Wil je eerst het gedeelte uit de bijbel lezen?
Kolossenzen 1 : 27m
Gemeente van Christus,
Christus is onder u.
Het zijn de weken na het Paasfeest. Toen vierden we, dat Jezus opstond uit de dood. Dus: Hij lééft weer. Hij leeft nóg. Hij leeft voor altijd.
Waar? Vooral onder u, de christelijke gemeente. Paulus schrééf het immers aan zo’n gemeente. Aan die in Kolosse, een plaats in wat nu Turkije heet. En waarom zou het van díe gemeente gelden en van u níet? Ik zou zeggen: Je mag alles vergeten wat ik verder vertel, als je één ding maar niet vergeet: Christus is onder u. Wat ik verder vertel is er ook alleen maar nadere uitleg van. Christus is onder u. Daarom bént u er ook als gemeente. Anders was u er niet, bestond u gewoon niet als gemeente. U bent als gemeente het resultaat van Jezus’ werk in de wereld, zijn actieve aanwezigheid.
U bent geen stelletje mensen dat zomaar regelmatig bij elkaar komt. U bent geen club van mensen die elkaar toevallig wel aardig vinden en daarom elkaars gezelschap zoeken. U bent ook niet een vereniging van leden met een gemeenschappelijk doel of belang. Een sportclub of Rotaryclub. Ook niet een soort geestelijke bezinningsclub. U bent zelfs niet alleen maar een gemeenschap van mensen die ongeveer hetzelfde geloven en het wel prettig vinden om dat geloof met elkaar te delen, te bespreken en te vieren. Dat is al heel wat, maar het is het nog niet helemáál, het is nog té menselijk gedacht. U bent een gemeenschap van mensen onder wie Chrístus zich bevindt. En dat is een wonder waarover je je nooit genoeg kan verbazen.
Paulus schrijft al snel aan het begin van zijn brief aan de gemeente van Kolosse een al bestaand lied op, een hymne. Eén waarin Christus enorm wordt verheerlijkt, echt de hemel in wordt geprezen. Christus is Gods beeld. Letterlijk staat er: Hij is het icoon van de onzichtbare God. Hij is Gods zichtbare gezicht. De evangelist Johannes schreef: Niemand heeft ooit God gezien, maar de enige Zoon van God, die God zelf is, die aan het hart van de Vader rust, heeft hem doen kennen.
Christus is ook Gods scheppende kracht. Hij is het Woord, waarmee God sprak en het was er. De evangelist Johannes schreef: In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. En alles is door dat Woord ontstaan. Alles in hemel en op aarde. Het zichtbare en onzichtbare. Vorsten en heersers, machten en krachten. Christus is in alles de eerste, de bron, de oorsprong. Elke vierkante meter op de wereld is van hem. Wat heeft Christus toch een góddelijke glorie, majesteit, macht. En díe Christus is onder u. Want, meldt die hymne: Hij is het hoofd van het lichaam, de kerk. Onbegrijpelijk toch? Om klein en verlegen van te worden. Wat een eer, gunst, voorrecht. De koning der koningen, God zelf in Christus onder u.
En helemáál om verlegen van te worden, als we niet alleen denken aan de tegenstelling dat Híj zo groot is en wíj zo klein, maar ook aan het contrast tussen zíjn volmaaktheid, heiligheid, en óns falen, tekort schieten, in de fout gaan, óns gebrek aan liefde, puurheid, eerlijkheid. Paulus hoeft wat de christenen in Kolosse betreft alleen maar aan hun oude leven in het troebele heidendom te herinneren, met zijn vele afgoden en losbandigheid. Hij schrijft hun: Eerst was u van Christus vervreemd en was u hem in al het kwaad dat u deed vijandig gezind. Oorspronkelijk staat het er zelfs algeméén: u was vroeger vervreemd. U was vijandig van aard in uw kwade daden. Er gaapte niet alleen een afgronddiepe kloof tussen u en Gód, maar ook tussen u en de ánder. En als wij ons echt open stellen voor het woord van God, via de bijbel en de uitleg ervan, en als Gods Geest daarbij zijn werk doet, als hij ons als het ware binnenste buiten keert, dan kijken ook wíj aan tegen een verleden vol vervreemding, kwaad, vijandschap. Een heidens verleden in de eerste eeuw na Christus, maar ook een onkerkelijk, ja zelfs een kerkelijk verleden in de 20ste en 21ste eeuw na Christus, is zondig en schuldig.
