Wil je eerst het gedeelte uit de bijbel lezen?
Gemeente des Heren,
Deze zondag tussen Hemelvaartsdag en Pinksteren heeft een speciále naam. Die wordt wéészondag genoemd. Niet zo vreemd, als je bedenkt hoe de discipelen van de Here Jezus zich gevoeld moeten hebben, nádat de Here Jezus naar de hemel was gegaan en nog vóórdat de Heilige Geest was uitgestort. In die tien dagen was God de Vader niet méér bij hen door de Zoon, Jezus, en nóg niet bij hen door de Geest. 't Was dus een tijd, waarin ze zich geestelijk eenzaam en verlaten gevoeld moeten hebben. Als wezen achtergelaten.
't Is moeilijk voor de discipelen, als Jezus met hen over zijn vertrek van deze aarde gaat spreken. Ze zijn er bedroefd van. Hij had zo van ze gehóuden en zij hadden op hun beurt Hém zo lief gekregen. Wordt die fijne band nu verbroken? Hij had zoveel wónderen gedaan, daarmee mensen in hun verdriet en zorgen enorm geholpen. Ze hadden daardoor zo'n gevoel van rust en veiligheid bij Hem gekregen. Zo'n gevoel, echt beschermd te zijn in gevaren. Is dat nu voorbij? Hij was zo'n goede gids door ‘t leven voor hen geworden, zo'n wijze geestelijke raadsman, van wie je zoveel kon leren. Moeten ze 't voortaan zonder zijn leiding doen? Hij had ze langzaam maar zeker ook in bepaalde geheimen ingewijd, goddelijke geheimen. Maar ze voelen wel, dat ze daar nog láng niet mee klaar zijn. Er zijn nog zóveel vragen onbeantwoord, nog zóveel raadsels onopgelost. Wordt dat nu ineens afgebroken? Hij had van prachtige dingen gesproken. Van vrede, vergeving, geluk. Dat had ze hoop en moed gegeven. Vervliegt die hoop nu als sneeuw voor de zon en zinkt die moed nu in de schoenen? Ze weten niet hoe zonder Hem een weg te vinden in 't leven, en helemáál niet hoe zonder Hem Góds weg te vinden. Ze voelen zich als mensen zonder verzorging, zonder liefde, zonder leiding, zonder een toevlucht, zonder hulp. Ja, inderdaad, als kinderen zonder ouders. Als wezen. Misschien léven hun aardse ouders nog wel. Maar tóch. Gééstelijk zijn ze wees.
Echte wezen vind je in Nederland niet zoveel. Bijna alle kinderen en jongelui hebben gelukkig nog een vader en moeder. 't Kan zijn, dat 't niet je échte ouders zijn, maar pleegouders. 't Kan zijn, dat ze niet meer bij elkáár wonen vanwege echtscheiding. Je kunt ook al vroeg één van beiden door de dood verloren hebben. Maar echt wees te zijn, helemaal geen ouders meer te hebben en daarom in tehuizen te moeten wonen of zelfs te zwerven, zonder echte liefde en zorg. Wie weet wat dát ís? Daarvoor moeten we naar gebieden in Afrika, waar de oorlog of aids de bevolking heeft uitgedund. En er zijn helaas ook in Oost-Europa kindertehuizen vol wezen en door ouders verstoten kinderen, waar erbarmelijke toestanden heersen.
We voelen ons met zulke wezen díep verbonden. Allereerst omdat hun nare levenslot echte gevoelens van médelijden bij ons oproept. Maar ik denk, dat er nog méér bij komt. 't Is of we diep in ons hart iets van hun nare levenstoestand herkénnen. Wie kent dat wereldberoemde boek van Hector Malot niet: alleen op de wereld. De lotgevallen van dat kleine jongetje Remie dat alleen op de wereld staat. Wat was hij soms intens verdrietig, omdat hij alles verloren had, niemand voor hem zorgde. Wat was hij soms bang alleen, radeloos over hoe 't verder moest. Kinderen zijn altijd diep onder de indruk van dat boek. Maar ook bij ouderen raakt 't een gevoelige snaar. Waarom?
