Afdrukken

Wil je eerst het gedeelte uit de bijbel lezen? ja

Zacharia 1 : 7 - 17

Voor 't laatst gehouden op 21 oktober 2007 te Hattem

De ruiters

Gemeente des Heren,

Jeruzalem is een spookstad. Je struikelt over het puin van ingestorte huizen. Zwart geblakerde stenen herinneren aan de brand, die de stad heeft geteisterd. De ruïnes zijn overwoekerd door onkruid. De rillingen lopen je over de rug als je ernaar kijkt.

Jeruzalem is ook een dode stad. Je vindt er maar weinig mensen. Ze wonen in de paar huizen die het minst zijn verwoest en nog een beetje beschutting bieden, of in tenten. Verloren in deze woestenij van stenen.

Alleen één plaats valt op. Daar is al wat puin geruimd en grondwerk verricht. Hier en daar rijst al een klein muurtje verse stenen op. Er ligt bouwmateriaal en gereedschap. Het is de plaats, waar vroeger de tempel stond. Want ze hebben al een kléin beginnetje gemaakt met de bouw van een nieuwe tempel.

Over welke tijd hebben we het? Het is een enkel jaar nadat de eerste groepjes Israëlieten uit de Babylonische ballingschap zijn teruggekeerd. Hun aantal is nog klein. Ze hebben ook nog maar weinig kunnen opbouwen. Ze ondervinden tegenstand van de mensen, die in deze omgeving wonen. De Samaritanen. Er ontbreekt nog van alles, geld, materiaal, mankracht. O, ze zijn wel enthousiast begonnen, maar eerlijk gezegd is de klad er in gekomen. Ze zien het niet meer zo zitten. Wat heeft het voor zin om op deze ruïnes met zoveel problemen te worstelen? Zullen alle plannen ooit waar worden? Het gaat zo tergend langzaam.

We stellen het ons voor, dat op zekere morgen de arbeiders zich al vroeg naar het bouwterrein begeven. Misschien vindt daar, vóór men aan het werk gaat, eerst een morgengebed plaats of wordt het morgenoffer gebracht. De mannen staan daar wat ontnuchterd bij elkaar. Het is februari in het jaar 519 vóór Christus. Of, om het te zeggen met de tijdsaanduiding aan het begin van onze tekst: het is de 24ste dag van de 11de maand, de maand Sebat, in het tweede jaar van Darius.

En deze woorden vertellen ons meer dan het "wanneer" alleen. Behalve de tijd verraden ze ook de tijdsomstandigheden. Vroeger werd de periode van het optreden van de profeten gedateerd naar de regeringsjaren van de koningen in Jerúzalem. Maar hier wordt de kalender van het Perzische wereldrijk gebruikt. Sebat is een Perzische maandnaam en Darius is koning van de Perzen. Heidense machten hebben Israël fijn gedrukt. Het is geen zelfstandig koninkrijk meer. Het is een schamel restje joden in het totaal van die grote heidense macht. Het heidendom geeft in Israël de kalender aan, geeft dus de tóón aan. Verdrietig. Net als toen men in Frankrijk na de revolutie en in Italië onder Mussolini de tijd niet meer berekende naar de geboorte van Christus.

Gelukkig doen wij dat wel weer. Maar heeft het nog inhoud? We zijn als christelijke kerk geënt op Israël. We zijn als kerk ook Gods tempel op aarde. Zegt het nieuwe testament. Een tempel van levende stenen. Maar lijken we als kerk, bij alle goede dingen die er nog zijn, in deze tijd van massaal kerkverval langzamerhand niet op dat schamel restje joden, dat terugkeerde uit de ballingschap en nog zo weinig van de grond kreeg?

De christelijke jaartelling ontstond door de machtige invloed van de kerk in vroegere eeuwen. Maar wat heeft ze nu nog voor invloed? Vormen de tempelruïnes met hier en daar een klein weer opgetrokken muurtje niet het beeld van de kerk in 2007 na Christus? Heeft ze haar aanzien niet verloren te midden van het postchristelijke heidendom? Geeft dát niet de tijd en de toon aan? Een levensinstelling, levensdoel, levensstijl, waar niet veel christelijks meer aan is?