En toch mag tegen mensen met een verleden, met zó’n verleden, gezegd worden: Christus is onder u. Hoe is ‘t mógelijk? Ook dáár geeft de hymne, die Paulus citeert, antwoord op. In Hem, in Christus, heeft heel de volheid van God willen wonen. En door Hem heeft die volheid alles met zich willen verzoenen, door vrede te brengen met zijn blóed aan het krúis. Sinds Pasen leeft de gekrúisigde weer, die zijn leven gaf om onze zonden weg te dragen, onze schuld te vereffenen, ons met God te verzoenen. Paulus legt het direct na de hymne nog eens uit in zijn brief. Eerst was u vervreemd, maar nu heeft hij u door de dood van zijn aardse lichaam met zich verzoend om u heilig, zuiver en onberispelijk bij zich te brengen, voor zich te stellen. Christus, beeld van God, zoon van God, God zelf, is onder u. Ja, onder u zóndaren. Zó dichtbij. Hoe kan het? Wel, hij heeft ook vréde tot stand gebracht tussen zichzelf en ons. Was het ook niet uitgerekend tegen de verachtelijke, gehate tollenaar Zacheüs, dat Jezus zei: vandaag moet ik in je huis verblijven? Onder jou zijn? Onbegrijpelijk. Een mysterie.
Zo nóemt Paulus het ook: een mysterie. Nee, hèt mysterie. Het uníeke, nooit met ons verstand te doorgronden, mysterie van God. En, schrijft hij de Kolossenzen, nu was het Góds tíjd, om dit mysterie, dat in alle eeuwen en bij alle vorige generaties verborgen was, te onthullen. Om dat mysterie van vrede met God en redding door God werkelijkheid te laten worden in het volmaakte leven, de smadelijke dood, en de glorieuze opstanding van zijn Zoon.
Én om het ook aan alle volken bekend te maken. Dat hoort óók bij dit mysterie. Bij deze verborgenheid, dit geheimenis, zoals andere vertalingen luiden. Dat het wordt onthúld, geopenbáárd, doordat er overal van wordt verteld, het wordt verkóndigd. Paulus weet dat dát de bijzondere taak is, die God hem gaf. Hij is een dienaar van het evangelie. Hij heeft de opdracht Gods boodschap te verkondigen. En de Here doet het nog stééds zo. Hij geeft nog steeds mensen de taak om bekend te maken dat Christus aan het kruis is gestorven, uit het graf is opgestaan, eeuwig leeft en dat dát ons behoud is.
Wonderlijk. Oók een mysterie. Er wordt u ook vandáág weer verteld: Christus is onder u.
Maar dan ligt de vraag voor de hand: hóe dan? Want ik zíe hem niet. Wel, Hij is op díe manier onder u, dat er telkens over Hem wordt gespróken. Dus in het evangélie komt Hij naar u toe en is Hij onder u. Een cirkelredenering. Maar het is geen vicieuze cirkel, integendeel: het is een verlossende cirkel. Calvijn gebruikt in dit verband twee krasse beelden. Hij schrijft over het preken: Christus komt tot ons, en is dus ook onder ons, in het gewáád van het Woord. En als de boodschap over de Here Jezus wordt gebracht, dan drúppelt het verzoenend bloed van Christus op de hoorders.