Wel, we hebben allemaal een klein en hulpeloos kindje in ons hárt. Een kindje, dat in een eigen wereldje leeft en daarin soms zo éénzaam is. Een kindje, voor wie die grote wereld daarbuiten zo onbegrijpelijk en ondoorgrondelijk is, ook zo hard en meedogenloos. Een kindje, dat voor 't gevoel soms zoveel warme liefde tekort komt. Een kindje, dat graag begrepen wil worden, maar zich vaak niet begrepen voelt. Een kindje, dat zich soms heel klein en nietig voelt, ja wel eens echt bang, angstig. Een kindje, dat graag geleid en gestuurd wil worden, maar niet weet door wie, want wie kun je vertrouwen? Een kindje, dat vaderlijke macht, wijsheid en bescherming mist. Een kindje, dat moederlijke liefde, zorg en warmte mist. Heel diep in ons voelen we ons net als de discipelen als wézen achtergelaten. Dat hebben we allemaal ergens in ons hart zitten. Dat is een gróndervaring, een oer-ervaring, om ‘t wijsgerig te zeggen, een existentiële ervaring van ons menselijk bestaan.
Misschien zitten er wel jongelui in de kerk die in de moeilijke groeiperiode tussen kindzijn en volwassenheid deze diepe levensvragen en gevoelens intens en stormachtig beleven. Je gaat ontdekken, dat je ouders óók maar gewone mensen zijn, ook wel eens kunnen falen, wel eens niet kunnen of willen geven wat je wilt. Dat ze je ook niet altijd begrijpen. De geborgenheid van de ouders valt weg. Je ontgroeit 't veilige nest van 't ouderlijke huis meer en meer. Ook de onschuld en onwetendheid, die 't kind eigen zijn verdwijnen. Je krijgt je eigen persoonlijkheid. Vaak ook je eigen vreemde schuldgevoelens, faalangsten, eenzaamheden. Je ontwaakt als uit een roes en vraagt je af: wie ben ik? Op wat voor vreemde wéreld ben ik gezet? En wat móet ik op die wereld? Wat voor levenspartner zal ik krijgen? Wat voor beroep kies ik? 't Is of je alleen bent en 'k weet niet hoeveel grote problemen alleen moet oplossen.
Ach, hoeveel mensen voelen zich niet in zeker opzicht wees? Ze gaan hun eigen stille, eenzame weg door 't leven. Vechten alles alleen uit. Ze zijn arm aan echte contacten. Durven bij niemand hun hart uit te storten. Want ze hebben geen vertrouwen meer in medemensen. Ze zijn te vaak teleurgesteld. Er is een harde korst om hun hart gegroeid. Ze lijden er zelf aan, maar kunnen er niet doorheen breken. Ze zijn op ieder werk te vinden, de collega's, van wie je eigenlijk niets weet, die afstand houden, die 't boek van hun persoonlijk leven voor anderen angstvallig gesloten houden, al zijn ze daar zelf ook niet gelukkig mee. Ze zijn in iedere straat te vinden, de buren, die nauwelijks groeten, die van hun huis een vesting maken. En hoe dichter men in flats op elkaar woont, hoe eenzamer men vaak is. Legio mensen die verweesd door 't leven gaan. En we moeten misschien van ons zelf zeggen: eigenlijk leef ik óók zo.
Een wees moet 't al vroeg zonder líefde stellen. Leven we niet in een maatschappij, waarin de liefde is verkild? Er zijn in Nederland goede sociale voorzieningen. Maar daardoor is persoonlijke hartelijke liefdevolle hulp aan elkaar op de achtergrond geraakt. Nu de overheid ook weer niet alles blijkt te kunnen of te willen, staat de mantelzorg onder grote spanning. Zijn de mensen niet wat onverschilliger tegenover elkaar geworden, wat egoïstischer? 't Aantal echtscheidingen is onrustbarend gestegen. De generatiekloof is soms diep en leidt tot spanningen en conflicten in gezinnen. We kunnen elkaar blijkbaar niet voldoende liefde meer geven om als man en vrouw, als ouders en kinderen echt bij elkaar te blijven. Ook híerdoor zijn mensen zich als wees gaan voelen.
Een wees moet 't al vroeg zonder beschérming stellen. Mist de beschutting en veiligheid van 't gezin. Zo staan we allemaal onbeschermd in 't leven. Daar is de dreiging van de milieuvernietiging of een milieuramp, die ons ‘t leven kan ontnemen. Daar zijn de gevaren in 't verkeer, op 't werk. De gevaren van nare ziektes. Je hoort er op gezette tijden van. Sars bijvoorbeeld. Jonge kinderen die zomaar uit 't leven worden weggerukt, of kinderen met kanker, voor wier leven wordt gevochten. Ouderen, die te horen kregen, dat ze niet meer kunnen genezen. Om bang van te worden. Wat staan we in dit gebroken leven aan een gevaren bloot. Als je daaraan denkt, voel je je onbeschermd als een wees.