Na de tweede wereldoorlog begon men in Nederland vol moed aan kerkopbouw en gemeenteopbouw. Men had allerlei idealen. Je zou eens zien, met een nieuwe kerkorde en een nieuwe organisatie. De richtingenstrijd zou ten einde zijn. De kerk zou weer een duidelijke stem hebben in de samenleving. Maar is daar ook niet stagnatie in gekomen? Raakte de kerk vooral de laatste decennia niet veel van haar geestelijke gezag kwijt? Kalft ze niet steeds verder af? Raakt ze niet steeds meer naar de rand van de samenleving verzeild? Je vraagt je soms bezorgd af: wat komt ervan terecht? Van alles, waar de kerk draagster en verkondigster is? Waar blijft de vrede van God in deze wereld? Waar het recht van God? Waar het geluk door God? Waar de trouwe gehoorzame dienst aan God? Waar de zichtbare tekenen van Gods verlossend handelen via zijn volk? Het zijn benauwende vragen. Maar ik hoop, dat we ze stellen, want het is nog benauwender, als er geen verlangen meer is naar kerkelijke opbouw en bloei en we genoegen nemen met de overmacht van het heidendom. Het is nog benauwender, als onze handen maar niet meer werken aan de opbouw van Gods tempel op aarde en we ons tevreden stellen met een schamel plekje tussen de ruïnes ervan.

Dat mocht ook met de teruggekeerde rest van Israël niet gebeuren. Daarom stuurt God de profeet Zacharia om het vuur van de geestdrift bij hen weer aan te wakkeren. Daar staan ze, klaar om zonder enthousiasme, moedeloos, de troffel weer te pakken of naar huis te gaan en alle hoop te laten varen. Maar dan neemt Zacharia het woord. Nee, God, bij monde van hem. Want het woord van de Here kwam tot de profeet Zacharia. God maakt geschiedenis door zijn Wóórd en die geschiedenis is véél belangrijker dan die, welke Darius schreef.

Wat vertelt de profeet? Deze nacht heb ik een visioen gehad. Juist in de stilte van de nacht kan ons hart zich open stellen voor de indrukken en invloeden van God. Is dat ook uw ervaring? En dan volgt de beschrijving van het eerste van de acht visioenen, die Zacharia kreeg. Het munt niet uit in duidelijkheid. Veel uitlegkundige vragen blijven onbeantwoord. Maar dat is visioenen eigen, waarin wonderlijke, niet goed te beschrijven beelden in elkaar overvloeien.

We komen een man op een rood paard tegen, staande tussen de mirten, en ook de engel van de Here staat daar. Zijn het twee aparte figuren, of is het er één? Gaat de een in de ander over? In ieder geval is er een aparte engel als tolk en uitlegger. Zijn er drie of vier groepen ruiters? Als het er vier zijn, is dat het symbolische getal voor de vier windstreken. Want deze ruiters zijn hemelse verkenners, die voor God de aarde doorkruist hebben. Onder aanvoering van de man op het rode paard. Volgens rabbijnse uitleggers de aanvoerder van het engelenleger Michaël, volgens sommige christelijke uitleggers Gods Zoon vóór Hij mens werd in Jezus.

Hoe dan ook, dit is voor ons al een troostende boodschap. De Here heeft zijn eigen hemelse spionagedienst. Hij overziet zo het hele wereldgebeuren. De C.I.A. is zeer actief, de K.G.B. was dat, elk land heeft zijn inlichtingendienst. Maar ook Gods spionnen zwermen uit over de aarde. Met andere woorden: de Heer is wel hoog in zijn paleis gezeten, in heilig schijnsel troont zijn majesteit, maar de hele wereld kan zijn oog doormeten, zijn blik toetst ieder mens te allen tijd. Niets is uit het oog van God, uit het hart van God, uit de handen van God. Dat blijkt ook uit het feit, dat er verschillende groepen paarden zijn met verschillende kleur. Wat wil zeggen: er is orde, discipline onder de verkennergroepen. Mogelijk gaan de kleuren van rood naar wit, wat symbolisch wil zeggen, via de strijd naar de overwinning. En men is snel en mobiel. Sneller trekken dan met paarden, was toen niet mogelijk.