Christus is onder u, maar wel zó. Zeg maar: in de preek. Dat betekent denk ik twee dingen. Bij een kerkdienst hoort dat je bidt, je zingt, je je geloof belijdt, je je gave geeft. En het mag ook nog even gaan over een diaconaal project, er mag ook nog even een koor zingen, er mag ook nog even een muzikaal intermezzo zijn, er mag ook nog even uitleg gegeven worden over de liturgische bloemschikking. Maar prop niet alles in één dienst ten koste van de préék. Paulus heeft het echt alleen maar over het brengen van Góds goede nieuws over Jézus. Dáárin is Christus onder u. We zijn tegenwoordig meer visueel dan auditief ingesteld. Wat we zíen spreekt ons méér aan dan wat we hóren en houdt ook langer onze aandacht vast. Moeten we ons ook in de kerk daaraan aanpassen? Vergeet niet dat de christenen in Kolosse nog maar kort geleden in het heídendom leefden, met zichtbare afgodsbeelden, offers, verkleedpartijen, religieuze dansen en processies. Maar Paulus paste zich niet aan. En hij schrijft aan de Korintiërs: in zijn wijsheid heeft God besloten hen die geloven te redden door de dwáásheid van de verkóndiging. Het is misschien geen eigentijds middel meer, in de ogen van de communicatiewetenschappers is het misschien een dwaas middel, maar het is wél Góds middel.
Dat betekent in de tweede plaats ook, dat de kerkdienst toch het centrale en dragende gebeuren is van de christelijke gemeente. God woonde onder het volk Israël, maar heel speciaal in de tent der samenkomst en in de tempel met de tempeldienst. Op veel oude kerkgebouwen staat in het latijn ‘hic est domus dei et porta coeli’. Dat riep Jacob in Bethel uit nadat hij had gedroomd over een ladder tussen hemel en aarde waarlangs de engelen afdaalden en opklommen. Dit is het huis van God en de poort van de hemel. Bethel betékent ook: het huis van God. In de kérk onder de kérkdienst is Christus onder u. Al betekent dat natuurlijk niet dat alle andere kerkelijke activiteiten door de week, waarin over Gods Woord wordt gesproken, van geen betékenis zijn. Hoe actiever een gemeente hoe levender het lichaam, waarvan Christus het hoofd is.
En nu we het toch over het beeld van de gemeente als lichaam hebben: Christus is ónder u, zo hebben bijna alle vertalingen. Alleen de nieuwe Bijbelvertaling heeft ‘Christus is ín u’. En dat kan toch aanleiding geven tot misverstand. Het betekent namelijk niet, dat Christus in ons als losse individúen, afzonderlijke persónen zit. Vooral in deze tijd gaan we dat al gauw denken. We leven immers in een periode, waarin het individualisme hoogtij viert. De énkele persóón, die is mondig, die heeft recht op zelfbeschikking, die moet zijn eigen leven in volle vrijheid kunnen leiden. Dat besef is nu veel sterker dan het besef, dat we in gemeenschappen leven, in die van een volk, stad of dorp, buurt, familie, gezin. En dat ook dát feit ons leven bepaalt en stempelt.
En dat Christus ín ons is, betekent helemáál niet, dat we allemaal wel ergens diep van binnen een goddelijke vonk hebben, of een goddelijke vlammetje brandt. Mensen die zich met allerlei moderne vormen van spiritualiteit bezig houden, vooral uit oosterse godsdiensten geplukt, zien dat gráág zo. Nee, Christus is ónder jullie als hoofd van het lichaam. En in een lichaam zijn alle delen onafscheidelijk met elkaar verbonden en werken ze nauw samen. Er is geen lichaamsdeel, dat uit het lichaam kan stappen, er zich los van kan maken en voor zichzelf kan beginnen. Daarom houd ik mijn vragen als iemand zegt: ik geloof wel, hoor, maar dat doe ik wel voor mijzélf, daar heb ik de kérk niet voor nodig. Christus is onder jullie, omdát jullie en zoláng jullie met elkaar geméénte zijn, kérk zijn, een geméénschap zijn, onderling verbónden zijn. Zoals alle delen van een levend lichaam prachtig met elkaar zijn verbonden. Het christelijk geloof voeden en vieren met elkáár. Met elkáár meeleven. Elkáár liefhebben. Broeders en zusters zijn van elkáár. Dat is zo belangrijk. Zo luidt ook de aanhef van de brief: Paulus aan de heiligen in Kolosse, gelovige broeders en zusters die één zijn in Christus.