Een wees moet 't al vroeg zonder leíding stellen. Mist de goede raad van zijn ouders. Niemand die hem bemóedigt de éne weg op te gaan en wáárschuwt de ándere weg in te slaan. Voelen we ons ook niet vaak in dit opzicht als wees in 't leven staan? We zijn vaak zonder gids aan ‘t dwalen in de doolhof van ‘t moderne ingewikkelde bestaan. We moeten een standpunt bepalen, een mening vormen, een beslissing nemen, terwijl er zoveel op ons afkomt. Wie wijst ons de weg? Wie staat ons met raad en daad terzijde? We missen een goede gids, een trouwe raadsman, een veilige loods aan boord, een duidelijk kompas. Vaak ook al als jongere. Een opvoedkundige heeft een interessant boekje geschreven met als titel: de vaderen zijn niet meer. ‘t Vaderschap met de aspecten van gezag, leiding, vorming, heeft de laatste 40 jaar enorm aan kracht verloren. De vaders zijn in de gezinnen vaak niet veel meer dan lijfelijk aanwezig. Terwijl er toch wel behoefte is aan goede, wijze vaderlijke leiding.
O, er is zoveel meer te noemen, wat we even moeilijk kunnen missen als een wees en we soms tóch móeten missen. Verzorging, steun, troost, geruststelling, terechtwijzing, barmhartigheid. Wat is de diepste oorzaak daarvan? Iemand heeft die eens heel kernachtig uitgesproken: de wereld heeft geen Vader meer. En dan begrijpen we allemaal wie met die vader wordt bedoeld. God. Zo wordt de geestelijke armoede en leegte van deze wereld wel heel duidelijk. De wereld heeft ontzaglijk veel. Dure auto's en jachten. Volle stadions. Prachtige huizen vol luxe. Tweede vakantiehuizen. T.v.'s, computers. De wereld, tenminste onze wereld, is als een kind, dat volgestopt is met speelgoed. Maar 't is tóch arm. Want 't heeft geen vader. De wereld kan als een kind stoer doen, een grote mond hebben, maar is toch zielig en meelijwekkend, want 't heeft geen vader meer. Uiteindelijk is de wereld een hulpeloos kind, dat geen vaderlijk hart heeft, waaraan 't kan uithuilen. Geen vaderlijke armen die omhelzend troosten. Dat geen vaderlijk woorden hoort, woorden die geruststellen, waarschuwen, wijze raad geven. Dat geen vaderlijk huis kent, waar je altijd naar toe kan gaan en dat liefde en geborgenheid biedt. Dat is 't grote probleem van 't menselijk bestaan: de wereld heeft geen Vader. Omdat de wereld geen kínd meer wil zijn. Omdat ‘t de Vader heeft verlaten en op eigen benen is gaan staan. Omdat ‘t van huis is weggelopen, zich ergerend aan de kinderlijke afhankelijkheid. Omdat ‘t de kinderlijke gehoorzaamheid en onschuld achter zich heeft gelaten. We hebben ons geëmancipeerd. We hebben ons geseculariseerd. We zijn autonoom geworden. We kunnen onze eigen boontjes wel doppen, denken we. En intussen zijn we geestelijk vaderloos en thuisloos geworden. Diep eenzaam.
Alleen bij de discipelen was er iets wónderlijks gebeurd. Onder 't volgen van Jezus hadden ze iets héérlijks ervaren. De nabijheid van de hemelse Vader. In Jezus' liefde hadden ze ‘t warm kloppende hart van de Vader herkend. In Jezus' woorden hadden ze de wijze raad, de waarschuwingen en bemoedigingen van de Vader herkend. In Jezus' wonderen hadden ze de grote macht van de Vader herkend. Ze merkten ‘t, geloofden ‘t. De Vader zoekt hen op. De Vader zoekt de wereld weer op. Door Jezus. Hij was de Zoon van de levende God. En Hij vertoonde als Zoon alle trekken van zijn hemelse Vader. Wie dicht bij Hem was, was dicht bij de Vader en voelde zich daarom geen wees meer. Want Hij gaf liefde, vrede, rust, geborgenheid, hoop. Hij gaf alles, wat een mens, die zich kind voelt, nodig heeft. Wat gaf deze Jezus hen veel. Hij gaf hen Gód als Váder. En komt daar nu een eind aan? Nu Hij met hen spreekt over zijn naderend afscheid? Zal 't weer worden als voorheen, vóór zij Hem volgden, alleen nog erger, omdat ze nu pas goed weten wat ze missen, als Hij er niet is? Ze worden er verdrietig van. Maar Jezus begrijpt dat. En Hij geeft er ook een antwoord op. Een antwoord, dat de discipelen net nodig hebben. Eén vol troost en geruststelling. Ik zal u niet als wezen achterlaten. Wat een rijke belofte. Alles, wat ze door Jezus bezitten, raken ze niet kwijt maar houden ze, ook na zijn vertrek van de aarde. De band met Hem zal niet doorgesneden worden. Ze zullen zich niet in de steek gelaten voelen.
