woord super. Jezus is super. Er gaat niemand boven hem. Hij is de koning der koningen en de Heer der Heren.

Koning Willem Alexander heeft naam gemaakt. Vooral onder ons volk. Wie kent hem niet? Maar ook buiten ons volk. Al is dat beperkt. Wij zijn immers een klein landje. Het ziet er dus ook niet naar uit dat onze koning de wereld een heel andere aanblik zal geven. Er zijn wel grotere namen te noemen in de wereldgeschiedenis. Geweldige heersers met geweldige rijken. Uitgestrekt, welvarend, met een rijke cultuur. Koning Willem Alexander hoort hoogstens tot de middenmoot als het om bekendheid gaat. Om naam en faam. Want dat zit natuurlijk ook in het woord naam opgesloten: eer, roem, aanzien.

Maar Jezus heeft een naam, die elke naam te boven gaat. Niemand is meer vermaard dan Hij.

Nu is het wel de vraag of dat in de huidige wereld al zo is. Al is het er misschien niet zo ver vandaan. Toen Paulus deze hymne citeerde, was het er echter nog heel ver vandaan. Er was nog slechts hier en daar een kleine christelijke gemeente, die de naam van Jezus met respect en liefde gebruikte en hem haar koning noemde. Maar in ons Koningslied, wordt ook niet over de wereld van toen gezongen, en niet over de wereld van nu, maar over de komende wereld, over het koninkrijk van Gód dat komt. Pasen, met de opstanding van Jezus Christus uit de dood, slaat een gat in het huidige bestel van de wereld en biedt zo ruimte voor de komst van Gods nieuwe Rijk. Dat God aan Jezus een naam schonk boven elke andere naam, is de onzichtbare werkelijkheid, waarin wij mogen geloven, maar die nu nog niet ten volle zichtbaar is.

Maar dat wordt het wel! God breidt vanaf Pasen zijn koninkrijk met Jezus als koning uit, steeds verder, tot de hele aarde daaronder valt. Opdat in de naam van Jezus elke knie zich zal buigen. En opdat elke tong zal belijden: Jezus is Heer. Daar gaat het naartoe. Onherroepelijk. Omdat God zelf daar achter zit.

Willem Alexander is maar koning van een klein landje. Maar koning Jezus zal het over de hele wereld zijn. Over elk mens.

Elke knie. Elke tong. Daar horen ook uw en mijn knieën bij. Dat geldt ook voor uw en mijn tong. Willem Alexander is niet onze koning in een dictatuur, maar in een democratie. In een dictatuur maakt men de knieval voor de machthebber vaak gedwongen en juicht men in een georganiseerde samenkomst hem gedwongen toe. Tegen wil en dank. Maar wie voor Willem Alexander een buiging maakt en hem toejuicht, doet dat vrijwillig, niet gedwongen. Dat is ook verreweg het beste.

Zo is het ook verreweg het beste als wij vrijwillig, van harte, ons onder de macht van koning Jezus Christus plaatsen. Daar geeft God ons ook de gelegenheid nog voor. Ja, hij nodigt er ons hartelijk voor uit in de verkondiging van het evangelie. Maak een kniebuiging voor Jezus. En zeg hem: Here, ik heb mijn eigen haan al te lang koning laten kraaien. Maar het bevalt me niks. Ik voel me er ongelukkig bij, onveilig, niet verlost, niet verlost van allerlei verkeerde machten en krachten die in mijn leven de baas spelen. Niet verlost van mijn schuld en gewetensnood. Wilt u alstublieft koning over mij worden? De reddende, verzoenende, mij vrede, heil en rust gevende koning? Want we kunnen wel eigen koninkje blijven spelen, verzot op eigen macht, eer en rijkdom, maar eens komt ons dat toch duur te staan. Dan zullen we gedwongen onze knie voor koning Jezus buigen en belijden: Jezus Christus is Heer. Tot onze schade en schande. Want elke knie zal zich eens voor Jezus buigen en elke tong zal van hem zeggen dat hij Heer is. Hopelijk nu goedschiks, maar anders eens kwaadschiks.

En wie dat goedschiks doen, zijn met elkaar het volk van koning Jezus Christus: de christelijke gemeente, u en ik. Elke koning heeft een volk. Koning Willem Alexander is vorst van ons Nederlandse volk. Koning Jezus Christus is dat van Gods volk, de gemeente. Aan die gemeente schrijft Paulus ook. Aan de gemeente van Filippi, maar – het staat tenslotte in de bijbel – ook aan ons. Paulus heeft een boodschap voor die gemeente. Hij wil haar ergens van overtuigen. En om dat kracht bij te zetten citeert hij onze hymne, ons koningslied. Ik kan u nog veel meer moois over de inhoud van dat lied vertellen, maar ik beperk me nu verder tot het verband waarin het staat.

Elk volk heeft zijn zwakke kanten. Ook ons Nederlandse volk heeft die. Daar mogen de politici zich over uitspreken en iets aan doen. Ook Gods volk onder koning Jezus Christus heeft zijn zwakke kanten. Bij het volk in Filippi is dat het gebrek aan eenheid. Vandaar zijn oproep: wees eensgezind. Met dezelfde liefde. Eén van ziel. Eén van gevoelen. Wat was hun zwakke kant, waardoor die eenheid dreigde te verdwijnen? Geldingsdrang, eigenwaan, alleen maar zoeken van eigen belang. Heel herkenbaar. Maar niet goed. Ze moeten meer bescheiden worden, nederig, zich meer inzetten voor het belang van de ander. En de beste inspiratiebron daarvoor is het voorbeeld van koning Jezus zelf. Laat daarom die gezindheid in u zijn, die ook in Christus Jezus was. Die om ons te redden de hemel verliet. Die zondaars zo lief had dat hij voor hen stierf. De glorierijke God die zich tot man van smarten vernederde. En die dáárom door zijn Vader bovenmate verhoogd werd.

We vierden op het paasfeest koningsdag ter ere van koning Jezus Christus. De nationale feestdag van Gods volk. We beleefden zo dat we bij elkaar horen, een eenheid zijn. We hebben dezelfde geschiedenis, die van Gods reddend werk door de Here Jezus. We hebben zo als Gods volk een eigen identiteit, een eigen karakter. En dat is het karakter van onderling één zijn, één in liefde, één van ziel. Eén van gevoelen. Dat is ook het karakter van nederig zijn, bescheiden, belangeloos.

Dus, wie zijn knie voor Jezus buigt en wie met zijn tong belijdt: 'Jezus Christus is Heer', die weet wat hem te doen staat.

Amen.

1000 Resterende tekens