Zo geeft dit vertrouwen in onze God. Zoveel geeft ons zorgen, angst, geloofsaanvechting. Is de wereld niet aan haar lot overgelaten? Zal ze zichzelf te gronde richten? Ben ik ook in mijn eigen leventje met mij zelf en mijn noden alleen, zonder God? Nee. Dwars door het nachtelijk duister van ons bestaan wil de Here ons zicht geven op deze rondtrekkende paarden en hun hemelse berijders, die zeggen, dat Hij alles in de gaten houdt, dat ook ons persoonlijk wel en wee niet aan zijn oog onttrokken is, dat Hij snel is in zijn waken over ons. Dat mag ons rust en moed geven. Doet het dat?

Nu verzamelt deze verkennerpatrouille zich op één punt om verslag te doen van de bevindingen. En hoe ziet dat hoofdkwartier er uit? Is het een kazerne, een fort, een burcht? Nee, ze staan tussen de mirten in de diepte. Een mirt is een prachtige heester, die altijd glanzend groene bladeren heeft. Zijn witte bloemen, die een heerlijke geur verspreiden, werden zelden op een feest gemist en waren vooral te vinden in bruidsboeketten. Vaak werden ook de loofhutten van mirtetakken gebouwd. Jesaja noemt de mirt steeds in profetieën van heil. Ik, belooft de Here, zal in de woestijn ceder, acacia, mirt en olijfwilg zetten. Voor een doornstruik zal een cypres opschieten, voor een distel een mirt.

Ik stel me voor, dat de lage vochtige delen van het in puin liggende Jeruzalem met deze heesters zijn begroeid. En dat heeft een rijke symbolische betekenis. Die diepte mag het symbool zijn van diepe nood en verval, maar de mirten daar zijn al de stille boodschappers van Gods heil, dat komt. Ze verspreiden in deze diepte de geur van Gods heerlijke beloften en geven zo hoop en uitzicht.

En zo is er een kerk op aarde, die ergens in de diepte verscholen is. Ze telt niet mee. Ze lijkt in puin te liggen. Vaak ook door eigen schuld, door ontrouw aan haar roeping. Maar God heeft haar toch verkoren in Jezus Christus. In Gods oog is zij toch het knooppunt van de wereld, waar alle lijnen samenkomen. Gods bruggenhoofd en commandopost op aarde. Hoofdkwartier van Gods verkennende ruiters.

Opvallend is, dat ook de engel van de Here zich opstelt tussen de mirten in de diepte. Het is een bijzondere engel in het oude testament. En als Hij inderdaad de voorafschaduwing van Christus is, de Zoon van God vóór Hij mens werd, vertelt dit ons, dat de Here Jezus midden tussen het diep gevallen Israël staat en midden tussen zijn diep vervallen kerk. En om zijnentwil hangt er toch de geur van belofte, de geur van heil en zaligheid. Wie er in het geloof een neus voor heeft en het mag ruiken, is blij tot die kerk te mogen horen, al bevindt ze zich nog in de diepte. Er is veel negatiefs van haar te zeggen, maar de lucht, die we in haar ademen, is doordrongen van Gods trouw, liefde, ontferming, Gods genade voor zondaren, Gods beloften van eeuwige vrede en geluk. De spanning van de volkomen verlossing doet zich toch in die armzalige kerk voelen. Hoe weinig er ook nog opgebouwd is, God gaat door met zijn heerlijke plannen. De ruïnes, ontstaan door eigen zonde en schuld, worden overgroeid door de mirten, die de geur verspreiden van Gods vergeving en heil.

Deze nacht heb ik een visioen gehad. Zie. Zien wij het ook? Putten we er moed uit? Doet het ons alles van de Here verwachten? Maakt het ons tot een blij lid van Christus' gemeente? Daar speelt zich de ware geschiedenis af. Tussen de mirten in de diepte. Om die schamele rest van het volk van God draait het toch.

Maar nu brengen die verkennertroepen verslag uit aan de engel van de Here. Mogelijk dus aan Gods Zoon, de hemelse Koning van Israël en de kerk. En wat rapporteren zij? Wij hebben de aarde doorkruist, en zie, de gehele aarde verkeert in volkomen rust.

Dat lijkt mooi. Er is rust in de wereld. De Perzen zitten al een tijdje stevig in het zadel. En zorgen voor stabiliteit. Dat geeft veiligheid. Dat doet de handel en industrie opleven. Mooier kan het toch niet?