En wij mogen geloven, dat dit ook nog voor óns geldt, jong en oud. De Here Jezus wil ook ónze Zaligmaker nog zijn. Hij wil er ook bij óns voor zorgen, dat we ons niet in de steek gelaten voelen. Dat we in dit gure leven níet alléén op de tocht en in de kou staan. Zonder vaderlijke verzorging, liefde, wijsheid, bescherming, vermaning. Dat is ‘t heerlijke en troostrijke evangelie, dat vandaag tot ons komt en onze harten wil vervullen met blijdschap en vrede. Ik zal u niet als wezen achterlaten.
Maar hoe doet Jezus dat dan? Hoe komt Hij bij de discipelen terug na zijn hemelvaart? En hoe komt Hij bij ons na zijn hemelvaart? Wel, dat doet Hij door de Heilige Geest, van wie we volgende week op 't Pinksterfeest mogen horen, dat Hij op de aarde is uitgestort. Die zal de plaats van de Here Jezus innemen. Die zal u alles leren en u indachtig maken alles, wat Ik u gezegd heb, zei Jezus. Die zal ‘t uit ‘t mijne nemen en ‘t u verkondigen, zei Hij elders. Die zal de Vader geven op Jezus' gebed en zenden in Jezus' naam. En die zal ‘t werk van de Here Jezus op aarde voortzetten. Die zal net als Jezus ons vervullen met Gods vaderlijke zorg, liefde en trouw. De Here Jezus noemt Hem in deze afscheidswoorden steeds de Trooster. Tenminste, zo is 't woord, dat Hij gebruikt, vertaald, maar 't is eigenlijk een gebrekkig vertaling, want ‘t woord dat in ‘t Grieks staat - de parakleet, letterlijk hij die erbij geroepen wordt - is heel rijk en heeft veel betekenissen. Laat ik er maar een paar noemen.
Je kunt ‘t ten eerste met advocaat vertalen. Iemand, die erbij geroepen wordt om ons te verdedigen, te beschermen, onze belangen te behartigen, voor ons in te springen, ons vrij te pleiten, om voor ons te doen wat wij zelf níet kunnen. Wij voelen ons vaak als een kind, onmondig, hulpeloos, niet in staat om voor onszelf op te komen. Maar wanneer de Heilige Geest ons hart vervult, verdwijnt dat gevoel en geloven we vast en zeker, dat er een machtige helpende Vader naast ons staat, die voor ons in staat en voor ons opkomt, in wiens hand we ons zelf vol vertrouwen kunnen leggen.
Je kunt ‘t ten tweede met vermaner vertalen. Iemand, die 't waarschuwende vingertje opsteekt, wanneer we verkeerde dingen dreigen te doen. Iemand, die in ons hart, ons geweten, 't sein op rood zet, wanneer we van de goede weg af dreigen te raken. Weet u, waarin we ook vaak net kinderen zijn? In 't eigenwijze en tegendraadse. We doen zo graag wat niet mag. En we brengen ons zelf zo in gevaar. Ook geestelijk. Maar wanneer de Heilige Geest in ons hart komt, horen we de stem van de hemelse Vader, die zegt: stop, doe dat niet. Daar komen anders ongelukken van. Zo kan de hemelse Vader net als een aards Vader boos op ons zijn vanwege onze ongehoorzaamheid. Maar uit liefde. Zo kan Hij ons ook net als een aards Vader op rustige en liefdevolle manier raad en inzicht geven. Tekst en uitleg. De tekst van zijn Woord en de uitleg ervan. Alles door ‘t werk van zijn Heilige Geest in ons hart.
Je kunt ‘t ten derde inderdaad met trooster vertalen. Iemand, die ons bemoedigend en liefdevol toespreekt. Die ons warmte en geborgenheid schenkt. Die ons uit de put van droefheid en leed wil trekken. Die ons gelukkig wil maken. Wij zijn als kinderen, die wel eens vallen in ‘t leven, die zich daarbij pijn doen, die wel eens intens verdriet kunnen hebben met of zonder aanwijsbare reden. Maar wanneer de Heilige Geest in ons hart woont, geeft Hij ons de troost en liefde, de geruststelling van de hemelse Vader.