Was het ook al niet zo vóórdat Christus op aarde kwam? God was toen ook al ónder mensen. Onder Israël, maar onder Israël als vólk, geméénschap. Niet onder afzonderlijke losse Israëlieten apart. Ik zal uw God zijn, en gij zult mijn vólk zijn, zei Hij. Zo is ook Christus onder jullie, onder jullie met elkáár. We belijden niet: ik geloof de afzonderlijke heiligen, maar ik geloof de geméénschap der heiligen.
Christus is ook niet onder jullie, omdat hij een speciale band heeft met een speciale groep onder jullie. Een speciale band met bonders, confessionelen, evangelischen, vrijzinnigen, noem maar op. Of, zoals vroeger in bevindelijke kringen, een speciale band met de paar mensen die in het dorp als bekeerd bekend stonden. Je had in de tijd van Paulus ook al stromingen in de kerk. Bijvoorbeeld de stroming van christenen uit het jóódse volk, die aan de joodse levensstijl vasthielden en dat ook van anderen eisten, en christenen uit de níet-joodse, héidense volken, die met die stijl moeite hadden. Het boterde heus niet altijd tussen hen. Ook in Kolosse was dat al zo. Niet voor niets schrijft Paulus verderop in deze brief: laat niemand u iets voorschrijven op het gebied van eten en drinken of het vieren van feestdagen en sabbat. Dit alles is slechts een schaduw van wat komt – de werkelijkheid is Christus. Zo was er ook een stroming in Kolosse, die het in geheime geestelijke kennis en extatische ervaringen zocht. Daarvan schrijft hij: laat u niet veroordelen door mensen die opgaan in zelfvernedering en engelenverering, zich verdiepen in visioenen of zich laten voorstaan op eigen bedenksels. Nee, Christus is onder ú. Onder u als hele gemeente die het evangelie hoort.
Maakt het dus niet zoveel uit hoe je als afzonderlijk persoon denkt of leeft, als je maar gemeentelid bent en ’s zondags regelmatig naar de kerk gaat om het evangelie te horen? Geldt het ook als je in je leven van elke dag daar niks mee doet? Als je eigenlijk alleen maar een christelijke meeloper bent? Geldt het ook als je wel kerklid bent, maar de vreemdste opvattingen hebt? Nee. Het is natuurlijk wél de bedoeling, dat de afzonderlijke delen van het líchaam, dat de kérk is, zich laten leiden door het hóófd, dat Chrístus is. Ons hoofd met alles wat we daarin denken en willen, stuurt ons hele lichaam aan via de zenuwbanen. Als een zenuwbaan naar een bepaald lichaamsdeel is afgesneden, is dat deel lam.