En toch is het een teleurstellend bericht. Want het einde van de ballingschap en het aanbreken van de nieuwe tijd van heil zou volgens de beloften met veel beweging en onrust gepaard gaan. Nog een ogenblik, zo zei God via Haggaï, Zacharia's tijdgenoot, en Ik zal hemel en aarde doen beven en de tronen van de koninkrijken omver werpen. Heel Israël zal terugkeren uit de ballingschap en de volken zullen naar Sion komen en hun schatten in Gods huis neerleggen.

Maar van deze enorme volkerenbeweging merk je nog niets. Zelfs van Israël is nog maar een heel klein deel teruggekeerd. En dat deel is óók stil. Stil van moedeloosheid. Het is dus nog angstig rustig. Niets wijst op het naderen van Gods verlossing. De engel van de Here reageert dan ook met de felle roep naar de hemel: Here der heerscharen, hoe lang nog zult u zonder erbarmen zijn over Jeruzalem en over de steden van Juda, waarop U nu al zeventig jaren toornig bent?

We houden maar het liefste van rust in de wereld. De problemen in Irak, Afghanistan, Palestina, Birma, het zint ons niet. En we zijn blij, dat we in een redelijk stabiel en rustig landje leven. Tot op zekere hoogte mag dat. Paulus vermaant ook om de voorbede te doen voor koningen en allen, die in hoogheid zijn gezeten, opdat we een stil en rustig leven mogen leiden in alle vroomheid en waardigheid.

En toch is het maar één kant van de zaak. Toch kan rust en stabiliteit ook gevaarlijk zijn. Het kan de zaken lam leggen. Het kan een belemmering vormen voor de doorbraak van het Koninkrijk van God. Het kan ons te lang vast houden in een toestand van niet verlost zijn, van ballingschap, waarin we ver van God leven, zonder echte ontferming van Hem en verzoening met Hem.

Zulke stilte is voor het echte volk van God tóch benauwend. Het verlangen naar de volkomen zaligheid maakt ze onrustig. En ze roepen het uit, eenstemmig met de engel van de Here: Hoe lang nog?

Bestormen ook wij de hemel met deze vraag: Hoe lang nog, Here? Hoe lang duurt het nog voor de tijd van heil en verlossing aanbreekt? Vóór Christus terugkomt op de wolken van de hemel om zijn Rijk van gelukzaligheid te stichten? Maranatha. Kom, Here Jezus, kom haastig! Wie de echte gelovigen in het hart kijkt, vindt er deze vraag: hoe lang? Ook de harten van de gelovige psalmdichters zijn er vol van. Ik word verteerd door vrezen, o Heer, kom mij genezen, mijn hart is droef en bang. Hoe lang al zijn de nachten, één luisteren en wachten, ach Here, tot hoe lang?

Ook in de hemel zélf klinkt deze roep. Uit de mond van de gestorven martelaren. Johannes schrijft in Openbaring: en toen het Lam het vijfde zegel opende zag ik onder het altaar de zielen van hen die geslacht waren om het woord van God en om het getuigenis, dat zij hadden. En zij riepen met luide stem en zeiden: tot hoe lang, o heilige en rechtvaardige Heerser, oordeelt en wreekt Gij ons bloed niet aan hen, die op de aarde wonen? Zijn wij tevreden met de betrekkelijke rust, waarvan we genieten? En als het niet zo is, omdat we geen vrede hebben met de moeiten en zorgen, waarin we verkeren, door ziekte, conflicten, door wat dan ook, wat roepen we dan? Ja, vaak: waarom? Maar ook: hoe lang? Hunkeren we naar de toekomst van de Here? Persoonlijk en als gemeente? Is er het gebed in onze harten: Hoe lang? Hoe lang nog zonder het echte doorbreken van uw reddend erbarmen, Here? Is die roep bij ons gewekt door de Heilige Geest, die ons naar de eindtijd voortstuwt? O, er zijn klachten genoeg. Over de ingezonken toestand van de kerk, de afval en afbraak. Over de verdrietige toestanden in de wereld, over onrecht, machtsuitbuiting, over de vele armen en vluchtelingen. Maar gaan we met die klachten tot God? En roepen we dan: Hoe lang, Here? Morren we ongelovig of roepen we gelovig: hoe lang? Here, komt er nu eindelijk eens schot in?