Je kunt ‘t ten vierde zelfs met voogd vertalen en dat is wel érg toepasselijk als we denken aan ‘t woord wees. Iemand, die ‘t gemis van een vader en moeder zoveel mogelijk wil opheffen. Wat is dat dus een rijke en heerlijke naam, die de Here Jezus voor de Heilige Geest gebruikt. De Parakleet. De Trooster. Wat moet dat de discipelen moed gegeven hebben. Ze zullen niet verweesd achterblijven. Ze konden over ‘t naderend afscheid heenkijken, omdat hun die Géést werd toegezegd.
En zo mogen ook wij, jong en oud, weten, dat we niet als wezen achtergelaten zijn na de hemelvaart van de Here Jezus, maar de Geest van de Vader en de Zoon, op Pinksteren uitgestort, in ons werkt.
Maar waaraan merk je dat dan? Waaraan herken je ‘t werk van die Trooster? Hoe weet ik, dat de Geest ook bij mij werkt? Velen worstelen met zulke vragen. Maar 't antwoord heb ik eigenlijk al gegeven en zit ook in 't woord Geest opgesloten. Gods Geest werkt in onze geest. In ons hart horen we vele stemmen. Steeds weer zijn we met ons zelf in gesprek. De ene gedachte volgt de andere op. Gods Geest wil één van die stemmen zijn, die in dat hart spreken. Hij wil een stem zijn, die ons moed inspreekt, troost, hoop. Een stem, die de ene keer zegt: nee, doe dat toch niet. En de andere keer: ja, doe dat wel. Het lijkt of we tegen ons zelf spreken, maar dan spreekt de Vader tegen ons. De Geest is de stem van de hemelse Vader in ons hart. Een stem, die ons een rust en vrede geeft, die de wereld niet geven kan. Een stem, die ervoor zorgt, dat ons hart niet verward of ontmoedigd hoeft te raken, ongerust of bang. 't Is de stem van ons geloof. In een ander gedeelte van de bijbel staat, dat de Heilige Geest ons vol vertrouwen tot God leert zeggen: Abba, Vader. En als we dat zeggen, dan zijn we geen wezen meer. Dan kunnen we nog wel eens eenzaam zijn, de liefde van mensen missen, door allerlei zaken bedreigd en tegengewerkt worden. Dan kan ‘t zijn, dat we hier op aarde geen liefdevolle vader en moeder meer hebben, maar dan zijn we toch geen wezen. Omdat God Zelf een vader is, die ons alles geeft, wat we nodig hebben. Ik zal u niet als wezen achterlaten.
Maar bij wie komt die Geest wonen en werken? Jezus vertelt heel duidelijk, dat dat niet bij iederéén gebeurt. Niet in de hele wereld, maar alleen bij zijn discipelen. De wereld ziet Mij niet meer, maar gij zult Mij zien. De wereld kan de Geest der waarheid niet ontvangen, want zij ziet Hem niet en kent Hem niet. Maar gij kent Hem, want Hij blijft bij u en zal in u zijn. Die ene discipel, Judas, niet Iskariot, zit daarmee. Hij weet geen weg met dit onderscheid. Here, hoe komt het dat Gij u zelf aan ons zult openbaren en niet aan de wereld? Toch is 't antwoord duidelijk. Wil je los van God leven of heb je Hem nodig? Wil je de Here Jezus niet liefhebben of wel? Wil je zijn discipel niet zijn of wel? Zonder de Here Jezus zijn we alleen op de wereld, zonder ware liefde en troost, verloren, onbeschermd. Met de Here Jezus zijn we misschien wel eenzaam, maar niet alleen. En daarom hoop ik, dat we allemaal, jong en oud, de goede keus maken. Ga niet alleen door 't leven. Die last is u te zwaar. Laat Eén u sterkte geven. Ga tot uw Middelaar. Daar is zoveel te klagen, daar is zoveel geween en zoveel leed te dragen, ga niet alleen. Ga niet alleen, uw Koning wil komen in uw hart. Ach, geef het Hem ter woning, hoe stilt Hij dan de smart. Wie kan er tranen drogen als Jezus? Immers geen! Richt dan de treurende ogen naar Jezus heen. O armen, droeven, blinden, de hoofden opgericht! Laat u door Jezus vinden, zijn last is zacht en licht. Daar is zoveel te dragen, daar is zoveel geween, ach, wilt dan niet vertragen! Naar Jezus heen! Welzalig, die 't ervaren, dat Hij hun alles is. Dan kennen ze in gevaren bezorgdheid noch gemis. Hij draagt dan in zijn armen door alle nood hen heen. Wie steunt op zijn ontfermen is nooit alleen. Amen.
Rapporteer
My comments