Zo wil Christus ook ieder gemeentelid apart sturen, bijsturen, leiden, door middel van zijn evangelie. Dat kan alleen als er gelovige gehoorzaamheid is aan dat evangelie. Dát is de geestelijke zenuwbaan, die niet afgesneden mag zijn. Ons gelóóf. Denk nog maar even aan de aanhef van de brief, waarover we het al hadden: Paulus aan de heiligen in Kolosse, gelóvige broeders en zusters die één zijn in Christus. En aan zijn oproep: Maar dan moet u blíjven geloven, onwrikbaar gegrondvest zijn in de hoop die het evangelie brengt. Dít geloof moet er zijn. Hij heeft het zelfs over ‘onwrikbaar gegrondvest’ zijn. Het is dus óók de bedoeling, dat dit geloof steeds sterker wordt, groter, steviger, vaster, weerbaarder, dieper, breder. Daarom moet Paulus ook de boodschap over Jezus in álle vólheid verkondigen. Hij mag niet in een simpel evangelisatieverhaaltje blijven steken. Héél het woord van God, in álle vólheid, moet aan de orde komen. Wij zouden nu zeggen: van Genesis tot Openbaring. De bekende en onbekende gedeeltes. De gemakkelijke en de moeilijke. De aangename en de afstotende gedeeltes. Alles. Een boom staat alleen stevig en is alleen bestand tegen stormen als zijn wortels zich breed en diep in de grond verspreid hebben. Zo kunnen we alleen een stevig geloof krijgen, onwrikbaar gegrondvest in de hoop die het evangelie brengt, als de volle breedte en diepte van de bijbel in de preken aan de orde komt. Alle volheid.
En daarom houdt de verkondiging van Paulus ook in dat hij iederéén, en nu wel echt iedereen afzónderlijk, waarschuwt en in alle wijsheid onderricht om iederéén, nu ook echt iedereen afzónderlijk, tot volmaaktheid in Christus te brengen. Wie het evangelie brengt moet dus ook wáárschuwen. Waarschuwen tegen de gevaren en verleiding van deze tijd. Niet in het algemeen, maar concreet, met reële voorbeelden, zodat ieder mens afzonderlijk het in zijn en haar eigen situatie in gezin en maatschappij herkent. Wie het evangelie brengt moet dus ook in alle wijsheid onderríchten. De horende gemeente moet zinvolle informatie krijgen, er van leren. De dominee is herder én leraar. Zó is Christus onder u, met eerbied gezegd, niet in het shortje maar in het complete lange wijde gewaad van het Woord.
En zo kunnen we heel persoonlijk groeien en rijpen in het geloof, doordat we ons steeds weer laten vernieuwen, reinigen, bekeren door het evangelie in al haar volheid. De volmaaktheid in Christus bereiken we hier op aarde nooit. Het is als het ware de stip aan de horizon, waarop ons oog gericht is. We kunnen énige vorderingen in ons geloof maken, en misschien zien we dat wel als we achteromkijken in ons leven, maar de stip aan de horizon blijft voor ons gevoel éven vér.
En het gaat ook allemaal niet vanzélf. Dat Christus onder u is, wil niet zeggen, dat we er al zo’n beetje zijn en we onze geestelijke schaapjes op het droge hebben. Paulus schrijft zijn brief aan de gemeente van Kolosse in een gevángenis. De gemeente, met de brengers van het evangelie voorop, krijgt tégenstand van de wereld om haar heen. Tóen tegenstand van de romeinse overheid. Nú tegenstand van een atheïstische, vaak genotzieke en losbandige samenleving. Het kost moeite om je als christen staande te houden.
En toch: houdt het vol. Blijf geloven. Onwrikbaar. Wánt Christus is ónder u. En hij is uw hóóp op goddelijke luíster. Het feit dat hij onder u is, wil dus zeggen, dat we bij alle moeite om te geloven, bij alle tegenslagen, teleurstellingen, aanvechtingen, niet hoeven te wanhopen, de hoop niet hoeven op te geven. We leven met verwachting, met uitzicht. Met een lokkende stip aan de horizon, die eens níet wijkt, maar op ons áfkomt. Bij de terugkomst van de Here Jezus. Dan is hij niet langer onzichtbaar onder ons in het gewaad van het Woord, maar zichtbaar in zijn volle glorie. Hij is uw hoop op goddelijke luister.
O, blij vooruitzicht dat mij streelt,
ik zal, ontwaakt, uw lof ontvouwen,
U in gerechtigheid aanschouwen,
verzadigd met uw goddelijk beeld.
Amen.
Rapporteer
My comments