Kijk, in dat roepen is de grote voorbidder ons voorgegaan, de Here Jezus Christus. Steeds meer krijgt de engel van de Here uit dit visioen toch iets van Hem weg, want zoals Hij dit bidt voor het arme volk Israël, zo bidt Christus het voor zijn Kerk uit joden en heidenen. Doen wij het ook?

Zulk bidden is de Here aangenaam, juist als het door zijn Zoon wordt gedragen. Daar zal Hij op antwoorden. "De Here antwoordde daarop de engel die met mij sprak met goede woorden, troostrijke woorden." God laat zijn volk niet in de steek. De hemel blijft niet zwijgen op dit geroep. Heeft u het nog niet gehoord? Hebben de goede en troostrijke woorden van God nog niet in uw leven geklonken? Wat vreemd voor een kerkganger! De Here spreekt immers niet rechtstreeks, maar gebruikt er mensen voor. Vroeger profeten, waaronder Zacharia. Vervolgens zei tot mij de engel die met mij sprak: Predik!

En nóg zijn er mensen, die de opdracht krijgen: Predik! Ze brengen u hier elke keer weer goede en troostrijke woorden. Hoe kunt u ze gemist hebben? De woorden van het evangelie van de Here Jezus Christus? Woorden van liefde, trouw, vergeving, verlossing? Woorden die ons hoop en kracht willen geven? Die ons aanvuren om het als christenen vol te houden, te blijven metselen aan Gods tempel op het puin van deze wereld? Wat heerlijk om ze steeds weer te mogen horen en om er steeds weer op te vertrouwen, op die goede en troostrijke woorden van God in de prediking, ook hier, elke zondag.

Predik. Zo zegt de Here der heerscharen: Ik ben voor Jeruzalem en voor Sion in grote ijver ontbrand. Alles schijnt rustig en stil. Maar schijn bedriegt. Er broeit wat, er brandt wat. Het vuur van Gods ijver. De ijver van zijn liefde, zijn heilige jaloezie. Een man neemt het niet, als een ander zijn vrouw belaagt en beledigt. Zo neemt God het niet als zijn volk als een voetveeg wordt behandeld. De Here ijvert voor Israël, voor de kerk, met grimmige ernst en groot erbarmen. Christus ijvert voor zijn bruid op aarde. Hij rust niet voor Hij haar verlost heeft uit de ballingschap van deze wereld.

God heeft de volken ingeschakeld bij de uitvoering van zijn straf over Israël. Maar ze hebben ten kwade meegeholpen. Met overmoed, haat en machtswellust. Daarom is Hij nu toornig op hen, maar, zo zegt de Here, Ik keer in erbarmen tot Jeruzalem terug. Mijn huis zal daarin gebouwd worden. Het meetsnoer zal over Jeruzalem gespannen worden. De steden zullen overvloeien van het goede. Want nog zal de Here Sion troosten, Jeruzalem nog verkiezen. Ondanks de zonden van het volk. Ondanks de straf, die het kreeg. Ondanks de nietigheid, de moedeloosheid van het volk. Ja, in weerwil van alles zal God troosten en verkiezen. Dat is zijn eeuwig welbehagen. Dat is de vastheid van zijn blijvende trouw. Dat is zijn verlossingsplan, dat dwars door alles heen waar wordt. Hij bouwt de stad, door Hem verkoren, het volk in ballingschap verloren, brengt Hij er samen, heelt hun wonden, hoezeer hun harten zijn geschonden.

En ook wij mogen daaraan deel hebben door het geloof in Jezus Christus, die de muur tussen jood en heiden afbrak. De Here wil nog troosten, nog reddend verkiezen. De Here laat het nog overvloeien van het goede. De Here wil nog in erbarmen tot ons weer keren. Een heerlijk boodschap. Die ook nu weer gebracht is. Nog weer gebracht is. Gelooft u, geloof jij daarin met al je zintuigen? Zie je gelovig voor ogen, wat Zacharia in zijn eerste visioen zag en geeft je dat moed, hoop en troost? Snuift je neus gelovig de mirtegeur op van Gods heilsbeloften? Roept je mond gelovig: Hoe lang, Here? Vóór uw definitieve erbarmen over uw kerk en wereld zich voltrekt? En vangen je oren gelovig die goede, troostrijke woorden op, die spreken over Gods genadig ontferming en verkiezing van zijn zondig en nietig volk? Zalig wie dit visioen van Gods verlossing had, heeft en houdt. Amen.